Volksgeneeskunde – tekst van een nog te houden lezing door Geurt Stoffels

Volksgeneeskunde – Geurt Stoffels

De volksgeneeskunde reikt terug tot in een ver verleden. De natuur heeft de eerste apotheek geopend. De primitieve mensen en dieren waren aangewezen op de beschermende werking van de aanwezige planten en kruiden om ziekten te voorkomen en gezond en sterk te blijven. Omdat mens en dier zich voortdurend verplaatsten, waren er overal filialen van de natuurlijke apotheek te vinden. Waar ter wereld de mens ook ziek werd, altijd vond hij in het veld de middelen om te genezen, de ingrediënten voor een geneeskrachtig kruidenaftreksel of voor een smeersel.

Onze vroegste voorouders hebben de eerste beginselen van de volksgeneeskunde ontdekt, toen zij zagen dat dieren geneeskrachtige planten gingen zoeken zodra ze last hadden van koortsen of wonden. Door nauwkeurig te observeren hoe de dieren zichzelf konden genezen, leerden de mensen hoe ze op een natuurlijke manier gezond konden blijven. Ik heb bewondering voor de dieren die instinctief en gevoelsmatig de natuurlijke wetten volgen om te kunnen genezen. Zij weten feilloos welke kruiden ze bij bepaalde kwalen nodig hebben om beter te worden.

De in het wild levende dieren zoeken allereerst de afzondering op waar ze zich volkomen kunnen ontspannen. Verder vertrouwen ze op de middelen van de natuur: de genezende kracht van planten en zuivere lucht. De beer graaft naar wortels van de varenplanten; een dier dat gebeten is door een gifslang, kauwt vol vertrouwen op slangewortel. Een dier dat koorts heeft, zoekt zo vlug mogelijk een koel, schaduwrijk plekje op bij het water. Daar blijft het rustig liggen, het eet niet en drinkt veel tot het beter is. Een dier dat door reumatiek wordt geplaagd, zoekt een plekje in de volle zon en blijft daar tot zijn kwaal door warmte is verdreven.

Laten we als voorbeeld een dier nemen dat weigert te eten als het ziek is. Door het voedsel te laten staan ontstaat er in zijn lichaam een biochemische toestand die meehelpt zijn herstel te bespoedigen. Als wij ziek zijn, eten we dikwijls alles op wat ons wat ons wordt voorgezet, uit vrees dat men anders zal denken dat wij het niet waarderen! De mens denkt gewoonlijk dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren als hij een maaltijd overslaat. Hij vergeet dat het lichaam reserves vormt voor tijden van nood en, zo nodig, gedurende de gehele periode van een ziekte zonder voedsel kan. Als hij 25 jaar is, zijn het beendergestel, het spier- en zenuwstelsel, het hart en het bloedvatenstelsel, de ademhaling’s en de spijsverteringsorganen volledig ontwikkeld. Vanaf deze leeftijd heeft hij dagelijks alleen nog maar voedsel nodig om deze stelsels en organen in stand te houden.
Met 50 jaar is het nodig aan de vernieuwing van het lichaam te beginnen: we moeten dan niet eten omdat we trek hebben, maar voedsel kiezen dat doelmatig is voor de elementaire samenstelling van het lichaam. Wij handelen dus regelrecht in strijd met de biochemische wetten. Als wij de dieren zouden navolgen, zouden wij ook meer lopen (zie hiervoor ook de lezing “Wordt de consument patiënt?”).

In de zogenaamde ‘ontwikkelingslanden’ doen de mensen eenvoudig de dieren in de natuur na om gezond te blijven; niemand probeert daaraan naar willekeur iets te verbeteren. Zij beschikken nog, eenmaal volwassen, over alle instinctieve gewoonten uit hun jeugd. Toen de wereld nog jong en niet verontreinigd was, was de natuur de enige dokter die de mens kende. Haar planten, kruiden, wortels en bladeren waren zowel voedsel als medicijn. De mens werd wel gedwongen daarmee stapje voor stapje te experimenteren, er de goede eigenschappen van te leren kennen en die toe te passen.

Naarmate de eeuwen vergleden, kwamen er dokters om de mens te behandelen. Maar de dokters waarover verslag is gedaan, kenden geen ander medicijn dan die welke zij destilleerden uit natuurlijke bronnen! Er bestonden toen nog geen farmaceutische industrieën en geen chemici – slechts de chemische werking van de natuur om je aan over te geven!

De Codex Alimentarius, die op 22 december 2012 voor het eerst in Nederland werd ingevoerd, veroorzaakte grote onrust t.a.v. de beschikbaarheid van de geneeskrachtige kruiden; de Voedsel- en Warenautoriteit bestond toen nog niet. Met sommige kruiden moet je voorzichtig omgaan. Dat is bekend bij kruidendeskundigen, maar ik vraag mij als garagehouder af hoe scheef de vergelijking is in verhouding met de gebruikelijke chemische geneesmiddelen! Volgens de NPCF (Nederlandse Patiënten- en Consumenten Federatie) moeten al jaren lang 19.000 mensen per jaar naar het ziekenhuis – of ze zijn daar al – door bijwerkingen of door verkeerd gebruik van medicijnen (iatrogene ziekten).

‘Laat eten je medicijn zijn‘, sprak Hippocrates, de vader van de geneeskunst, al 2500 jaar geleden, om de gezondheidsbalans te herstellen. Aan hem die hem navolgden, liet hij een lijst na met 400 kruiden die men in de vierde eeuw voor Christus als medicijn gebruikte. Ik citeer een natuurarts: “In Nederland leer je als arts nauwelijks iets over andere geneeswijzen. Je krijgt vooral te horen hoe slecht en gevaarlijk de alternatieve geneeswijzen zijn, en dat er geen alternatief is voor de reguliere aanpak. Verder krijg je wat basisles over eiwitten, koolhydraten, vetten en energie. Je leert nauwelijks iets over mineralen en vitaminen. Over diëten en voedingsvoorschriften leer je helemaal niets, daarvoor moet je doorgestuurd worden naar een diëtist. En die heeft gestudeerd op voeding en dieet, maar niet op behandeling van ziekten. Gelukkig hebben we natuurartsen. Bij hen kan je wel terecht als je wilt weten welke voeding iets kan doen bij ziekte. Helaas zijn er niet zo veel meer van over. Ze zijn weggepest door de onwil en betutteling van zorgverzekeraars en door de laster van anti-kwakzalverfanaten. Jammer, want natuurlijke geneeskunde is een waardevolle aanvulling op de reguliere geneeskunde. Dat veel reguliere artsen kruidengeneeskunde (fytotherapie), de oudste geneeswijze ter wereld, inzetten voor eigen gebruik en niet beroepsmatig, zegt volgens mij genoeg over de controversiële benadering betreffende de natuurlijke geneesmiddelen uit de apotheek van GOD.

De strijd om de werkzame stoffen van planten te kunnen patenteren wordt steeds feller (zie de vorige lezingen van mij ). Als er door wetenschappers een doorbraak gevonden is met behulp van een natuurlijk middel, en dat is niet te patenteren, hoor je er meestal weinig meer van! (Dit valt volgens mij onder de noemer ‘publieke geheimen’).

Veel positief beoordeelde inzichten en remedies van vroeger worden nu veroordeeld, maar worden in de toekomst volledig gerehabiliteerd met de dan geldende inzichten. Kortom: De geschiedenis herhaalt zich steeds weer !

Soms zie je door de bomen het bos niet meer. Zo zie je dat bij veel onderzoeken een tegenonderzoek de resultaten van het vorige onderzoek onderuit haalt, al of niet vanwege de economische belangen van de chemische industrie, en soms ook vanwege de natuurlijke, niet integere fabrikanten van geneesmiddelen, c.q. aandeelhouders of beleggers.

Zo vond men chocola vroeger slecht. Nu is het zogenaamd gezonder dan een koekje bij de koffie (pure chocolade met minstens 70 % cacao). Dat geldt ook voor het dr. Frank eierendieet voor de lijn; dat is nu niet meer slecht vanwege de cholesterol! Ook is er discussie over de vraag of verbrande hamburgers al of niet kankerverwekkend zijn.

Het begrip productiviteit (met een minimum aan middelen een maximaal resultaat behalen) is volgens mij niet van toepassing op de farmaceutische industrie (zie mijn lezing “Wordt de consument patiënt”). Als iets eenvoudig is, wordt het gewantrouwd. Het moet uitgedacht zijn door specialisten. Als we het zelf kunnen bedenken, vinden we het al gauw onnozel. (Bijvoorbeeld een methode om te kunnen zien zonder bril) Toch vind ik persoonlijk dat elk mens zijn nut heeft in de grote keten van de maatschappij, zeker als die mens zichzelf hanteert en niet gehanteerd wordt! Dat geldt bijvoorbeeld voor de toepassing van probiotica na een antibiotica kuur. Kortgeleden was dat nog controversieel. Nu wordt het steeds meer geaccepteerd in het reguliere allopatische circuit. Zo hebben wetenschappers van de universiteit van Wageningen ontdekt dat bacteriën in probiotica en yoghurt e.d. ziekten tegenhouden door zich met grijparmpjes aan de darmwandslijmlaag vast te klemmen en zo de toegang van ziekteverwekkers te blokkeren. Door antibiotica kunnen deze bacteriën tijdelijk verdwijnen, met alle risico’s vandien, maar door probiotica kan dit snel weer op peil gebracht worden. Wij hebben met zijn allen de grote voordelen van antibiotica nog mogen meemaken, maar dat is niet blijvend.

In mijn lezing van enkele jaren terug heb ik hier meermalen voor gewaarschuwd, met name voor de koppelbestuiving bij kuikens met de nieuwste soorten antibiotica, en voor de ESBL bacterie – en wat is er nu veranderd? Weinig tot niets. Ik noem dat altijd zekerheid op de investering. Op 24 mei 2013 werd de uitkomst van een onderzoek naar de aanwezigheid van de ESBL-bacterie in vlees gepubliceerd. Het gaat om een onderzoek van vlees van supermarkten en slagers in opdracht van het ministerie van Economische zaken, uitgevoerd door de consumentenbond. In 40% van het kalfsvlees en in 13% van de biefstukken en in bijna alle kip was ESBL aanwezig !

In “Gezond Nu” stond een artikel van Prof. dr. Jan Kluytman, hoogleraar microbiologie aan het VU medisch centrum in Amsterdam. Hij werd bekend i.v.m . zijn onderzoeken naar MRSA in varkensvlees en ESBL-bacteriën in kippenvlees, bekend onder de noemer ziekenhuisbacteriën. Vroeger waren deze vrijwel altijd uit buitenlandse ziekenhuizen afkomstig; nu is dat maar ongeveer 5 %. Ze komen nu door de voordeur binnen. In Nederland zijn al 1,5 miljoen gezonde ESBL-dragers met honderden varianten van resistentiemechanismen, en dat arsenaal neemt veel sneller toe dan de ontwikkeling van nieuwe soorten antibiotica. Als je een paar weken of maanden stopt met voedsel waar de E-colibacteriën in zitten, verdwijnen ze uit de darmen. Bij ons is de situatie nog heilig . In ontwikkelingslanden zoals India zijn antibiotica zo’n beetje uitgespeeld. De kindersterfte neemt daar nu verder toe. Artsen in Griekenland geven daar nog een overdaad aan antibiotica bij een totaal gebrek aan hygiëne! Mevrouw Chan, directeur-generaal van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) zei in 2012: “Antibioticaresistentie betekent het einde van de moderne geneeskunde zoals wij die kennen.” Maar de wereld vergaat niet. Tot 1940 hebben we het zonder antibiotica ook behoorlijk goed gedaan. Daar moet ik even iets aan toevoegen en je zou er KIPPIG van worden in verband met het KIP ZONDER KOP BELEID dat volgens mij van de leg is waar het de natuurlijke, weerstand verhogende kruidenmiddelen en andere natuurlijke middelen betreft .

Als je met je boeren- of garagehouderverstand de oorzaak van de grote explosie van darmziekten wilt achterhalen, dan valt het op dat dit vroeger niet zulke proporties aannam als nu. Dan vraag ik mij als garagehouder af: wat en wanneer is er iets veranderd in de leefwijze van de mensen? Het viel mij op dat in het verleden veel minder medicamenten werden geslikt dan nu. Wat zijn de iatrogene effecten en interacties en bijwerkingen van al deze middelen op de darmwand, waar alles doorheen gaat voor het in de w.c. pot wordt gedeponeerd? Weinig farmaceuten houden zich hiermee bezig. Als leek denk ik – maar dan zal ik wel weer tegen heilige huisjes aan schoppen – dat de sterk geconcentreerde afwasmiddelen, die vroeger niet beschikbaar waren, wel eens een kwalijke rol hierin kunnen spelen. Kijk maar eens op de verpakking wat je moet doen bij inwendig gebruik. Slechts één waarschuwing van een onderzoeker kon ik vinden; afwasmiddelen behoren tot de schade veroorzakende stoffen van deze tijd; zij veranderen de oppervlaktespanning in de darm waardoor gemakkelijk opname kan plaatsvinden van niet-wenselijke verbindingen!

Persoonlijk gebruik ik – en dat hoort enigszins controversieel, denk ik – het liefst sterk geconcentreerd afwasmiddel. Dan wordt het lekker snel schoon, maar je moet wel goed afspoelen.

Gezondheid bereiken we volgens mijn inzichten als garagehouder niet door onderdrukking van symptomen of het negeren van signalen, zoals controlelampjes e.d. Het gaat er om dat het lichaam in staat wordt gesteld om de balans op een natuurlijke manier te herstellen. De voorwaarden voor het zelfherstellende vermogen zijn echter niet altijd aanwezig, maar alle kracht hiervoor zit toch in onszelf.

Ik zeg altijd: de geest staat boven de materie! Mijn vorige lezing over spontaan herstel en regressie heeft mij daar wel van overtuigd, na vele interviews met ervaringsdeskundigen over mentale en niet te vergeten geestelijke of gebedsgenezingen.

Één voorbeeld waaruit blijkt dat gedachten krachten zijn, wil ik hier toch even aanhalen. De huisarts die het boek schreef “Hoe overleef ik mijn huisarts”, kreeg recentelijk een vitale heer van ruim tachtig op het spreekuur met een indrukwekkende c.v. wat ziekenhuisopnames betreft. Desondanks is hij gelukkig en staat volop in het leven.
De huisarts vertelt hierover: “Ik vroeg hem of hij ook bang was toen hij in 1988 maagkanker had. Hij kijkt verbaasd. Bang? De chirurg had mij verteld dat ik na de operatie helemaal genezen was en dat het nooit weer terug zou komen, en daar heb ik op vertrouwd, vertelde hij. Toen hij weg was, pakte ik zijn dossier toch even uit de archiefkast, met het operatieverslag. Er staat heel duidelijk: ‘De operatie is alleen bedoeld om de klachten te verlichten, maar hij zal niet meer genezen.’ “

Dit doet mij denken aan iets wat ik ergens opgepikt heb, zullen we maar zeggen:   “Wanneer de geest de omgeving als veilig inschat, groeien de lichaamscellen. In stressvolle situaties nemen de lichaamscellen een afwerende houding aan. De energiebronnen worden aangewend voor de beschermende maatregelen in plaats van voor groeiprocessen.” Groeiprocessen stoppen wanneer het systeem gestresst is. Ons lichaam is opgewassen tegen korte perioden van stress. Aanhoudende stress kan dysfuncties en ziekten veroorzaken.

BRONVERMELDING:

“Leef lang en gezond”, dr. D. C. Jarvis
“Natuurgeneeswijzen”, Helmut Lóffler
“De genezende kracht van natuurlijke middelen”, Lelord Kordel
“Gezond Nu 9/2010”, dr. J. Bolhuis, natuurarts
Huisarts Metta Hofstra, Gezond Nu, 04/2013
NPCF (Ned. Patiënten Consumenten Federatie), 01-02-2011
“Gezond Nu”, 3/2013, Prof. Jan Kluytmans, microbioloog
NOS 24/ 05/ 2013.

Vraag naar het einde van de mensheid – Gottfried Mayerhofer

Vraag naar het einde van de mensheid

Door G. Mayerhofer in 1872

Eerste brief aan de Corinthiërs, hoofdstuk 15, verzen 22-28.

  1. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.
  2. maar ieder in zijn eigen rangorde. Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.
  3. Daarna het einde, wanneer Hij het rijk aan God, de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, elke macht en kracht vernietigd heeft. 25. Want Hij moet heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.
  4. De laatste vijand die onttroond wordt, is de dood.
  5. Want Hij heeft alles onder zijn voeten gelegd. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die alles aan Hem onderworpen heeft.
  6. Wanneer alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf zich aan Hem onderwerpen, die alles aan Hem onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Mijn beste zoon (J.Busch), verschillende vragen en twijfels, die in jouw hart zijn opgekomen, zijn al door mij verklaard en toegelicht, en dat niet voor jou alleen, maar voor allen, omdat er velen zijn en in de toekomst nog zullen zijn, die mijn woorden bestuderen en erover piekeren om de ware en niet alleen de letterlijke zin te weten te komen. Je hebt net naar aanleiding van je eerdere twijfels een uitvoerig antwoord ontvangen (over de scheppingspiramide); nu brengt een door mij toegelaten toeval je weer sommige plekken van de Bijbel in herinnering, die je wilt laten toelichten, en je denkt met die opheldering jouw laatste vraag van dit leven beantwoord te krijgen.

Maar ik zeg je, dat hiermee niet alleen jouw eigen, maar de laatste vraag van de hele mensheid door dit antwoord zal worden toegelicht, want deze bovengenoemde verzen omvatten de cyclus van eeuwen, die is begonnen met mijn aankomst op jullie aarde, d.w.z. van de geboorte in Bethlehem, en duurt tot Mijn volgende en laatste Wederkomst, die op handen is.

Het eerstgenoemde vers zegt je al in weinig woorden het grote einddoel van Mijn toenmalige verschijning, waar gezegd wordt: “zoals allen in Adam sterven, zo zullen zij in Christus tot leven komen.” – Het sterven in Adam betekent alleen het lichamelijke of materiële vergaan, waarbij de ziel als het ware in het lichaam is overgegaan, doordat zij in plaats van het vergeestelijken van het lichaam, zich zelf belichaamd heeft. Dat is de toestand, waarin de mensheid (zoals nu ook weer) helemaal alleen in materiële behoeften en genot haar hoofddoel ziet en al het geestelijke verloochent en met voeten treedt.

Dat tijdstip, juist toen alle omstandigheden samenvielen, was ook gekozen om niet alleen mijn komst mogelijk te maken maar ook een groter, blijvend succes te verzekeren. Daarom zegt dit vers: zoals alles moet vergaan, zo moet ook alles geestelijk eeuwig leven, wanneer het door mijn leer wordt wedergeboren.

Wat dat vers in die tijden zei en betekende, toen Paulus aan de eerste Christenen schreef, dat geldt ook vandaag nog, en wel in die zin dat bij elk mens de oude Adam – of zijn vleselijk-zinnelijke begeerten – evenals het materiële lichaam moet vergaan om een geestelijke stap voorwaarts mogelijk te maken en een nieuwe geestelijke Adam te kunnen aantrekken. Eens zei ik zelf: Je kunt niet twee heren dienen! En zo is het ook onmogelijk om in mijn rijk een wedergeborene te worden voordat je de wereld en haar macht van je hebt verwijderd. Om dit te bereiken en gemakkelijker te maken, was de zin van mijn aanwezigheid op jullie aarde.

Het volgende vers zegt: “maar iedereen volgens zijn eigen orde”. Dat betekent dat ik als een voorbeeld jullie de weg moest wijzen die jullie moeten betreden als jullie mijn kinderen willen zijn en deel willen hebben aan mijn rijk.

Hetzelfde wordt ook uitgelegd in de voortzetting van dit vers met de woorden: “De eerste is Christus, daarna degenen die aan Christus toebehoren, wanneer Hij komen zal.” Ik ben jullie daadwerkelijk voorgegaan met mijn voorbeeld. Ik liet de hele mensheid de zelfverloochening en de opoffering zien, die vereist zijn om Mij waardig te worden en zo met de grote scheppingsgedachte overeen te stemmen, zoals Mozes dit aangeeft: “En God schiep de mens volgens zijn eigen beeld!”, wat niet alleen ten aanzien van de vorm zo moet zijn, maar ook in overeenstemming moet zijn met zijn geestelijke inhoud, want ik ben een geest, en ik en mijn doel zijn de hoogste volkomenheid.

Daarom moest ik op jullie aarde neerdalen, om die lichamelijk gevormde Adam in een geestelijke te veranderen, opdat hij ooit in mijn geestenrijk zal passen. Verder staat boven: “daarna het einde, wanneer Hij het rijk aan God, de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, elke macht en kracht, zal hebben vernietigd.” Dat wil zeggen: omdat ik als wijsheid (leraar) naar jullie aarde kwam, om daar het werk van de liefde (de schepping van vrije mensenwezens) regelmaat en duurzaamheid te verlenen, daarom moest dit werk – door Mij als God begonnen en als mens volbracht – zijn voortdurende uitstraling onder de mensen hebben, het moest een einddoel nastreven, dat niets anders is, noch zal zijn, dan alle mensen naar Mij terug te leiden, naar die hand vanwaar zij materieel kwamen en waarnaar zij geestelijk of vergeestelijkt moeten terugkeren. Vanwege de wilsvrijheid echter, die ik in de menselijke ziel heb ingeplant, moet deze terugkeer naar Mij natuurlijk tot onbepaalde tijd worden verlengd, omdat de mensen deze terugweg vrijwillig en niet gedwongen moeten afleggen.

Zo vlogen honderden jaren met hun verschillende toelatingen voorbij, om de mensen door vermaningen en beproevingen van allerlei soort waardig te maken voor hun einddoel.

De mens moet – voor mijn volgende wederkomst – een deugdzaam mens zijn geworden, moet zijn rechter in de eigen borst dragen en zich in zijn handelingen niet laten leiden door uiterlijke rechtspraak, overheden en machthebbers. Hij moet geestelijk heer zijn over zijn hartstochten en hij moet het zo ver gebracht hebben dat hij alleen Mijn twee liefdeswetten kent en volgt, omdat hij mij wil behagen en zich mijn kindschap wil verwerven.

Dat is het einde, wanneer ik als wijsheid (zoon) aan de liefde (de Vader) haar – uit liefde geschapen – wezens weer teruggeven heb en wel op dezelfde manier waarop de liefde hen schiep en slechts zoals de liefde hen als haar kinderen, als haar waardige schepsels, kan accepteren. Heerschappij, gericht en geweld heb ik op aarde achtergelaten, zoals ik eens aan de Joden liet zeggen toen zij koningen wilden hebben: “Jullie zullen ze hebben, maar bij wijze van straf”.(1.Samuel 8). Deze machthebbers waren allemaal gesels, die de volken door misbreuk van hun macht net niet helemaal in de modder van het aardse leven lieten wegzakken – zij waren het en zijn het nog, die de gemoederen naar mij toe leiden en juist daardoor het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat zij eigenlijk willen bereiken.

Kijk toch eens naar al deze regeringsvormen waardoor de volken nu geregeerd worden: niet één is door een vrijzinnige, edele heerser zelf gegeven, zij werden hen opgedrongen door de volken, zelfs wanneer de heersers hun macht misbruikten. En zo zal het voortduren totdat geen autoriteit meer bestaat dan alleen de macht van het geweten in ieder individu. Daarom staat boven: “Christus zal alle heerschappij, overheid en autoriteit opheffen {onttronen}”, wat zo veel wil zeggen als: de door mij gegeven leer van de liefde zal in de toekomst alle autoritaire maatregelen overbodig en nutteloos maken. Het klassenverschil zal dan plaats moeten maken voor de broeder- en zusterliefde. Dat is het laatste stadium van zedelijke waardigheid en van geestelijke verhevenheid die de mensen moeten hebben bereikt, voordat Ik als persoon jullie aarde opnieuw kan betreden. Want het was anders bij mijn optreden onder de Joden: destijds kwam ik als een zaaier, als Heiland en als een herder en was op zoek naar de verloren schapen; maar nu, nu mijn leer bekend is, waar het geen geheim meer is te weten welke weg naar mij leidt, nu kom ik wederom om te oogsten, nu wil ik gezonde zielen en trouwe volgzame schapen vinden, maar deze kunnen niet door dwang en door geweld worden opgevoed, maar zij moeten zich vrij maken van alles wat werelds is en hun vooruitgang in de weg staat.

In een wereld vol materiële en zelfzuchtige mensen kan ik niet komen, zij moeten eerst geestelijk zuivere zielen, mij toegedane wezens zijn, die mij ook weten te eren, lief te hebben en te begrijpen. Maar omdat de meeste heersers en machthebbers niet nalaten om hun eigen eerzucht na te jagen, steeds naar meer macht en grotere autoriteit streven, zo versnellen zij juist daardoor deze grote verandering, waardoor heerschappij, overheid en autoriteit zullen ophouden te bestaan! Neem als voorbeeld jullie recente gebeurtenissen, dan zul je gemakkelijk inzien hoe de twee heerschappijen, namelijk de geestelijke en de wereldse, hun verval tegemoet gaan, juist door het misbruik ervan. Zij bevorderen op die manier slechts mijn werk dat zij als een bijzaak beschouwen, omdat ze Mijzelf en Mijn leer voor hun doelen willen gebruiken. Zo moet steeds het kwade alleen maar goeds teweeg brengen en zo is ook de triomf van Mijn woorden mogelijk, wanneer de satan zelf deze macht moet erkennen, doordat ook hem de nietigheid van zijn bemoeinissen tegen Mij duidelijk voor ogen staat, omdat ook hij moet inzien dat alles wat hij doet en verzint, niet hem maar Mij tot voordeel strekt. Juist op die weg is zijn terugkeer mogelijk, wanneer hij het ijdele van zijn streven voor ogen heeft.

Zo is ook het volgende vers bedoeld, waar gezegd wordt: “Hij (Christus) moet heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd!” Deze heerschappij van de geestelijke liefdewet, die ik de mensen gegeven heb, zal de gemoederen zo lang bezig houden en de geesten zo lang onrustig maken, totdat Mijn twee wetten alleen heersen, en ook door allen vrijwillig worden nageleefd! Nergens zal de menselijke ziel rust vinden dan alleen in het naleven van Mijn wetten van de liefde, en vervolgens in de werking van Mijn liefdesmacht, tot alles aan mijn voeten ligt.

Om dat te versnellen en te bevorderen, zullen juist, zoals Johannes in de openbaring zegt, alle zeven schalen der gramschap uitgegoten worden om het goede van het slechte te scheiden, de tarwe van het kaf.

Kijk, in jullie menselijke organisme staat de galblaas voor de schaal van de gramschap, doordat ook zij aan ieder deel van de ingenomen spijs iets van zichzelf toevoegt, zodra de spijs door de twaalfvingerige darm (een soort tweede maag) gaat. Dat is dan de prikkel voor de scheiding van de spijzen in de maag, en op die manier draagt het, tijdens het passeren door de darmen, bij aan het opnemen van het bruikbare en het afscheiden van het onbruikbare. Op dezelfde wijze zijn het de ongelukken, de kwellingen en het lijden, die als gal de spijzen – dat betekent mijn aardse kinderen – ook zo ontbinden en zuiveren, opdat zij hen voor mijn grote geestelijke rijk bruikbaar maken, tot uiteindelijk het onbruikbare afgescheiden wordt, om dan net als in het materiële leven, niet zonder verdere levensverrichtingen, maar dan alleen via tijdrovende omwegen, het primitieve reinigingsproces te herhalen.

Dat is geestelijk gesproken de zin van vers 25, opdat jullie ook vers 26 kunnen begrijpen, waarin staat: “De laatste vijand, die wegvalt, is de dood”. Wanneer de mensen zo vergeestelijkt zijn, moreel zo zuiver zijn, dat zij zelfs hun materieel omhulsel hebben vergeestelijkt, dan spreekt het vanzelf dat dan de grote stofwisseling (de dood), niet alleen niet meer nodig is, maar ook niet meer mogelijk is, want een lichaam, dat niets bevat dat vergaan kan, kan niet langer aan deze wetten zijn onderworpen, maar alleen aan die van de langzame transformatie. Het grove materiële heeft dan door de zuiverheid van de ziel opgehouden haar omhulsel te zijn; de ziel is etherischer geworden en haar omhulsel komt met haar toestand overeen.

Zo zal dus ook de dood bij de levenden verdwijnen. Zelfs bij de dieren zal deze veredeling merkbaar zijn, omdat ook zij bij de verandering van de menselijke natuur betrokken zijn. Zelfs zij zullen overeenkomstig hun natuur fijnere dierenlichamen hebben, die het vergaan en afsterven bekorten en de overgang van de ene fase naar de andere gemakkelijker maken. Deze toestand van de laatste materiële en de eerste geestelijke fase zal zelfs zijn weerslag hebben op de aarde, zowel op haar uiterlijke als haar innerlijke gesteldheid.

Waar eenmaal het leven uit de liefde in de praktijk wordt gebracht, daar zal ook deze stugge aarde, die jullie nu “met het zweet op het aangezicht” moeten bewerken, veranderen in een paradijs, zoals zij ooit in de begintijd van Adam was. Destijds was zij als een jonkvrouw in haar bruidsversiering. Dan zal ook zij haar veranderingsproces gemakkelijk kunnen volbrengen, want ook zij bestaat dan uit lichtere stoffen dan nu, omdat de grovere stoffen zich steeds tegen hun verandering verzetten – zoals ook bij de meeste mensen het geval is.

In de verzen 27 en 28 wordt volmaakt en met hemelse uitstraling gezegd wat er gebeurt als deze toestand op de aarde is begonnen: “want hij heeft Hem alles onder zijn voeten gelegd”, namelijk dat de dood heeft opgehouden te bestaan en alleen leven, het leven van de vergeestelijkte ziel, nog bestaat en de wezens op aarde vervult. Maar wanneer Christus, of de goddelijke wijsheid, zegt dat Hem alles onderdanig is, dan is het duidelijk dat diegene uitgezonderd is, die alles aan Hem heeft onderworpen, d.w.z. dat de wijsheid de grenzen heeft bepaalt in hoe verre de liefde met succes kan werken. Het spreekt vanzelf dat al het geschapene aan de grote liefde in God, de vader, onderworpen moet zijn, en slechts deze liefde van God kan aan niemand onderdanig zijn, omdat zij het grondprincipe is van het behoud, het worden en het bestaan van alles. Op die manier kan zij alleen de begeleider van de wijsheid worden en een aanvulling daarop, maar nooit zelf beheerst worden, noch over de wijsheid heersen, maar in harmonie met haar verbonden datgene bewerkstelligen wat zij eigenlijk wil, zal en moet doen. Toen Christus als de wijsheid zei: “Ik heb aan U – de liefde – alles onderworpen”, betekende dat, dat het vergeestelijkte als een liefdewerk de goddelijke liefde kan begrijpen en zich met haar kan verenigen.

Het dichter bij elkaar komen op broederlijke en zusterlijke wijze van de geschapen wezens met de oerbron van alles wat bestaat is wel mogelijk, maar een samensmelten met de Hoogste is ondenkbaar. Alles volgt de liefde. De liefde die gepaard gaat met wijsheid blijft het hoogste maar nooit te bereiken punt, als de grote scheppingsgeest, op eenzame hoogte staan, omdat haar macht en haar karakter zodanig is dat geen geschapen wezen dit kan evenaren.

Daardoor is nu pas vers 28 begrijpelijk, waar staat: “Als echter alles aan Hem zal zijn onderworpen, dan zal ook de zoon zelf onderdanig zijn aan Hem, die alles aan Hem heeft onderworpen, opdat God zij alles in allen”. Dit vers geeft aan, wat ik als Jezus al eens volbracht heb door mijn opstanding en hemelvaart. Toen, nadat ik mijn missie op aarde als kind van de aarde en mens had volbracht, speelde zich in mij af, wat eens met de gehele mensheid zal gebeuren.

Ik overwon de dood, gooide het aardse weg en bekleed met een vergeestelijkt lichaam werkte ik nog de laatste 40 dagen op aarde, zo lang mijn discipelen en aanhangers bemoediging nodig hadden. Zoals eens op aarde de mensen tijdens hun geestelijke ontwikkeling, waarbij ze stap voor stap steeds verder gaan, het aardse zullen afleggen en het geestelijke in zich op zullen nemen.

Nadat op die wijze de laatste daad van mijn verblijf op aarde was verricht en de belangrijke pilaren voor de bouw van het eeuwige liefdesgebouw waren verankerd, keerde ik naar mijn Vader – naar de liefde terug. De wijsheid verenigde zich weer volledig met de liefde, zoals eens de vergeestelijkte mensheid zich zal verenigen met de grote scheppingsliefde, voor zover het eindige wezen zich met het oneindige kan verenigen. Wanneer de mensheid dit opstandingfeest heeft volbracht, zal ook voor haar de hemelvaart dichterbij komen, wanneer zij samen met de aarde en het hele zonnestelsel rijp zal zijn voor een geestelijke en hogere vorming, en zich dan op een ander niveau in mijn rijk en in mijn geestelijke hemel zal bevinden.

Deze laatste scene zul je niet meer in je aardse lichaam meemaken, dat spreekt vanzelf, maar je kunt in elk geval nog een tijdje als opmerkzame waarnemer volgen hoe dit zuiveringsproces verloopt en hoe het een zich uit het andere ontwikkelt en hoe alle tegenwerking juist aan de bevordering van Mijn geestelijk liefdeswerk moet bijdragen. Zo zullen Mijn wil en Mijn idee, ondanks de vrije wil van de mens, uiteindelijk als het hoogste ideaal bestaan op basis waarvan Ik de mens geschapen heb, dat wil zeggen als het evenbeeld van Mijn eigen wezen in vorm en geest.     ==================================================

 

 

 

Drie zwakke pijlers van het atheïsme

DRIE ZWAKKE PIJLERS VAN HET ATHEÏSME
– Hendrik Klaassens –

Creación_de_Adán_(Miguel_Ángel)

DE EVOLUTIELEER
Darwin is de God waarin de biologen lange tijd hebben geloofd. Wat hij had geschreven over de ontwikkeling van de soorten werd in hun kringen beschouwd als vaststaand en absoluut waar. Sprak je hem toch tegen, dan stond je bloot aan ridiculisering en uitsluiting uit de kringen van wetenschappers. Erger nog: je werd dan al snel gerekend tot het kamp van de creationisten. Dat zijn de mensen die geloven dat de wereld door goddelijk ingrijpen is ontstaan. En met dergelijke Neanderthalers willen lieden die zich als ‘echte wetenschappers’ beschouwen natuurlijk niets te maken hebben.

Volgens Darwin zou de evolutie zijn verlopen via allerlei tussenvormen. In de korte periode die verstreek tussen het voorkomen van twee verschillende soorten zou de natuur alvast een aanloopje hebben genomen naar de volgende étappe door een beter aangepast exemplaar te ontwikkelen, dat al snel weer uitsterft als de nieuwe soort zijn definitieve vorm heeft gevonden.
Pijnlijk voor de adepten van deze theorie is dat men vrijwel nooit een dergelijke tussenvorm heeft kunnen vinden. Daarom hebben veel paleontologen en andere wetenschappers het klassieke model voor de ontwikkeling van de soorten losgelaten. De decennialange speurtocht naar deze rare snuiters in de natuur heeft immers niets opgeleverd.

Zo toont de geoloog professor Salomon Kroonenberg in zijn boek “De menselijke maat – de aarde over tienduizend jaar” glashelder aan dat het hele idee van de klassieke evolutie een mythe, een idée fixe is. Volgens hem is er zelden sprake van een geleidelijke ontwikkeling. De natuur gaat veel abrupter te werk: “Nieuwe soorten verschijnen nog steeds plotseling, blijven een tijdje bestaan, om dan weer even plotseling te verdwijnen.” Wat je volgens hem in de praktijk ziet, is dat er in de natuur sprake is van ‘punctuated equilibrium’. Daarmee bedoelt hij dat evolutie zich afspeelt in korte perioden, die worden afgewisseld door lange perioden waarin de soorten niet of nauwelijks veranderen.

Voor het atheïsme, dat uitgaat van de gedachte dat er alleen een materiële wereld bestaat, is dat op zijn zachtst gezegd een heel ongemakkelijke constatering. Als je  namelijk gelooft dat er alleen een fysieke wereld is, kun je je nog met een beetje goede wil voorstellen dat dier- en plantensoorten zich geleidelijk aanpassen aan klimaatveranderingen e.d. Dat zou een soort sluimerend, onbewust proces kunnen zijn. Veel moeilijker wordt het om het atheïstische wereldbeeld staande te houden als je moet erkennen dat nieuwe soorten plotseling – zonder kleine, tussentijdse stapjes – ontstaan. Zulke rigoureuze veranderingen roepen immers de gedachte op dat er sprake is van ingrijpen van buitenaf, vanuit een geestelijke wereld waaraan de materiële wereld ondergeschikt is – nog los van de vraag hoe dat geestelijke niveau eruit ziet.

Van geloofsijver kan Salomon Kroonenberg trouwens niet worden beticht: hij is naar eigen zeggen een overtuigd atheïst. Datzelfde geldt ook voor het merendeel van zijn collega’s. Vreemd genoeg is deze evolutieleer nog steeds één van de belangrijkste pijlers van het atheïsme. Het behoeft nauwelijks betoog dat deze theorie, waarvan de onhoudbaarheid ook om andere redenen is aangetoond, op afstand de zwakste schakel is van het atheïstische gedachtegoed. Er zijn echter wel meer atheïstische aannames die op zijn zachtst gezegd nogal aanvechtbaar zijn.

HET ONTSTAAN VAN DE GODEN
Zo worden goden in atheïstische kringen beschouwd als de denkbeeldige machten die de primitieve mens zichzelf schiep om de wereld en alles wat hij niet begreep te kunnen verklaren. Met andere woorden: hij had goden nodig om de lacunes in zijn kennis op te vullen. Op die manier werd een grillige, onvoorspelbare wereld voor hem begrijpelijk en hanteerbaar. Gaandeweg schiep hij vanuit die behoefte allerlei goden die de zon, de maan, de bliksem, de seizoenen en het hemelgewelf beheersten. Zulke machtige personen kon je beter maar te vriend houden. Vandaar dat er religies ontstonden waarin men deze goden vereerde. Je wist immers maar nooit. Om zich van hun hulp te verzekeren droeg de primitieve mens amuletten, bracht hij rookoffers, murmelde gebeden tegen een heel cohort goden – bang dat hij er eentje zou vergeten – en bouwde tempels voor deze grillige machten uit de bovenwereld.

In onze tijd, zo luidt deze gedachtegang, hebben we de natuur en zijn krachten veel beter in kaart gebracht. Wat de primitieve mens niet begreep en angst inboezemde, is door verbeterde waarneeminstrumenten en natuurkundige formules inzichtelijk geworden. Langzaam maar zeker worden de goden daardoor teruggedrongen tot dàt gedeelte van de werkelijkheid dat we nog niet hebben doorgrond. En uiteindelijk, als we met onze instrumenten nog veel dieper in de werkelijkheid zijn doorgedrongen, zullen ze ook hun laatste bastions moeten prijsgeven. De goden kunnen dan in het pantheon van de geschiedenis worden bijgezet.

Bij deze opvatting kunnen nogal wat kanttekeningen worden geplaatst. Zo worden de goden meestal voorgesteld als manifestaties of personifiëringen van natuurkrachten. In veel gevallen klopt dat echter niet. Voor antieke religies en religies van natuurvolken gaat dat nog wel op, maar voor monotheïstische religies als het jodendom, het christendom en de islam – samen aangehangen door ca. 3,6 miljard mensen – is dat godsbeeld veel te beperkt. Deze religies zijn immers gebaseerd op openbaringen van een God die zich buiten tijd en ruimte bevindt, maar wel in de fysieke wereld kan ingrijpen. De koppeling tussen het goddelijke en de natuurverschijnselen is er dan niet meer, of ze is veel losser geworden.

RELIGIE EN WETENSCHAP SLUITEN ELKAAR NIET UIT
Er is een ander, nog fundamenteler bezwaar dat tegen deze opvatting kan worden ingebracht. Wie God als een soort stoplap voor de leemtes in onze kennis beschouwt, ziet helemaal over het hoofd dat er twee soorten beweringen en verklaringen van de werkelijkheid bestaan: fysische en metafysische. Daarbij zijn fysische beweringen uitspraken die empirisch toetsbaar zijn, bijvoorbeeld dat de omloopbanen van planeten ellipsvormig zijn, terwijl metafysische verklaringen niet empirisch kunnen worden getoetst, zoals de bewering dat God de wereld schiep. Omdat het hier om uitspraken gaat van een heel andere orde, kunnen ze elkaar ook niet uitsluiten. Zo kun je het ontstaan van de wereld gerust beschrijven volgens de Big Bang theorie en tegelijkertijd geloven dat God de wereld op die manier heeft laten ontstaan.

Het idee dat God op den duur door onze voortschrijdende kennis overbodig zal worden, is dan ook het gevolg van een denkfout. Bovendien zullen vragen over ziekte, hiernamaals en zingeving nooit beantwoord kunnen worden door de natuurwetenschappen.  Natuurkundigen beschrijven de werkelijkheid immers alleen maar; zij geven geen antwoord op de existentiële vragen die mensen zich altijd hebben gesteld. Om die reden denk ik dat de mens altijd religie nodig zal hebben, nog afgezien van de vraag hoe die uiteindelijke werkelijkheid, waarnaar godsdiensten verwijzen, eruit ziet.

 

‘Wat engelen vertellen over het leven na de dood’ – Roelof Tichelaar

Roelof Tichelaar, die jaren lang lezingen heeft verzorgd voor stichting Nieuwe Openbaring, heeft een nieuw boek gepubliceerd. De titel ervan is ‘Wat engelen vertellen over het leven na de dood’. Wat gebeurt er als je doodgaat en waar gaat je geest naartoe?

De inzichten in dit boek komen voort uit een reeks van geïnspireerde boodschappen vanuit Gods engelenwereld en bieden ons troost, inzicht, hoop, kracht, vertrouwen en een aanmoediging tot overgave. Centraal daarin staat onze goddelijke waarde die God in ons ziet en van waaruit we naar de dood mogen kijken.

De dood wordt verschillend belicht. Niet alleen het aardse sterven komt aan de orde, maar ook de betekenis van de geestelijke dood in relatie tot het goddelijk verlossingsplan.
De dood luidt telkens een afscheid van het oude in om het nieuwe te verwelkomen. Dat is een innerlijk proces, waarvan de aardse dood in feite een afspiegeling is.
In die zin wil de dood een aanmoediging zijn in het nu te leven en in verbinding te blijven met de hoogste bron in ons: de heilige Geest, het Christusbewustzijn of hoe we deze innerlijke goddelijke bron ook willen noemen.

Mocht u geïnteresseerd zijn: u kunt het boek rechtstreeks bij Roelof Tichelaar bestellen via info@roeloftichelaar.nl.
De prijs is € 12,- (€ 15,- incl. verzendkosten binnen Nederland).

Wat engelen vertellen

Verlossing door Jezus Christus – G.K. Holderer

Verlossing door Jezus Christus  –  G.K.Holderer

Dit onderwerp moet eigenlijk nog een tweede titel hebben, namelijk: ‘Vanaf de mens Jezus tot de hemelse Vader Jezus-Jehova’. Die tweede titel drukt uit wat gelijktijdig met de verlossing van ons mensen door Jezus gebeurt. Voordat wij dit onderwerp nader bekijken, zullen wij eerst de betekenis “mens Jezus” en “Jezus Jehova” wat verduidelijken, om te begrijpen welk verschil er tussen deze namen bestaat.

De mens Jezus werd geboren uit een jonge vrouw, namelijk Maria, en Jezus heeft daardoor een normaal lichaam zoals alle mensen. Zijn ziel is net zoals bij haast alle mensen vanuit de natuurzielenontwikkeling gevormd. Zo heeft zij ook de negatieve eigenschappen die door de val van Lucifer zijn veroorzaakt. Zijn menselijke ziel is de reden waarom Jezus in de Bijbel vaak de ‘mensenzoon’ wordt genoemd. Hij is zoals iedereen een mens. Maar nu komt een belangrijk verschil: terwijl alle mensen vanaf de tijd van Adam tot de geboorte van Jezus een door God gegeven zuivere geest – niet te verwarren met verstand – hebben ontvangen, bevindt zich in Jezus de volledige goddelijke Geest.

De benaming Jezus Jehova wordt misschien minder gebruikt, maar duidt de voor ons zichtbare hemelse Vader aan. Jehova is God, en dat sinds alle tijden. Tot de tijd van Jezus op aarde bleef God in zijn Godscentrum en was daardoor voor ons mensen niet zichtbaar. Door de opstanding, die samenhangt met de volledige vereniging van de vergeestelijkte mens Jezus met de in hem wonende goddelijke Geest, werd God voor alle mensen zichtbaar in de ‘toenmalige’ mens Jezus. Hij is onze enige zichtbare God, onze hemelse Vader Jezus Jehova.

Wij mogen de eerste jaren van Jezus beschouwen als die van elk ander kind, maar toch kwamen in deze levensfase genoeg situaties voor waarbij de goddelijke geest door het kind sprak en handelde. In de “Jeugd van Jezus” door Jakob Lorber worden wij hierover onderwezen. In die tijd leerde hij zijn pleegvader Jozef, diens zonen en natuurlijk ook zijn moeder Maria dat hij de verwachte Messias, de Christus is. Hij zei zelfs dat de in hem wonende geest God Zelf is. Het is begrijpelijk dat zijn familie daar maar moeilijk mee kon omgaan.

Van het begin af aan voelde de mens Jezus een zeer sterke drang van en naar zijn goddelijke geest. Dat zorgde ervoor dat hij de eenzaamheid opzocht om daar zijn ziel in lange meditaties dichter bij zijn geest te brengen. Tegelijkertijd werkte hij als timmerman samen met Jozef en diens zonen. Zoals eerder gezegd, was zijn ziel zoals bij alle mensen door de oerzonde van Lucifer ook met lage verlangens en onzuivere eigenschappen bevlekt. Dat moest bestreden en veranderd worden door middel van liefde. Daarvoor dienden de meditaties en gebeden in eenzaamheid, maar de werkzame uitstraling en doorgave van liefde gedurende zijn tijd als timmerman waren daarvoor ook noodzakelijk. Het innerlijke proces om zijn ziel met de Godsgeest te verenigen duurde tot zijn dertigste levensjaar. Toen was de wedergeboorte van zijn ziel met de Godsgeest een feit.

Dat vormde de basis om met zijn werkzaamheden als onderwijzer te beginnen. Nu kon de Godsgeest in de mens Jezus volkomen tot uiting komen. Het belangrijkste was de leer van de liefde, waaraan in zijn tijd – evenals in onze tijd – zo goed als geen aandacht werd geschonken. Ons leven is afhankelijk van de liefde. Daarmee wordt niet alleen het leven op aarde bedoeld, maar vooral het leven in de geestelijke wereld na de dood op aarde. Niet voor niets zei Jezus steeds weer de goddelijke woorden: “Heb God boven alles lief en je naaste zoals jezelf!” De mens Jezus die zich volledig met de Godsgeest verenigde, kon daardoor de leer door ‘zogenaamde’ wonderen bevestigen, om zijn toehoorders te bewijzen hoe machtig zijn leer van de goddelijke liefde is. Ik heb dat als ‘zogenaamd’ aangeduid, omdat de goddelijke geest in zijn almacht dingen doet die voor normale stervelingen raadselachtig zijn.

De tijd van het leren was na drie jaar ten einde gekomen. Toen kwam de belangrijkste opgave voor de mens Jezus. Hij wist dat oorspronkelijk de eerste mens die van een geest was voorzien – Adam – de opdracht had gehad om in gehoorzaamheid aan de goddelijke orde te leven. Om die reden had hij een voortdurend contact met God en was heer over de materiële aarde. Als Adam erin was geslaagd om zijn opdracht te vervullen, zouden geen negatieve eigenschappen aan zijn kinderen, kleinkinderen en uiteindelijk aan ons zijn doorgegeven. Ons leven op aarde zou dan een heel ander karakter hebben gehad. Maar Adam werd zwak en daarom was het nodig dat God zelf deze opgave in de vorm van een mens  – dat was Jezus – op zich nam.

De Geest is eeuwig, maar de materie heeft maar een korte levensduur. Als ooit een mens zuiver genoeg wilde worden om in de armen van God, onze hemelse Vader, te kunnen terugkeren, dan moest eerst de in de materie en de ziel aanwezige boosheid en de tegen het leven gerichte valsheid worden overwonnen. Deze zuivering en daarmee de overwinning op de valsheid kon alleen worden bereikt, als ziel en materieel lichaam in volledige deemoed gehoorzaam zouden zijn aan de geest. De wedergeboorte van Jezus’ ziel in zijn geest was de eerste stap van deze deemoed. Die had de Mensenzoon Jezus voor het begin van zijn leerambt bereikt.

Maar zijn lichaam was nog niet zover; ook dat moest vol deemoed aan God gehoorzaam zijn. De vleselijke verlangens in het lichaam van Jezus moesten ondergeschikt worden aan de liefde en orde van God. Dat kon alleen worden bereikt door een vernedering van het lichaam. Dat betekende het vrijwillig ondergaan van marteling en een gewelddadige dood. Een lang leven op aarde zou de materiële verlangens van zijn lichaam steeds opnieuw laten opkomen, wat geen volledige deemoed van zijn lichaam had betekend.

In de tuin van Gethsemane vocht de mens Jezus, die voor zijn laatste opgave door de Godsgeest alleen werd gelaten, met zichzelf en de angst voor de op handen zijnde dood aan het kruis. Zijn wedergeboren ziel gaf toen de doorslag en heeft de verdeemoediging van het vlees door de dood aan het kruis op zich genomen. Deze opdracht van de verdeemoediging moest de mens zelf volbrengen, niet God! Onmiddellijk na het overlijden aan het kruis keerde de goddelijke Geest in Jezus terug om zich voor alle eeuwigheid met zijn ziel te verbinden.

Jezus heeft als mens de terugkeer van ons allen naar God in de hemel weer mogelijk gemaakt. Hij is door de in hem wonende goddelijke Geest de zichtbare hemelse Vader met de naam Jezus Jehova! Wij allemaal zullen ooit vol vreugde en bewondering voor hem staan. Door de geest van Pinksteren, die allereerst aan zijn discipelen werd gegeven en daarna alle pasgeboren kinderen in het hart wordt gelegd, geeft Jezus ons een stuk van zijn verlossende geest, die ons de terugweg naar de hemelse Vader gemakkelijker laat vinden. Door deze geest hebben wij zijn voortdurende hulp op onze bezwaarlijke weg om het hemelse doel te bereiken. Het spreekt vanzelf dat hij niet onze persoonlijke fouten en zonden heeft weggenomen – daar moeten wij zelf aan werken – maar de brug naar de hemel is wel gebouwd en staat open. Zijn verlossende geest helpt ons de brug over te steken.

God zelf heeft in “De Huishouding van God”, deel 1, van J.L. hierover gesproken: “De poorten van de hemel staan voor jullie open en als jullie willen, dan kunnen jullie naar binnen gaan en daar het aangezicht van jullie heilige Vader zien, die ik ben, de eeuwige God Jehova. Dat kunnen jullie doen krachtens het levende woord, dat Jezus Christus is, de eeuwige liefde en wijsheid in Mij, waaruit al het goede en ware voortkomt.”

 

Erlösung durch Jesus Christus – G.K. Holderer

Erlösung durch Jesus Christus  –  G.K.Holderer

Zu dieser Überschrift gehört noch ein Untertitel: ‘Vom Menschen Jesus zum himmlichen Vater Jesus Jehova.’ Dieser Untertitel beschreibt, was gleichzeitig mit der Erlösung von uns Menschen durch Jesus Christus geschieht. Bevor wir auf das Thema näher eingehen, müssen wir zunächst die Begriffe “Mensch Jesus” und “Jesus Jehova” etwas erläutern um zu verstehen, welche Unterschiede bei diesen Namen bestehen.

Der Mensch Jesus ist geboren von einer jungen Frau, nämlich Maria und er hat somit einen normalen Körper wie alle Menschen. Seine Seele ist ebenfalls wie bei nahezu allen Menschen aus der Naturseelenentwicklung hervorgegangen. Sie hat damit auch die negativen Eigenschaften, die durch den Fall Luzifers hervorgerufen wurden. Darum wird in der Bibel Jesus öfter mit Menschensohn bezeichnet. Er ist wie wir alle ein Mensch. Nun kommt aber ein wesentlicher Unterschied. Während bis zum Zeitpunkt der Geburt Jesu alle Menschen seit Adam einen von Gott gegebenen reinen Geist – nicht mit Verstand zu verwechseln – erhalten haben, ist in Jesus der göttliche Geist selbst.

Die Bezeichnung Jesus Jehova wird vielleicht weniger häufig benutzt, aber sie bezeichnet den für uns sichtbaren himmlichen Vater. Jehova ist Gott und das schon immer. Bis zur Zeit von Jesus auf Erden war er in seinem Gotteszentrum für uns Menschen unsichtbar. Durch die Auferstehung, die in Verbindung mit der vollständigen Einigung des vergeistigten Menschen Jesus mit dem in ihm wohnenden Gottesgeist steht, wurde Gott für alle Menschen sichtbar im “ehemaligen” Menschen Jesus. Er ist unser alleiniger, sichtbarer Gott, unser himmlicher Vater Jesus Jehova.

Als Kleinkind können wir Jesus wie jedes andere Kind betrachten, aber es gab in dieser Lebensphase viele Gelegenheiten, in denen der göttliche Geist durch das Kleinkind sprach und handelte. Wir werden in der “Jugend Jesu” von Jakob Lorber darüber unterrichtet.  Er lehrte in dieser Zeit seinen Ziehvater Josef, dessen Söhne und natürlich seine Mutter Maria, dass er der erwartete Messias, der Christus, sei, ja dass der in ihm wohnende Geist Gott selbst sei. Es ist wohl verständlich, dass seine Familie nicht so richtig mit dieser Tatsache umgehen konnte.

Von Beginn an fühlte der Mensch Jesus einen sehr starken Drang von und zu seinem göttlichen Geist. Dies drängte ihn dazu die Einsamkeit aufzusuchen, um dort in langen Meditation seine Seele näher zu seinem Geist zu bringen. Parallel arbeitete er als Zimmermann zusammen mit Josef und dessen Söhnen. Wie anfangs erwähnt war seine Seele, wie bei fast allen Menschen, durch den Ursündenfall Luzifers mit niederen Verlangen und Eigenschaften befleckt. Diese mussten bekämpft und in reine Liebe verändert werden. Dazu dienten die Meditationen und Gebete in der Einsamkeit, aber es war auch die ausübende Ausstrahlung und Weitergabe der Liebe während seiner Zimmermanns-Tätigkeit vonnöten. Diese inneren Bemühungen zur Vereinigung seiner Seele mit dem göttlichen Geist in ihm dauerte bis zu seinem 30. Lebensjahr. Dann war die Wiedergeburt seiner Seele mit dem göttlichen Geist eine Tatsache geworden.

Dies war die Basis um seine Lehrtätigkeit zu beginnen. Jetzt konnte der Gottesgeist im Menschen Jesus voll wirksam werden. Das wichtigste war die Lehre der Liebe, die in seiner Zeit wie auch noch heute so sehr vernachlässigt wird. Unser Leben hängt von der Liebe ab. Dabei ist nicht nur das Leben auf der Erde gemeint, sondern vor allem das nach dem körperlichen Tod geborene Leben in der geistigen Welt. Nicht umsonst fielen immer wieder die göttlichen Worte: “Habe Gott über alles lieb und deinen Nächsten so wie dich selbst!” Der Mensch Jesus, der sich völlig mit dem Gottesgeist vereinigte, konnte daher die Lehre durch sogenannte Wunder ergänzen, um seinen Zuhörern zu beweisen, wie mächtig seine Lehre der göttlichen Liebe ist.  Ich nenne dies “sogenannte”, weil der göttlichen Geist allmächtig ist, was dem normalen Erdenbürger Rätsel aufgibt.

Die Zeit des Lehrens ging nach circa drei Jahren zu Ende. Dann kam die wichtigste Aufgabe für den Menschen Jesus. Er war sich bewusst, dass ursprünglich der erste geistige Mensch – Adam – die Aufgabe hatte, in Gehorsamheit zur göttlichen Ordnung zu leben. Dazu hatte er ständigen Kontakt zu Gott und war der Herr über die materielle Erde. Hätte er es geschafft seiner Aufgabe gerecht zu werden, wären keine negativen Eigenschaften an seine Kinder, Enkel und letztendlich an uns weitergegeben worden. Unser Leben auf der Erde hätte heute einen ganz anderen Charakter. Aber Adam wurde schwach und so war es nötig, dass Gott selbst diese Aufgabe in Verbindung mit einem Menschen – und das war Jesus – auf sich nahm.

Geist ist ewig, aber die Materie hat nur eine kurze Lebensdauer. Die in der Materie und in der Seele steckende Bosheit und gegen das Leben gerichtete Falschheit musste besiegt werden, wollte je ein Mensch rein werden um in die Arme Gottes, unserem himmlichen Vater, zurückkehren zu können. Diese Reinigung und damit der Sieg über die Falschheit konnte nur erreicht werden, wenn sowohl die Seele als auch der materielle Körper in völliger Demut dem Geist Gehorsam leisteten. Die Wiedergeburt seiner Seele im Geist war der erste Schritt dieser Demütigung. Diese hatte der Menschensohn Jesus vor Beginn seiner Lehrzeit erreicht.

Aber sein Körper war noch nicht soweit. Auch dieser musste voll Demut Gott gehorsam sein. Die fleischlichen Verlangen im Körper von Jesus mussten der Liebe und Ordnung Gottes untertan werden. Dies konnte nur durch Erniedrigung des Körpers erfolgen. Das bedeutete die freiwillige Annahme von Marter und einen gewaltsamen Tod. Ein langes Leben auf Erden hätte die materiellen Verlangen des Körpers immer wieder aufkommen lassen, was keine vollständige Demut des Körpers gewesen wäre.

Im Garten Getsemaneh kämpfte der Mensch Jesus, der für seinen letzten Aufgabe vom göttlichen Geist allein gelassen wurde, mit sich und der Angst des bevorstehenden Todes am Kreuz. Seine wiedergeborene Seele hat dann den Ausschlag gegeben und die Demütigung des Fleisches durch den Kreuzestod angenommen. Die Aufgabe der Demütigung musste ja der Mensch vollbringen, nicht Gott!  Daher hatte sich Gott für dieses so wichtige Ziel zurückgezogen. Unmittelbar mit dem Verscheiden am Kreuz kehrte der Gottesgeist in Jesus zurück und verband sich für ewig mit seiner Seele.

Jesus hat als Mensch die Rückkehr von uns allen zu Gott in den Himmel wieder ermöglicht. Er ist durch den in ihm wohnenden Gottesgeist der sichtbare himmliche Vater mit Namen Jesus Jehova! Wir alle werden ihm eines Tages mit Freuden und Bewunderung gegenüberstehen. Durch den Geist an Pfingsten, den zunächst seine Jünger und danach alle Neugeborene ins Herz gelegt bekommen haben und noch stets erhalten, hat uns Jesus ein Stück seines erlösenden Geistes gegeben, der uns den Weg zurück zum himmlichen Vater leichter finden lässt. Durch diesen Geist haben wir seine ununterbrochene Hilfe auf unserem beschwerlichen Weg das himmliche Ziel zu erreichen. Es versteht sich von selbst, dass er nicht unsere persönliche Sünden weggenommen hat, da müssen wir selbst an uns arbeiten, aber die Brücke zum Himmel ist gebaut und steht offen und sein Erlösergeist hilft uns dabei sie zu überqueren.

Gott hat in der Haushaltung Gottes, Band 1, selbst dazu Stellung genommen: ” Die Pforten des Himmals stehen euch offen und so ihr wollt, könnt ihr hinein und da das Angesicht eures heiligen Vaters schauen, der Ich es bin, der ewige Gott Jehova. Das könnt ihr tun vermöge des lebendigen Wortes, welches ist Jesus Christus, die ewige Liebe und Weisheit in Mir, woraus alles Gute und Wahre fließt.”

 

 

 

 

Psychisch of paranormaal? – nieuw boek van Roelof Tichelaar

Roelof Tichelaar, die sinds 2001 diverse lezingen heeft verzorgd voor Stichting Nieuwe Openbaring, heeft kort geleden een nieuw boek gepubliceerd. Hieronder staat het persbericht n.a.v. de verschijning van deze uitgave.

PSYCHISCH OF PARANORMAAL? – BOVENNATUURLIJKE ERVARINGEN IN HET LICHT VAN PSYCHIATRIE, RELIGIE EN SPIRITUALITEIT

Verschijnselen die door de moderne psychiatrie als ‘psychische stoornis’ worden aangeduid, kunnen ook een bovennatuurlijke oorzaak hebben. Sommigen zien, horen of ervaren wat voor anderen verborgen blijft. Hoe verhouden paranormale ervaringen – zoals helderziendheid, helderhorendheid en mediumschap – zich tot de moderne psychiatrie en religie? Kennis van de spirituele wetten – die ook binnen het traditionele christendom grotendeels verloren is gegaan – kan ons meer inzicht schenken. Door deze spiritueel-christelijke inzichten te verbinden met die van de psychologie, de weerbaarheid en mindfulness, wordt de verbinding gelegd tussen religie, psychologie en spiritualiteit.

Roelof Tichelaar heeft jarenlang ervaring met mensen die te maken hebben met (zowel positieve als negatieve) bovennatuurlijke bewustzijnservaringen en -beïnvloeding.  Hij heeft een praktijk voor psychische, pastorale en spirituele hulpverlening, is docent weerbaarheid, auteur en geeft lezingen.

Voor meer informatie: www.roeloftichelaar.nl

‘Een verhelderend boek met baanbrekende inzichten die van belang zijn voor de theologie, psychiatrie, psychotherapeuten en andere hulpverleners, maar die bovendien van cruciale betekenis zijn voor hen, die hulp zoeken of inzicht willen in paranormale verschijnselen.’
Dr. Elinor Th. M. Kocken

U kunt dit boek rechtstreeks bij Roelof Tichelaar bestellen:
–      per e-mail: info@roeloftichelaar.nl
–      telefonisch: (0528) 320701
–      per post: Schutstraat 112, 7901 EH  Hoogeveen

Psychisch of Paranormaal - Roelof Tichelaar

Der Bund mit der Liebe – G.K. Holderer

Es soll direkt offengelegt werden – wir sprechen über den Bund, den Gott mit den Menschen geschlossen hat. Was ist dies für ein Bund und was schliesst er ein? In jedem Fall ist er besonders wichtig, weil dieser Bund das Leben des Menschen auf der Erde und später im geistigen Reich beeinflusst.

Alle Menschen stammen von Gott ab! Alle Menschen sind geistig erschaffen, weil Gott selbst Geist ist. Gott ist allmächtig und ist durch seine sieben Wesensarten in sich vollkommen ausgeglichen. Seine Wesensart Liebe ist der Ausgangspunkt für die Schöpfung von uns Menschen. Wohl sind Weisheit und Ordnung ebenfalls von großer Wichtigkeit, aber wir wollen jetzt bei der Liebe bleiben. Gottes Liebe hat den Menschen erschaffen und das zeigt uns an, dass wir in unserem Inneren, unserem Geist, ebenfalls Liebe sind. Das heisst, dass wir nicht nur Liebe besitzen, sondern dass wir echte Liebe sind! Gott ist der Schöpfer von den Menschen, mit anderen Worten – er ist unser Vater. Ist es darum nicht logisch, dass wir seine Kinder sind?! Der Bund zwischen dem himmlischen Vater und seinen Kindern ist die Liebe.

Hier steigt die Frage auf, warum wir Kinder so anders sind als unser Vater im Himmel? Sind wir tatsächlich anders als der Vater? Wie bereits gesagt, ist Gott Geist und wir sind das auch, zumindest gilt dies für das geistige Reich, das auf das Erdenleben folgt.

Das Leben auf der Erde in seinem materiellen Aufbau ist eine Zwischenphase für den Mensch, die notwendig ist um unsere verkehrten Ansichten verändern zu können und das auf eine relativ rasche Weise. Fast alle Menschen stammen von den mit Luzifer gefallenen Engeln ab. Durch dessen Hochmut und Eigenliebe wurden die guten göttlichen Eigenschaften auch bei den Nachkommen Luzifers und seinem Anhang negativ verändert. Ohne Eingreifen des himmlichen Vaters würden Luzifer mit seinem gesamten Anhang durch die Trennung vom Bund der Liebe des Schöpfers in den Tod übergehen. Aber Gott will und kann keines seiner Geschöpfe in den ewigen Tod laufen lassen. Deshalb hat er die materielle Welt erschaffen um allen Abtrünnigen Gelegenheit zu geben, die wahren und guten Eigenschaften wieder anzunehmen, die nötig sind um im Himmel zu sein oder dahin zurückzukehren. Die Rettung für diese Abtrünnigen ist somit die materielle Welt. Hier erhält jeder die Möglichkeit,  seine verkehrten Ansichten zu begreifen und an die Liebe des himmlichen Vaters anzupassen.

Wir sind auch Liebe, aber wo ist diese Liebe? Die Liebe ist so kostbar, dass unser innerer Geist, der diese Liebe ist, verschlossen gehalten wird aus Vorsorge vor den unreinen Gedanken und Wünschen des Menschen. Wir haben trotzdem alle Möglichkeiten um uns selbst kennen zu lernen durch Erlebnisse oder durch Lesen von göttlichen Informationen, um unsere Wesensart zu verändern entsprechend den guten Eigenschaften wie Liebe, Geduld und Barmherzigkeit. So geschieht die Umkehr in den Bund mit dem himmlichen Vater, dem Bund der Liebe. Die Anpassung an die göttliche Liebe macht den ursprünglich aus Vorsorge einge-schlossenen Geist frei, so dass er mitarbeiten kann am Wachstum der menschlichen Liebe zu Gott.

In der Haushaltung, Band 2, durch Jakob Lorber aufgeschrieben, steht in Kapitel 85 das volgende: “Für denjenigen, der im Bund bleibt, bin ich ein Vater und er ist mein Kind; und wer immer diesem Bund beitritt, dem soll die wahre Kindschaft zu Teil werden. Aber wer sich von dem Bund trennt, der trennt sich auch von mir und während der Zeit, in der er getrennt verbleibt von diesem heiligen Bund, wird er die Kindschaft verlieren.”

Hier lesen wir, dass Gott als unser himmlicher Vater alles unternimmt um allen Menschen die Kindschaft zu geben. Aber das kann nicht mittels seiner Allmacht durchgeführt werden. Das hätte er von Beginn der Schöpfung an tun können. Dann wären wir Roboter, die alles ausführen würden, was Er will. Das ist es aber nicht, was Gott geplant hat. Wir, seine Geschöpfe, sollen begreifen, dass wir freiwillig einsehen können, dass Gott für uns der Vater ist und sollen auf dieser Erkenntnis aufbauen und handeln. Die Willensstärke beim Menschen ist vielfach schwach, aber wenn wir den himmlichen Vater bitten um mit seinem starken Willen zu helfen, dann geschieht das auch. Wohl ist es nötig, dass wir uns mit seiner Liebe verbinden, was nicht nur unsere Liebe zu Gott sondern auch zum Nächsten einschließt.

Wenn wir uns lösen von seinem Bund, dann wird dies meist schon hier in unserem Erdenleben geschehen und der negative Zustand der Seele, der dadurch entsteht, wird nach dem Ablegen unseres materiellen Körpers mitgenommen werden ins geistige Reich bzw. Leben. So wie die Lebensweise des Menschen auf Erden war, so wird es dort auch zu Beginn sein. Das sagt aus, dass Gott niemand zu verurteilen braucht, weil jeder entsprechend seiner gearteten Liebe in den Bereich gehen will, der dieser Liebe gleicht. Ist die Liebe auf negative Dinge gerichtet, wie Machtstreben, Eigenliebe, körperliche Gelüsten oder ähnliches, dann bedeutet dies das Verlassen des göttlichen Bundes und jener Mensch wählt für sich die Hölle.

Kommt jedoch zu einer späteren Zeit eine bessere Einsicht zum Bewusstsein, dann erhält man Hilfe von Engeln, die den Weg zurück in den Bund der Liebe aufzeigen. Es ist wichtig zu wissen, dass Gott auch in der Hölle pure Liebe ist. Jeder, der es möchte, wird vom himmlichen Vater als ein verlorener Sohn anerkannt und wieder aufgenommen.

Menschen, die bereits hier auf Erden zur Einsicht kommen, dass Liebe das wichtigste im Leben ist und dementsprechend leben, werden durch ihre Schutzengel gestärkt. Nach ihrer Ankunft im geistigen Reich beginnt der Weg zum Himmel, der in Abhängigkeit vom einzelnen Menschen kürzer oder länger sein kann. Mit Sicherheit sind diese Menschen schon voller Freude und ihre Liebe wird ständig steigen. Liebe ist das Leben selbst! Je mehr Liebe, desto stärker und seliger fühlt sich der Mensch. Aber im Gegenteil, das ist wenn zu wenig oder keine göttliche Liebe vorhanden ist, befindet sich der Mensch in Dunkelheit und nahe dem ewigen Tod.

Gott, das ist unser sichtbarer Vater Jesus, ist die reinste Liebe, die niemand richten wird, jedoch jeden selig machen will. Aber der Mensch muss das auch wollen und Gottes Liebe folgen. Gott zwingt niemanden in seinem Leben auf Erden und noch weniger in der geistigen Welt. Deshalb empfängt jeder das, was er wählt!

==============================

Het verbond van de liefde – G.K. Holderer

Laten we het meteen maar benoemen: we spreken over het verbond dat God met de mensen heeft gesloten. Wat is dat voor een verbond en wat houdt het in? In elk geval is dit bijzonder belangrijk, omdat het verbond het leven van de mens op aarde en later in het geestelijke rijk beïnvloedt.

Alle mensen zijn afkomstig van God. Alle mensen zijn geestelijk geschapen, omdat God zelf geest is. God is almachtig en is door zijn zeven eigenschappen innerlijk helemaal in balans. Zijn wezen van de liefde is het uitgangspunt van de schepping van ons mensen. Wel zijn wijsheid en orde hierbij ook van groot belang, maar wij willen ons nu tot de liefde bepalen. Gods liefde heeft ons mensen geschapen en dat geeft aan dat wij in ons innerlijk, in onze geest, ook liefde zijn. Dat betekent dat wij niet alleen liefde bezitten, maar zelf ook echte liefde zijn! God is de schepper van de mensen, met andere woorden – hij is onze Vader. Is het dan niet logisch dat wij zijn kinderen zijn? Het verbond tussen de hemelse Vader en zijn kinderen is de liefde.

Nu komt de vraag naar voren waarom wij, als zijn kinderen, dan zo anders zijn dan onze Vader in de hemel. Zijn wij echt anders dan de Vader? Zoals gezegd is God geest en wij zijn het ook, in elk geval in het geestelijke rijk dat op het aardse leven volgt.

Het leven op aarde in deze materiële toestand is een tussenfase voor de mens, die noodzakelijk is om onze verkeerde inzichten te kunnen corrigeren en dat op een relatief snelle wijze. Bijna alle mensen zijn afkomstig van de samen met Lucifer gevallen engelen. Door diens hoogmoed en eigenliefde werden de goede goddelijke eigenschappen ook in Lucifers nakomelingen en in zijn aanhang in negatieve zin veranderd. Zonder ingrijpen van de hemelse Vader zouden Lucifer en zijn aanhang door deze afscheiding van het verbond van liefde met de schepper ten dode zijn opgeschreven. Maar God wil en kan geen van zijn schepselen laten vervallen tot de eeuwige dood. Daarom heeft hij de materiële wereld geschapen om alle afvalligen in staat te stellen om de ware en goede eigenschappen aan te nemen die noodzakelijk zijn om in de hemel te komen. De redding voor deze afvalligen is daarom het leven in de materiële wereld. Hier krijgt iedereen de kans om zich bewust te worden van zijn verkeerde inzichten en deze aan de liefde van de hemelse Vader aan te passen.

Wij zijn ook liefde, maar waar is deze liefde? De liefde is zo kostbaar dat onze innerlijke geest, die deze liefde is, wordt afgeschermd van de onreine gedachten en wensen van de mens. Wij hebben alle mogelijkheden onszelf door belevenissen of door het lezen van goddelijke mededelingen te leren kennen en vervolgens aan te passen aan goede eigenschappen zoals liefde, geduld en barmhartigheid. Dat is de terugkeer naar het verbond met de hemelse Vader, het verbond van liefde. De aanpassing aan de goddelijke liefde maakt de uit voorzorg afgesloten geest vrij zodat hij mee kan werken aan het groeiproces van de liefde.

In de Huishouding, deel 2, dat door Jakob Lorber is geschreven, staat in hoofdstuk 85 het volgende: “Voor degene die in het verbond zal blijven, zal ik een Vader zijn en hij zal voor Mij een kind zijn; en wie ook maar tot dit verbond zal toetreden, aan hem zal ook het ware kindschap ten deel vallen. Maar wie zich van het verbond losmaakt, zal zich ook van Mij afzonderen en gedurende de tijd dat hij afgescheiden zal blijven van dit heilige verbond, zal hij het kindschap verliezen.”

Hier lezen wij dat God als onze hemelse Vader er alles aan doet om alle mensen het kindschap te verlenen. Maar dat kan Hij niet doen met zijn almacht. Dat had Hij vanaf het begin van de schepping wel kunnen doen. In dat geval zouden wij robots zijn die alles uitvoeren wat Hij wil. Maar dat is niet wat God wil. Wij, zijn schepselen, moeten tot het inzicht komen dat wij vrijwillig de beslissing kunnen nemen om God als onze Vader te erkennen en daarnaar te handelen. De wilskracht bij de mensen is meestal zwak, maar als wij de hemelse Vader vragen ons met zijn sterke wilskracht te helpen, dan gebeurt dat ook. Wel is het nodig dat wij ons compleet met zijn liefde verbinden, wat niet alleen de godsliefde maar ook de naastenliefde insluit.

Wanneer wij ons losmaken van zijn verbond, dan kan dat al hier in het leven op aarde gebeuren en de negatieve toestand van de ziel die daardoor ontstaat, zal meegenomen worden naar het geestelijke leven na het afleggen van ons materieel lichaam. Zoals de levenswijze van de mens op aarde was, zo zal het in het begin ook daar zijn. Dat wil zeggen dat God niemand hoeft te veroordelen omdat iedereen volgens zijn liefde naar dàt gebied toe wil gaan, dat in overeenstemming is met zijn liefde. Als dat een liefde is voor negatieve dingen zoals machtsstreven, eigenliefde, lichamelijke wellust of iets dergelijks, dan is dat het verlaten van het goddelijke verbond, en deze mens verkiest dan voor zichzelf de hel.

Als later een beter inzicht rijpt, ontvangt men hulp van engelen die de weg wijzen die terugleidt naar het goddelijke verbond van de liefde. Je mag aannemen dat God ook in de hel één en al liefde is. Iedereen, die dat wil, wordt door de hemelse Vader als een verloren zoon erkend en weer aangenomen.

Mensen die al op aarde tot het inzicht komen dat liefde het belangrijkste in het leven is en daarnaar leven, worden door hun beschermengelen gesterkt. Na hun aankomst in het geestelijke rijk begint de weg naar de hemel, die afhankelijk van de mens wat langer of korter kan zijn. Wel zijn deze mensen van het begin af aan gelukkig en hun liefde zal voortdurend toenemen. Liefde is het leven zelf! Hoe meer liefde een mens bezit, des te sterker en gelukzaliger voelt zo iemand zich. In het tegenovergestelde geval, d.w.z. als er te weinig of helemaal geen goddelijke liefde aanwezig is, bevindt de mens zich in het duister en is hij dicht bij de eeuwige dood.

God, dat is onze zichtbare Vader Jezus, is de puurste liefde die niemand zal veroordelen, maar iedereen zalig wil maken. Maar de mens moet dat ook willen en Gods liefde navolgen. God dwingt niemand in zijn leven op aarde en nog minder in de geestelijke wereld. Daarom ontvangt ieder mens datgene waar hij voor kiest.

 

=============================

Roelof Tichelaar en Johan Lammers staan op 28 juni ook op de Midzomerfair

Roelof Tichelaar en Johan Lammers staan op 28 juni a.s. ook op de Midzomerfair

Op zaterdag 28 juni wordt in gebouw “De Nije Warf”, Foarwei 31-a te Wouterswoude (Frl.) van 10-17 uur de spirituele midzomerfair gehouden. Bij deze manifestatie zijn ruim 40 standhouders present, 14 alternatieve therapeuten en enkele bekende sprekers. Ook worden er in en rondom het gebouw workshops gegeven. Voor bezoekers zijn twee parkeerterreinen beschikbaar. Zie voor meer info over deze dag het nieuwsitem daarover op deze site.

Verder lezen