Alle berichten van Hendrik

Jezus Christus, de almachtige God – G.K. Holderer

Jezus Christus, de almachtige God
–  G.K. Holderer –

1.) Het onderwerp laat vermoedelijk bij velen de vraag opkomen, of Jezus Christus wel de zoon Gods is en niet God zelf! De kerken leren het zo. Daarom willen wij ons met deze bewering bezig houden, om aan het einde duidelijk te zien dat Jezus echt God zelf is!

Jezus werd door Maria, de dochter van Joachim en Anna, geboren en dat zonder toedoen van een man. Hier moet ons klaar worden dat wij van Jezus, de mens, spreken. Hij had een normaal lichaam zoals wij allemaal. Maar een mens heeft niet alleen een lichaam, maar ook een ziel en een geestvonk door God gegeven. En juist hier verschilt de mens Jezus van de andere mensen. Terwijl zijn ziel ook zo was als alle andere mensenzielen, was zijn geest – en dat zal zo blijven in alle eeuwigheid – de goddelijke geest hemzelf.

Met welke opgave heeft Jezus op de aarde geleefd?
Hiervoor moeten wij iets verder in het verleden zoeken. In het NT bij de apostel Johannes staat onmiddelbaar in het begin: “in het begin was het woord en het woord was God en woonde onder ons. En de wereld heeft het ( hem ) niet herkend.” Degene die wij niet herkend hebben, was Jezus, in die de goddelijke geest woonde.

Eigenlijk hoort onze ziel bij de geest, maar zij is nog niet weer zo zuiver dat zij met de geestvonk een eenheid kan vormen. Bij de geboorte van de mens heeft de ziel goede maar ook slechte – anders gezegd onvolkomene – eigenschappen. Hier in het aardse leven gaat het erom die nog onrijpe eigenschappen in een noodzakelijke reine toestand te brengen. Alle eigenschappen zoals haat, egoïsme, hoogmoed zijn het die aangesproken zijn. Liefde tot God, de hemelse Vader, naastenliefde, geduld, deemoed zijn de na te streven eigenschappen, die de ziel nodig heeft om weer met haar geest een eenheid te kunnen vormen. Dat was ook zo bij Jezus. Hij vocht in zijn jeugd tot aan het begin van de verkondiging van zijn leer met de zuivering van zijn ziel, die hij ook bereikte. Dat noemen wij ook de wedergeboorte van de geest in de ziel. Eerst wanneer de slechte eigenschappen uit de ziel weggehaald zijn, kan de verbinding met haar geest worden voltrokken.

Bij Jezus was dit bijzonder belangrijk, want zijn geest was niet zoals bij ons mensen een van God gegeven geestvonk maar het was de goddelijke geest zelf. Zijn gedemonstreerde “wonderen” leggen getuigenis hiervoor af. Geen enkel mens is in staat deze wonderen met een enkel woord uit te voeren zoals Jezus het deed. Zijn geest volbrachte deze wonderen, zijn geest die met zijn ziel verbonden was.

Jezus leerde de mensen dat het in het aardse leven niet om macht en geld gaat, maar dat het aardse leven een tijd van voorbereiding is voor een daarop volgend leven in de geest. Wij weten van de Bijbel dat God Geest is en wij zullen na dit materieel leven van voorbereiding in zijn geestelijk rijk leven.

2.) Waarom kwam God als mens Jezus op onze aarde?

De mensen werden oorspronkelijk van God als geestwezens geschapen maar niet als materiele wezens. Maar dat ligt ontelbare tijden terug. Na het afvallen van een gedeelte van de geestwezens onder leiding van Luzifer (ook Satana genoemd), besloot de liefde in God om al deze wezens een mogelijkheid te geven om terug te keren in hun vroegere sfeer, het geestelijke rijk Gods. Want na de afscheiding van God hadden zij geen toegang meer tot de goddelijke energie van de liefde, wat betekende, dat zij allemaal de eeuwige dood tegemoet liepen.

De liefde in God was de initiatiefnemer en had allen wezens het leven gegeven. De liefde Gods is met andere woorden de Vader van allen geschapen wezens en de liefde voelde zich ook verantwoordelijk deze voor hun ondergang te redden. Het voorbeeld van de ‘verloren zoon’ is hiervoor kenmerkend. Als je bedenkt dat de Godheid het gehele universum tot in alle eeuwigheid inneemt en dat plaatselijk als ook tijdelijk, dan zien wij ook, dat alle van God geschapen wezens in de Godheid zelf leven en wonen. Zouden deze afvalligen sterven, dan zou dat betekenen dat een gedeelte van God de dood zou vinden. En dat is absoluut onmogelijk! Daarom moest de liefde van God als de initiatiefnemer een weg vinden om de afvalligen terug te leiden.

De weg terug kon niet direct binnen het geestelijke rijk plaatsvinden, maar er moest eerst een “tussenstation”, namelijk een materieel levensbereik, geschapen worden. Daarom leven wij mensen, waarvan de meesten tot de afvalligen horen, op deze materiele aarde. Hier hebben wij de mogelijkheid om onze slechte eigenschappen af te leggen.

Adam en Eva, de eerste mensen met een geestvonk Gods, faalden bij hun opdracht gehoorzaam tegenover God te zijn om hun slechte eigenschappen te verbeteren. Nu was het nog steeds niet mogelijk in de hemel, de hoogste sfeer van het geestelijke rijk terug te komen.

De liefde van God, die onze Vader is, besloot daarom zelf als een materieel mens naar de aarde te gaan om de opgave van de zuivering van de ziel te volbrengen. Dat lukte de mens Jezus ook! Zo werd het bewijs gegeven, dat bij ieder mens zijn oorspronkelijk onreine ziel weer volledig kon gezuiverd worden en er weer toegang tot de hemel bestond. Maar hiermee was het nog niet genoeg. Jezus naam de volle deemoed aan en lied zich aan het kruis doden, hoewel hij de macht had al zijn tegenstanders te vernietigen.

Laat ons herinneren, dat alle mensen, dus alle van de liefde geschapen wezens in het geestelijke rijk terug geleid moeten worden. Niemand mag verloren gaan, ook niet de beulsknechten die hem de dood brachten. Door deze ongelooflijke daad heeft Jezus Luzifer voor altijd overwonnen en heeft de – hoe wij het noemen – de oerzonde, dat is de afval van Luzifer van de liefde Gods, op zich genomen en overwonnen.

3.) Waar gaan de mensen naartoe na hun lichamelijke sterven?

Jezus heeft een keer gezegd: “In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.” Het huis Gods is het gehele geestelijke rijk. De hemel daarin is de hoogste sfeer van reinheid en daar is ook de hemelse stad Jeruzalem, de woonplaats van de goddelijke Liefde, dus van Jezus! Het tegengestelde van de hemel is de hel. Mensen die nog hun slechte eigenschappen hebben, omdat zij deze in het aardse leven niet wilden veranderen, zullen zich in de hel tegen komen. Maar dat betekent niet dat zij daar voor altijd moeten blijven, maar wel zolang zij hun eigenschappen niet willen veranderen, verbeteren. Er is geen algemeen of individueel oordeel door God nodig om de mensen te veroordelen, waar naartoe zij na hun overlijden in het geestelijke rijk moeten gaan, want dat is al in de eeuwige orde Gods vastgelegd. De daar aankomende mens wil conform zijn aard van de ziel daar naartoe, waar hij gelijkgezinde mensen vind. Heeft hij een zuivere of tenminste merendeels zuivere ziel, dan zal hij direct in een hogere sfeer, als b.v. het paradijs, door een engel geleid worden. Ook daar is het nog noodzakelijk om verder te leren, voordat men de hoogste stap naar de hemel aankan.

Het leren, dat wij zoals God ook geest zijn en daarom ons ‘zijn’ moeten gestalten, kan met het materiele lichaam op aarde beduidend rapper gebeuren dan in het geestelijke rijk. Hier op de aarde kunnen wij ons door de vele verschillende indrukken van de buitenwereld relatief snel aanpassen en veranderen. Tegenovergesteld – bevinden wij ons al in de geestelijke sfeer, waar wij geen vleselijk lichaam meer hebben, dan willen wij ook daar blijven, waar de medemensen gelijkgezind zijn zoals wij zelf.

Het verschil in tijd voor een verbetering van de ziel is in het geestelijke rijk zeker honderd tot duizend keer langer dan op de aarde. Wie hier op aarde te gemakzuchtig is, zal daardoor op een enorme omweg terecht komen om aan de overkant eens gelukkig te worden, en daar zijn nog niet het verdriet en de pijn genoemd die degene moet doorstaan om een verbetering te bereiken.

Spreken wij nu van Jezus Christus, dan is dit de mensenzoon, die ook zijn discipelen broers noemde. De innerlijke geest van de mens Jezus is de levende God zelf. Na zijn opstanding was zijn lichaam en zijn ziel, die beide menselijk waren, in zijn geest herboren. Vanuit de menselijke Christus is nu de Liefde van God te voorschijn gekomen, die onze hemelse Vader is. Wij zijn zijn kinderen, goddelijke kinderen! Met dit weten zou het toch mogelijk zijn voor ons het tijdelijke leven op de aarde zo te gestalten dat wij ons tijdens de overgang in het eeuwige zijn kunnen verheugen!

==================

G.K. Holderer, maart 2018.

Jesus Christus, der allmächtige Gott – G.K. Holderer

Jesus Christus, der allmächtige Gott
– G.K. Holderer –

Die Überschrift lässt sicher viele etwas unsicher fragen, ob Jesus Christus nicht der Sohn Gottes ist, aber doch nicht Gott selbst! So lehren es die Kirchen. Darum wollen wir uns mit dieser Aussage näher befassen, um am Ende zu erkennen, dass Jesus tatsächlich Gott selbst ist!

Jesus wurde von Maria, der Tochter von Joachim und Anna geboren und das ohne Zutun von einem Mann. Hier muss uns klar sein, dass wir von Jesus, dem Menschen, sprechen. Er hatte also einen normalen Körper wie wir alle. Ein Mensch hat aber nicht nur einen Körper, sondern auch eine Seele und einen von Gott gegebenen Geistfunken. Und hier unterscheidet sich der Mensch Jesus von uns anderen Menschen. Während seine Seele ebenfalls wie jede andere Menschenseele war, war sein Geist – und das wird für alle Ewigkeit so bleiben – der göttliche Geist selbst.

Mit welcher Aufgabe hat Jesus auf der Erde gelebt?
Dazu müssen wir etwas weiter ausholen: Bei Johannes heisst es gleich zu Beginn seines Evangeliums: “am Anfang war das Wort und das Wort war Gott und wohnte unter uns. Und die Welt hat es (ihn) nicht erkannt.” Den wir nicht erkannt haben, war Jesus, in dem der göttliche Geist wohnte.

Unsere Seele gehört eigentlich schon dem Geist an, aber sie ist noch nicht wieder so rein, dass sie mit dem Geist eine Einheit bilden kann. Bei unserer Geburt hat die Seele eines jeden Menschen sowohl gute als auch schlechte – besser ausgedrückt unvollkommene- Eigenschaften. Hier im Erdenleben geht es darum, diese noch unreifen Eigenschaften auf den notwendigen sauberen, also reinen Zustand zu bringen. Alle Eigenschaften, wie Hass, Egoismus, Hochmut sind es, die gemeint sind. Liebe zu Gott, dem himmlichen Vater, Nächstenliebe, Geduld, Demut sind die nachzustrebenden Eigenschaften, welche die Seele benötigt, um sich wieder mit ihrem Geist verbinden zu können. Das war auch bei Jesus so. Er kämpfte in seiner Jugend bis zum Beginn der Ausbreitung der göttlichen Lehre mit der Reinigung seiner Seele, was er auch erreichte. Dies nennen wir auch die geistige Wiedergeburt des Geistes in der Seele. Denn erst wenn die schlechten Eigenschaften aus der Seele hinausgeschafft sind, kann die Verbindung mit ihrem Geist erfolgen.

Bei Jesus war das ganz besonders wichtig, denn sein Geist war nicht wie bei uns ein von Gott gegebener Geistfunken, sondern es war der göttliche Geist selbt. Seine ausgeführten “Wunder” bezeugen dies. Kein Mensch ist in der Lage diese nur durch ein Wort zu vollbringen wie Jesus. Sein Geist vollbrachte diese Wunder, sein Geist, der mit seiner Seele eine Einheit bildete.

Jesus lehrte die Menschen, dass es nicht um Macht und Geld im Erdenleben geht, sondern dass dies Erdenleben eine Vorbereitungszeit ist für ein darauf folgendes Leben im Geist. Wir wissen aus der Bibel, dass Gott Geist ist und wir werden nach diesem materiellen Vorbereitungsleben in seinem geistigen Reich leben.

Warum kam nun Gott als Mensch Jesus auf unsere Erde?
Die Menschen wurden ursprünglich alle von Gott als Geistwesen und nicht als materielle Wesen geschaffen. Aber dies liegt unzählige Zeiten zurück. Nach dem Abfall eines Teiles dieser Geistwesen unter Führung von Luzifer, auch Satana genannt, beschloss die Liebe in Gott, allen diesen Wesen eine Möglichkeit zu geben um zurückzukehren in ihr ursprüngliches Sein, dem geistigen Reich Gottes. Denn nach der Trennung von Gott hatten sie keinen Zugang mehr zur göttlichen Energie der Liebe, was gleichbedeutend war, dass sie alle für ewig den Tod gefunden hätten.

Die Liebe in Gott war der Initiator und hatte allen Wesen das Leben gegeben. Die Liebe Gottes ist mit anderen Worten der Vater aller geschaffenen Wesen und fühlte sich daher auch verantwortlich diese von ihrem Untergang zu erretten. Das Beispiel vom verlorenen Sohn ist hierfür kennmerkend. Wenn man bedenkt, dass die Gottheit das ganze Universum bis in alle Ewigkeit, sowohl örtlich als auch zeitlich einnimmt, dann erkennt man auch, dass alle von der Liebe Gottes geschaffene Wesen in der Gottheit selbst leben und wohnen. Würden diese Abtrünnigen sterben, dann wäre es gleichbedeutend als ob ein Teil Gottes den Tod finden würde. Und dies ist völlig unmöglich! Also musste die Liebe Gottes als Initiator und Vater einen Weg finden, diese Abgefallenen zurück zu führen.

Der Weg zurück konnte nicht direkt innerhalb des geistigen Reiches erfolgen, sondern dafür musste eine “Zwischenstation”, nämlich ein materieller Lebensbereich erschaffen werden. Darum leben wir Menschen, die größtenteils zu den Abgefallenen gehören, auf dieser materiellen Erde. Hier haben wir die Möglichkeit unsere schlechten Eigenschaften zu korrigieren.

Adam und Eva, die ersten Menschen mit einem Geistfunken Gottes erschaffen, versagten in ihrem Bemühen im Gehorsam gegen Gott ihre schlechten Eigenschaften zu verbessern. So war noch immer keine Rückführung in den Himmel, der höchsten Sphäre des geistigen Reiches möglich.

Die Liebe Gottes, also unser Vater, beschloss nun selbst als ein materieller Mensch zur Erde zu gehen um die Aufgabe der Reinigung der Seele zu vollbringen. Dies gelang dem Menschen Jesus auch! Damit wurde der Beweis erbracht, dass bei jedem Menschen seine ursprünglich unreine Seele wieder völlig gereinigt werden konnte und er so wieder Zugang zum Himmel hatte. Damit aber nicht genug. Jesus nahm in voller Demut das Todesurteil seiner Kinder an und liess sich am Kreuz töten, obwohl er die Macht gehabt hätte, alle seine Gegner zu vernichten.

Erinnern wir uns, dass alle Menschen, also alle von der Liebe erschaffene Wesen ins geistige Reich zurückgeführt werden müssen. Niemand darf verloren gehen, auch nicht die Henkersknechte, die ihm den Tod brachten. Durch diese ungeheure Tat hat Jesus Luzifer besiegt und wie wir es nennen die Ursünde – also den Abfall Luzifers von der Liebe Gottes – auf sich genommen und überwunden.

Wohin kommen wir Menschen nach unserem materiellen Sterben?Jesus hat einmal gesagt: “In meines Vaters Haus gibt es viele Wohnungen.” Das Haus Gottes ist das gesamte geistige Reich. Der Himmel im geistigen Reich ist die höchste Stufe der Reinheit und dort ist die himmliche Stadt Jerusalem, der Wohnplatz der göttlichen Liebe, also von Jesus. Das Gegenstück des Himmels ist die Hölle. Menschen, die noch ihre schlechten Eigenschaften haben, weil sie diese im Erdenleben nicht verändern wollten, werden sich in der Hölle wiederfinden. Das bedeutet aber nicht, dass sie für immer dort bleiben müssen, sondern nur so lange sie ihre Eigenschaften nicht verändern, verbessern wollen. Es braucht kein allgemeines oder individuelles Urteil Gottes stattzufinden um die Menschen zu verurteilen, wohin sie nach ihrem Übergang ins geistige Reich zu gehen haben, denn dies liegt bereits in der Ordnung Gottes fest begründet. Der dort ankommende Mensch will entsprechend seiner Seelengestaltung dorthin gehen, wo er Seinesgleichen findet. Hat er eine reine oder überwiegend reine Seele, so wird er direkt in eine höhere Sphäre, z.B. das Paradies, geleitet. Auch dort ist es noch nötig weiterhin gelehrt zu werden, bevor man fähig ist die höchste Stufe des Himmels zu erreichen.

Das Erkennen, dass wir wie Gott auch Geist sind und dafür unser Sein gestalten müssen, kann mit unserem materiellen Körper wesentlich schneller erfolgen als im geistigen Reich. Hier auf Erden können wir uns durch die vielen verschiedenen Eindrücke der Aussenwelt recht schnell anpassen und umstellen. Dagegen befinden wir uns drüben, da wir ja keinen Fleischkörper mehr haben, direkt in der geistigen Sphäre, die unserem Seelenzustand entspricht und wir wollen dort sein, wo die Mitmenschen gleichgesinnt sind wie wir selbst. Daher ist es äusserst mühsam und schwierig, sich verändern zu wollen, wenn die ganze Umgebung dir selbst entspricht.

Der Unterschied in Zeit für eine Verbesserung seiner Seele ist im geistigen Reich sicher hundert bis tausend Mal länger als auf der Erde. Wer hier zu bequem ist, wird sich auf einem großen Umweg befinden, um drüben einmal glücklich zu sein, um nicht auch noch die Qualen zu erwähnen, die man auszustehen hat um eine Veränderung zu erreichen.

Sprechen wir von Jesus Christus, so ist dies der Menschensohn, der auch seine Jünger Brüder nannte. Der innere Geist des Menschen Jesus ist der lebendige Gott. Nach seiner Auferstehung war sein Körper und seine Seele, die beide menschlich waren, in seinem Geist wiedergeboren. Aus dem menschlichen Christus ist nun die Liebe Gottes heraugetreten, die unser himmlicher Vater ist. Wir sind seine Kinder, göttliche Kinder! In diesem Wissen sollte es uns doch möglich sein, dieses zeitliche Leben auf der Erde so zu gestalten, dass wir uns beim Übergang ins ewige Sein freuen können!

========================

G.K. Holderer – März 2018.

Hoe verhouden de heiligheid en liefde in God zich tot elkaar? – Wilfried Schlätz en M. Gies-Ruffing

Hoe verhouden de heiligheid en liefde in God zich tot elkaar?

door Wilfried Schlätz en M. Gies-Ruffing

ingekorte vertaling

1. Inleiding

Er bestaat een bepaalde moeilijkheid in het Lorberwerk doordat veel begrippen in een andere context een andere betekenis hebben, waardoor gemakkelijk verwarring over deze begrippen en over het Godsbeeld kan ontstaan kan, als je het niet zorgvuldig bekijkt.

Wat wordt hier in de te onderzoeken teksten precies met “heiligheid” en “liefde” bedoeld, en wat is hun verhouding tot elkaar?

In de gekozen teksten wordt de oneindige heiligheid Gods “Vader” genoemd en dat heeft betrekking op het oneindige, vormloze, onbegrensde buitenwezen van God. God in zijn almacht, onbegrensdheid, oneindigheid, vormloosheid, heiligheid kunnen wij met ons menselijk begrensd denken niet echt vatten en begrijpen. (2HG 138,15).

De oneindige Liefde Gods wordt hier “Zoon” genoemd (1HG 9,26) en heeft betrekking op het eindelijk, begrensd binnenwezen Gods, het persoonlijke centrum van God. De begrepen “eindelijk”, “begrensd” geven hier alleen aan dat God in zijn centrum van eeuwigheid af aan oermens was en in en als Jezus voor ons zichtbaar werd. Alleen volgens zijn oneindig buitenwezen is God vormloos, ongrijpbaar, onvatbaar. Volgens zijn binnenwezen is hij van eeuwigheid af aan een oermens. Alleen op die manier kunnen wij hem grijpen, zo ver het mensmogelijk is en ook lief hebben. Later meer hierover.

Voor die hier te onderzoekende teksten geldt:

De oneindige Heiligheid Gods = “Vader” = oneindig, vormloos buitenwezen Gods.

De oneindige Liefde Gods = “Zoon” = eindelijk, begrensd binnenwezen = persoonlijk centrum van God, oermens.

Alle beide vormen samen de totaliteit van God in Jezus, die voor ons zichtbaar en te beleven is!

1HG 5,2: “De Godheid was van eeuwigheid af aan de alle oneindigheid der oneindigheden doordringende kracht en was en is en zal eeuwig de oneindigheid zelf zijn [ buitenwezen]. In het midden van haar diepte was ik van eeuwigheid af aan de Liefde en het leven in haar.” [ binnenwezen, centrum].

Het zal hier niet onvermeld blijven, dat de oneindige Heiligheid zich eerst dan “Vader” noemt, als haar schepselen gevallen waren en haar Liefde zich om de gevallenen erbarmd had. Dan wordt haar Liefde ook tot de “Zoon”.(1HG 5, 24-26)

Het komt de vraag naar voren: Hoe is er de verhouding tussen de heiligheid en de liefde in God? Is er een onoplosbare tegenspraak tussen de oneindige hoogheid, Heiligheid Gods, die geen opstand of bezoedeling tegen haar heiligheid mag dulden, om de orde niet in gevaar te brengen en de alles vergevende en erbarmende Liefde?

Het zal in verloop van dit artikel erop gewezen worden, dat Heiligheid en Liefde in God de één niet zonder de ander zijn kan, dat zij onafscheidelijk bij elkaar horen, dat zij zich vervolmaken, steunen, bevruchten en dat zo uiteindelijk in God ook een vooruitgang, verdieping en een uitbreiding plaats vindt. En deze ontwikkeling gebeurt ook door de verhoudingen met zijn schepselen, met ons, zijn kinderen. (4GEJ 255, 2-5)

In een uitkijk zal afsluitend de vraag aangegaan worden: Wat betekent dat alles voor ons? Hoe kunnen wij de gewonnen inzichten voor ons alledaags leven nutten?

 

2. De verhouding tussen heiligheid en liefde in de scheppingsgeschiedenis en de geschiedenis van de mensheid

In beslissende situaties, zowel het scheppingsverhaal als ook tijdens het aardse leven van Jezus, heeft de Liefde in het Godscentrum (Zoon) steeds met haar Heiligheid (Vader) gestreden. Wat weer laat zien dat het oneindig buitenwezen Gods, diens oneindig macht, kracht en heiligheid en het persoonlijke binnenwezen diens oneindige liefde en wijsheid onafscheidelijk samen horen.

Voorbelden zijn: val van de geesten, zondeval, de doop van Jezus in de Jordan, Tabor, droom van Eudokia, Gethsemane en uiteindelijk de dood aan het kruis.

 

3. Val van de geesten, zondeval

In de Huishouding van God lezen wij: de schepping ontstond vanuit de verbinding van de Godheid, het oneindig, vormloos buitenwezen Gods (+ Vader = kracht = heiligheid) met haar liefde, het “eindelijk”, menselijk gevormde binnenwezen Gods (= Zoon = persoonlijk Godscentrum). Wij horen, hoe de liefde gesterkt wordt door de kracht van de Godheid en hoe de Liefde ook de Godheid sterkt.

“En God zag de grote heerlijkheid van Zijn Liefde in zich en de Liefde werd gesterkt met de kracht van de Godheid en zo verbond de Godheid zich voor eeuwig met de Liefde.” (1HG 5,4)

“Toen ging het Woord [van de Liefde] in de Godheid over en Zij werd geheel en al Liefde. En zie, toen spraak de Godheid voor het eerste maal: “Het zij!” En een leger van geesten werd uit God vrij.” (1HG 5,7)

Uit deze wederzijdige verbinding en bevruchting van de Heiligheid en Liefde werd de schepping geboren. Maar een gedeelte van de eerste geesten (een zevende aandeel) kwam in opstand en wilde “zijn zoals God”. Dit liet het eerste schijnbare conflict tussen de Heiligheid en haar Liefde ontstaan.

“En de Liefde betreurde [Zoon, oneindige Liefde Gods] de verlorenen; maar de Godheid [ “Vader”, oneindige Heiligheid Gods] begon te trillen van toorn.”(1HG 5,21)

De Heiligheid kan niet toelaten dat de orde beschadigd wordt. De toorn van de Godheid wordt tot donder, maar hij vernietigd niet, maar keert zich aan haar Liefde, geeft aan haar Liefde de gehele macht. “En de donder werd in haar tot woord en spraak:”Alle macht zal aan Jou ondergeschikt zijn; handel naar je eigen goeddunken en spreek ‘Er zij!’ en er zal zijn!” (1HG 55,21)

Dit toekeren van de Godheid tot haar Liefde verandert en verdiept de Liefde en wordt tot erbarmen:

“En zie, de Liefde werd ontroerd tot in haar binnenste en de eerste traan vloeide uit het oog van de eeuwige Liefde en deze traan vloeide uit het hart van de Godheid [uit haar centrum!] en heette en heet en zal eeuwig heten erbarmen, [1HG 5,22] en temperden het vuur in Gods toorn” [1HG 5,23]

God erbarmde zich over de gevallenen en schiep de aarde, de sterren, planeten en de mens. Door het gebeuren van de zondeval van het eerste mensenpaar komt de schepping weerr in moeilijkheden, weer komt het tot een conflict binnen God. De Liefde in God wil de schepselen redden, de Heiligheid wil alles vernietigen, opdat de Liefde zich weer met haar zal verbinden in plaats met de gevallenen (1HG 9,14), want de Liefde was naar haar boetvaardige kinderen gegaan en had zich daardoor van haar Heiligheid afgescheiden.

“En de vlammen van de toorn van God, van de Oneindige, rolden schrikbarend door al de eindeloze ruimten naar de aarde toe, waar de grote Liefde nu vertoefde bij haar rouwende en treurende gevallen kinderen.” (1HG 9,8)

“en zie, er woedde een hevige strijd tussen de eeuwige Liefde, die door het berouw en verdriet van de geschapenen weer erbarmen met hen had en de woedende Godheid, die alles wilde vernietigen ter verzoening van haar integere heiligheid (1HG 9,9).

De “integere” Heiligheid Gods (“Vader”) vraagt om de instandhouding van de gegeven orde, de “vlammenvloed van toorn van de boos geworden Godheid” (1HG 9,10) is daarbij haar gehele schepping te vernietigen. Maar op dat moment tred haar Liefde (“zoon”) matigend tegen en zegt:

“Grote verheven God, lenig Uw grote toorn en blus de vernietigende vlammen van Uw zeer gerechtvaardigde gramschap, want de vlammende woede van Uw [van de Godheid] toorn zal de rechtvaardigen verwoesten en zal de eeuwige Liefde in U vernietigen en zal Uzelf gevangennemen in Uw bovenmaatse macht en kracht van de Heiligheid.” 1HG 9,11).

Maar deze tegenwerping was voor de Godheid nog niet genoeg. Zij was bang voor een afscheiding van haar “zwak geworden Liefde” (1HG 9,14) en wilde haar schepping vernietigen. De Liefde moest meer doen dan alleen maar argumenteren en appelleren. Zij moest zelf voor voldoening voor de daden van de gevallenen zorgen:

En zie nu en luister verder, wat de erbarmende Liefde toen spraak en deed: [1HG 9,17]

“Grote, almachtige God van alle macht, alle kracht en alle heiligheid! Laat Uw hevige toorn varen en stil het vuur van Uw alles verwoestende gramschap en luister in de rust van Uw Heiligheid naar de woorden van Uw eeuwige Liefde, die het enige leven in U is {…} en wil niet het leven in haar [de Liefde} vernietigen, maar laat genade voor recht gelden en laat de Liefde U genoegdoening geven en eis verzoening voor Uwe bezeerde en beledigde Heiligheid, en geen offer dat U van haar mocht eisen ter eeuwige verzoening van Uw Heiligheid zal voor Uw Liefde te groot zijn!” (1HG 9,18)

“Het vuur temperde en de Liefde begreep de donder van God, die vel spraak: ( 1HG 9,19) : “Ik wil alle schuld op jou laten neerkomen […] en jij moet de smaad van mijn heiligheid vereffenen […] die het band is tussen mij en jij.” [1HG 9,20)

Deze eerste hoofdstukken van de HG laten zien: Niet alleen de Heiligheid Gods geeft de Liefde een grens aan zoals boven gezegd (“integer”). De Liefde geeft van zich uit ook grenzen aan de Heiligheid, de almacht, opdat die zich niet zelf vernietigd. Het is een tegenzijdse begrenzing en daardoor ook een tegenzijdse steun.

De Liefde offert zich helemaal, geen offer is te groot, omdat zij weet dat de Heiligheid verzoening vraagt, opdat de orde in de schepping onderhouden blijft.

Hier is ook te zien, hoe het buitenwezen Gods in zijn oneindige macht, kracht en heiligheid noodzakelijk van zijn binnenwezen afhankelijk is. Zou God zijn centrum, zijn liefde “als het alleen bestaande leven” in hem (1HG 9,18) vernietigen, dan zou God zichzelf vernietigen. Hier wordt al de liefdesdood van Jezus voorbereid.

Het wordt ook duidelijk dat Liefde en Heiligheid onafscheidelijk bij elkaar horen. Het begrip “eeuwige band” (1HG 9,20) laat zien, dat er geen echte afscheiding tussen Liefde en Heiligheid bij God bestaat.

(1HG 9,24ff): Toen nu de eeuwige Liefde de eisen aanvaardde en daardoor al van tevoren genoegdoening verschafte aan de grote Heiligheid van God, liet de Godheid […] haar heilige wil horen en spraak als volgt:[25] “Zie jou grote barmhartigheid is in mij opgestegen [26] en zie, daarom wil ik mijn gerichten opheffen […] en wil de schade […] weer goed maken. En buiten mij kan niemand iets goed maken dan ik alleen, omdat niemand goed is, behalve ik, de heilige Vader, want dat zal voortaan voor eeuwig mijn naam zijn. En jij, mijn Liefde bent mijn Zoon; en de Heiligheid als machtige alom werkende band van de kracht tussen ons, is de Heilige Geest“( 1HG 9,24-26).

Eigenlijk is dit de schildering van de triniteit, maar niet in drie personen, maar in drie verschillende aspecten van de ene Godheid (“éénpersoonlijke drie-eenheid” T.Noack) .

Maar wij zien ook: eerst wanneer de onaantastbare Heiligheid Gods (buitenwezen) en zijn verzoenende Liefde (binnenwezen, centrum van de liefde) samenkomen en hieruit de alles werkende kracht (Heilige Geest) uitstroomt, is de Godheid volkomen – en zij is altijd volkomen! De Liefde moest zich van de Heiligheid afscheiden als haar schepselen afgevallen waren, om zij de beschermen voor de toorn van de Heiligheid. Maar de Heiligheid heeft zich ook gebuigt, anders zou zij alleen gebleven zijn.

Belangrijk: de Heer kenmerkt zich voor het eerste keer als Vader – in een moment als zijn schepselen ongehoorzaam waren en zich tegen zijn wetten hadden vergaan. Wat een voorbeeld!!! Hiermee wordt eigenlijk ook al de “terugkeer van de verloren zoon” ( Luzifer) voorbereid.

Door het schapen van de schepselen en vooral door de erbarmende liefde wordt de Godheid tot “Vader”, de liefde tot “Zoon” en de oneindige heiligheid, de hoogheid, is nu niet meer het afscheidende maar het verbindende element tussen het buitenwezen en het binnenwezen, tussen Godheid en Godscentrum: “en de Heiligheid als de machtige alom werkende band van de kracht tussen ons”(1HG 9,26)

De Liefde heeft de Heiligheid van haar zware last van de ongenaakbaarheid, de afgescheidenheid verlost, de Heiligheid kan tot “Vader” worden, zonder de bindende heiligheid van de Godheid te moeten afstaan.

Het is te zien: God is geen star, statisch wezen. Met de ontwikkeling van zijn schepping verandert zich ook Hij, de Schepper. Het geeft een zich tegenzijdig beïnvloeden van het buitenwezen en het binnenwezen, van Heiligheid en Liefde, van “Vader” en “Zoon”, een verdieping,” (4GJE 252, Vlieg 7,23).

 

4. Geschenken uit de hemel: De zeer zwakke

Nog een belangrijke bron voor de verhouding van Liefde en Heiligheid in God vinden wij in de Geschenken uit de hemel 3, pag. 61 ff: “De zeer zwakke”.

Hier wordt in een uitstekende wijze en nog veel dieper dan in de Huishouding van God beschreven, waaruit de verlossing door Jezus bestond en waarom zij nodig was.

Het komt de vraag naar voren: Hoe kon zich de Liefde in Jezus van de Heiligheid Gods afscheiden?

“Ja, hoe U tot de grootste verachter van Gods heiligheid worden? Ja, hoe kon U alle grote en kleine zonden op U nemen vanaf het begin van de wereld tot aan het eind ervan, daar U toch de liefde van God zelf was en de Vader in U zoals U in de Vader en God in U zoals U in God?”

De Heer zegt: “Zie, de wereld was dus dood in haar verdorvenheid en kon zich onmogelijk zelf meer voegen naar Gods onaantastbaar Heiligheid. Ze moest dus voortdurend vanuit Gods erbarmende liefde gericht [in orde gebracht] worden, opdat ze als het minste, dat ze was, kon bestaan; maar zeg zelf, wat is een gericht ding, is het dood of levend?”(3GvdH pag.62)

De mensen waren voor de verlossingsdaad maar nog zoals dode automaten, die alleen nog door de erbarmende liefde Gods leefden, maar niet echt vrij waren.

Wij ervaren hier, dat het de Liefde niet alleen daarom ging, door de offerdaad op Golgotha haar Heiligheid voldoening te geven, maar dat zij zich ook in een onvatbare liefde en deemoed tot haar kinderen boog, om uit “dode automaten” weer levende vrije mensen te maken.

“Zie, wat moest er nu dan gebeuren, daar enkel en alleen ik het leven ben en het leven in en uit mij heb, om de wereld die voortdurend gericht (in orde gebracht) moest worden, en waar en vrij en niet enkel mechanisch leven te geven?

Zie, toen moest de Liefde zich scheiden van God, diens oereeuwige kracht, waaruit ze eeuwig wordt geboren en de kracht van God eeuwig uit haar. Dus dit eeuwige leven uit zichzelf of uit Gods oereeuwige kracht moest een breuk met God bewerkstelligen en zich neerlaten op de dode wereld en zich sterfelijk bekleden, opdat het sterfelijke daardoor de sterfelijkheid zou verliezen en weer vrij levend zou worden.” (GvdH pag. 62,8+9)

“een breuk bewerkstelligen” heet: De oneindige liefde in Jezus moest vrijwillig van haar almacht, haar oneindige kracht afzien en in de diepste deemoed gaan, om de weg van de terugkeer vrij te maken, zonder de goddelijke orde te storen.

Deze bevrijding was alleen mogelijk, als God ook een ware mens zou worden met een geschapen lichaam, geschapen ziel en een menselijk geest. Dat is het wat met “het sterfelijke aantrekken” bedoelt is. Een deel-mens zou een leugen geweest zijn, want de Heer verlangt van ons: “Volg mij”. Daarom moest hij ook als een vol-mens ons vooruitgaan.

 

5. Herberg van Lazarus

Het sterkste getuigenis voor Jezus als de ware geschapen God en tegelijk als ware geschapen mens geeft de Heer aan zijn dicht bij hem zijnde begeleiders in de herberg van Lazarus op de olijfberg. Daar spreekt hij bijzonder duidelijk tegen zijn rijpste begeleiders:

“Ik ben, zoals Ik nu bij jullie ben als een mens in het vlees, de Zoon en ben nooit door iemand anders dan alleen door mijzelf verwekt en ben derhalve mijn hoogst eigen vader van eeuwigheid. Waar zou de Vader (buitenwezen) anders kunnen zijn dan in de Zoon (binnenwezen, Godscentrum) en waar anders de Zoon dan in de Vader, dus slechts één God en Vader in één persoon?”(8GJE 27,2).

“Ik, zoals jullie mij nu als Godmens bij jullie zien, ben Ik met mijn hele oercentraalwezen beslist volkomen een ongedeeld in jullie midden, hier in deze eetzaal op de Olijfberg, en bevind mij dus als hoogst ware God en mens nergens anders, (…) maar door de van mij uitgaande kracht, die de Heilige Geest is, vervul ik toch alle hemelen en de materiële en eindeloze ruimten met mijn werkzaamheid. Ik zie daarin alles van het grootste tot het kleinste, ken alles, weet alles, bepaal alles en schep, leidt en regeer alles.”(8GJE 27,4)

De Heer bekent dit voor zijn eigen discipelen, zijn Joodse vrienden zoals Lazarus, voor Farizeeërs, Romeinen zoals Agricola, voor Indiase magiërs, Egyptenaren, in het principe voor alle vertegenwoordiger van de destijdse wereld. Het lijkt als een voorteken, als een troostende toezegging voor ons vandaag: “Komt allen naar mij!”

 

6. Het “Godscentrum” en “God als de eeuwige oermens” zijn sleutelwoorden

De oervaders dachten al na over de samenhang tussen oneindige en eindige wijsheid van God. In het gesprek tussen Jarid en Abedam (Jehova) legt de Heer uit: “Wat jullie de oneindigheid [buitenwezen] van de ruimte noemen, is de geest van mijn wil, die sinds eeuwigheden deze eindeloze ruimte heeft geschapen en haar allerwegen heeft gevuld met wezens van allerlei soort. Deze geest heeft echter een centrum, dat een wezenlijke gedaantevorm [binnenwezen, persoonlijk Godscentrum]heeft, waarin alle macht van deze oneindige geest verenigt is om werkzaam te zijn en dit machtscentrum van het oneindige goddelijke geestwezen is de liefde welke het leven is van deze geest en deze liefde ben Ik van eeuwigheid.” (2HG 139,20)

In zijn oneindigheid en volkomenheid is God door niemand bereikbaar. “Maar wel kan Ik iedereen benaderen en er ook voor zorgen dar iedereen Mij kan benaderen. [namelijk in de vorm van een mens!].

Alleen de liefde is de maatstaf voor mijn Goddelijkheid en ben met geen ander maatstaf meetbaar, want Ik ben waarachtig een oneindige God. – In de geest is dit de machtsvolkomenheid van Mijn wil en Mijn liefde en wijsheid; de gestaltelelijke wezenheid is een en dezelfde, volgens haar jullie allen zijn gemaakt naar Mijn wezenlijke evenbeeld.!” “Niemand zal Mij ooit in een ander vorm zien dan in gene, hoe jullie mij nu zien in de geest! Amen.”

“Zie, als ik nu één en dezelfde ben, als ik ook in de zon ben, maar voor jou zodanig dat je mij volkomen kan naderen zoals de ene broeder de andere.” [en de Heer zegt verder:] “Bovendien zouden jij en ik toch niet volmaakt gelukkig zijn als het mij niet mogelijk zou zijn om zelf als Vader overal, waar mijn kinderen ook zullen zijn, met mijn ware hele persoonlijkheid aanwezig te zijn.” […] hoe verweesd zouden dan mijn kinderen zijn en hoe alleen zou ik staan temidden van hen?”

Jezus is de Vader, hij is het centrum, hij heeft mensengestalte, ook omdat hij als Vader gezien en geliefd wil zijn!

Zo bekent ook de apostel Johannes zijn begeleiders: GZ2,13,2: “Ik zeg jullie: God, dan bedoelen jullie weliswaar ook het allerhoogst wezen, maar dan in zijn oneindigheid zoals het het heelal vult en daar met zijn oneindige kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid werkzaam is. Maar met de naam Jezus duiden jullie het volmaakte, machtige wezenlijke centrum aan of nog duidelijker gezegd: Jezus is de waarachtige, meest eigenlijke, wezenlijke God als mens, zoals stralen voortkomen uit de zon, zo komt uit hem de hele Godheid voort die als Geest van oneindige macht, kracht en gezag de oneindigheid geheel en al vult. Jezus is bijgevolg het alomvattende wezen van de totale Godheid oftewel, in Jezus woont de Godheid waarachtig, lichamelijk wezenlijk in haar oneindige totaliteit.”

Bedenk: Begrijpen, bevatten en vooral lief hebben kunnen wij God alleen in zijn binnenwezen als oermens. Hij is het persoonlijke centrum van de Godheid. God werd dus niet eerst mens in Jezus, maar Hij was in zijn binnenwezen de eeuwige oermens van begin aan, maar zichtbaar voor ons eerst sinds zijn incaneren.

 

7. Gethsemane

In Gethsemane stond het zijn of niet-zijn van de hele schepping op scherp. In de ‘Zeer Zwakke’ lezen wij, dat (3GvdH”61ff): “Zie (… ), ik wil jullie nu ook een beetje met de verwijten bekend maken, die mij (de oneindige Liefde) onvermijdelijk door de Heiligheid van God gemaakt werden, opdat jullie iets te weten zullen komen wat de wereld tot op dit moment nog niet te weten is gekomen.- Jullie weten, dat alles wat in de oneindigheid geschapen werd, […} door Mij in het bestaan werd geroepen. Omdat de wereld lijnrecht in strijd was met Gods Heiligheid, werd Ik [de Liefde], die teweeggebracht had wat Gods Heiligheid moest verdoemen, met dezelfde verwijt getroffen.

Zie, slechts twee wegen stonden voor mij open, namelijk de weg naar boven en de weg naar beneden, dwz: Ik keer terug naar God wordt één met Hem, vernietig met de kracht van zijn Heiligheid alles wat uit mij is voortgekomen – of – Ik scheid mij, beladen met alle verwijten van God af, breng dan mijn werken weer tot leven en heilig ze en geef in mijn oneindige verdeemoediging genoegdoening aan Gods oneindige Heiligheid. Wat was te doen?

Zie, als ik niet de oneindige liefde zelf was, zoals God de oneindige heiligheid zelf is, dan zou ik natuurlijk het eerste gedaan hebben. Alleen mijn Liefde was instaat het onuitsprekelijke uitspreekbaar te maken, verloochende haar Heiligheid en maakte zich onheilig, omdat ze zich belastte met alle schuld en dus ook met de zwaarste last van de dood.”

Hier zien wij dat het een (schijnbaar) conflict in Jehova, in het centrum van de Liefde gaf. Hij, de schepper van alles, heeft zijn schepselen zo geschapen, dat zij een vrije wil hebben om ook te kunnen zondigen en zich tegen de heiligheid te vergaan. Maar de Liefde deemoedigt zich diepst, verloochent haar Heiligheid, scheidt zich van haar almacht en redt op die manier haar schepping.

In Gethsemane beleeft Jezus zijn moeilijkste uur. Hij erkent wat op hem wacht. Zijn discipelen laten hem alleen en hij had zich voor het offer van zijn Heiligheid afgescheiden om door deze oneindige verdeemoediging op Golgotha zijn schepselen te redden. Hij is alleen.

“Want, of ik drink de kelk en dan bestaat de wereld en alles wat daarop is – of Ik zet de kelk opzij en de wereld en alles wordt vernietigd op hetzelfde moment waarop Ik de kelk opzij zet.”

Maar nu ervaren wij iets heel verwonderlijks: De Heiligheid erbarmt zich over de Liefde! Toen de Liefde echt zwak wilde worden, kwam de Heiligheid en heeft haar Liefde gesterkt, opdat de Liefde haar bittere weg tot einde kon brengen. Dat heeft alles de Liefde gedaan, gescheiden van haar kracht en heiligheid, maar wel ondersteund door de Heiligheid.

 

8. De dood aan het kruis

Toen Jezus riep: “Mijn God, mijn God, waarom heeft U mij verlaten?”, was dit tweevoudig gesproken.

– gesproken van de geschapen mensenzoon, het geschapen menselijke Ik in Jezus. Hij voelde, hoe Jehova zich in hem terugtrok.

– en het riep de goddelijke Liefde in hem tot haar ongeschapen centrum van de Liefde Gods. Met “God” bedoelde zij de oneindige Heiligheid, die haar had verlaten.

“Het is volbracht”

Met de offerdood van Jezus werden twee dingen volbracht. Eenmaal heeft zich het menselijke Ik van Jezus vergoddelijkt en de terugweg naar het vaderhuis voor ons mensen vrijgemaakt. Zo was de éénwording van de mens Jezus met het ongeschapen Godscentrum bereikt. En ook heeft zich de oneindige Liefde in God met haar oneindige Heiligheid door haar verdeemoediging vereend. Dieper en rijker als het was van tevoren.

Vertaling: G.K. Holderer

======================

De weg tot het ware leven – G.K. Holderer

De weg tot het ware leven
– G.K. Holderer –

Jezus heeft ons de volgende waardevolle zin gegeven: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij!” Vervolgens willen wij deze weg nader bekijken.
Wat is dat voor een weg? Hoe kunnen wij deze weg vinden? Waar naartoe leidt deze weg? Wij willen op deze vragen het juiste antwoord opzoeken.

In een tijdelijk beperkt materieel leven op aarde is ons mensen de mogelijkheid gegeven inzichten te verzamelen, waarom wij überhaupt hier leven en hoe onze toekomst eruit zal zien. Wanneer wij begrepen hebben, dat op dit tijdelijk leven, dat haast niet langer dan 90 jaar duurt, een duurzaam leven opvolgt, dan zullen wij zeker nieuwsgierig worden hoe het volgende bestaan eruit zal zien en ook wat je daarvoor moet doen en hoe je in het duurzame, eeuwige leven kan komen. Het is onze opgave deze weg te zoeken en te vinden!

Jezus zegt: “Ik ben de weg!” Daarom willen wij ons allereerst met de van Jezus gegeven zin bevatten. Wie is Jezus? Hij is een tweevoudig persoon. Hij is op onze aarde geboren en is daarom ook een normaal mens volgens zijn uiterlijk. Maar hij heeft in zich de goddelijke geest, die de almachtige en heilige God is. Nadat Jezus de verzoekingen van het kwaad, dat wil zeggen van de negatieve eigenschappen overwonnen had, van die hij evenzo als ieder ander mens meester moest worden, kon zijn Godsgeest ook van de mens Jezus helemaal bezit nemen. Dit reinigingproces duurde tot zijn dertigste levensjaar. Bij ons mensen zou je zeggen, dat hij was wedergeboren in de geest. Door de hoogste deemoed, die Jezus had, nam hij zelfs de dood aan het kruis op zich om te bewijzen, dat er een opstanding na de dood volgt en het echte eeuwige leven in het hiernamaals vanaf dan kan beginnen. Zijn overwinning van de dood en van het kwaad wil hij ook aan ons overdragen, om ook ons in het hoogste geestelijke rijk, de hemel, te laten komen.

Deze overdracht van de verlossing aan de mensen begon op Pinksteren! In de Bijbel lezen wij, dat de heilige geest op de discipelen neerdaalde en zij door hem enorm groeiden in inzicht en liefde tot Jezus. Dat maakte het hen mogelijk het woord van God met volmacht door te geven aan de medemensen. Maar niet alleen zij maar ook wij allemaal, die sinds deze Pinksteren geboren werden, ontvingen en ontvangen natuurlijk ook nog nu in ons hart een gedeelte van deze verlossende geest. In het begin is deze goed opgesloten om niet door onwetendheid of boosaardigheid misbruikt te worden. Eerst wanneer de mens zich serieus bemoeit zijn liefde tot de hemelse Vader, tot Jezus, te ontdekken en te verbeteren, dan komt hij uit zijn beschermende omhulsel en dringt in de ziel voor sterking van het leven.

De liefde speelt daarom een bijzonder belangrijke rol in de ontwikkeling van het leven. Het is wel zo, dat niemand zonder liefde is. Maar deze wordt meestal verkeerd ingezet. Materiele dingen zoals geld, roem, leidende positie, hartstochten voor drugs, drinken, seks en bovenmatig eten zijn zulke verkeerde   wegen en zij staan bij vele mensen voorop. De verkeerd gebruikte liefde bezet de hele ziel, die wel voorzien is om het juiste van het valse te onderscheiden, om daarna de opgave van ons aardeleven te volgen, namelijk om het goede te kiezen. Zo kan zich de ziel bevrijden van de sinds de geboorte aanwezige oerzonde.

Zolang de ziel zich in haar verkeerde liefde bevindt, zolang bezet deze haar ziel en hindert haar ware opgave. Die kan niet waargenomen worden. De op aarde levende mens moet zich eerst zelf herkennen hoe hij leeft en wat hij verkeerd doet, dan moet hij zich met een sterke wil ervan bevrijden, opdat in zijn ziel plaats vrijkomt om de juiste, de ware weg te kunnen beginnen. De ware weg baseert op het inzicht dat dit leven op aarde niet alles is, maar dat het echte leven erna begint. Je herinnert zich dat God geest is en Hij ons volgens zijn voorbeeld geschapen heeft – daarom zijn ook wij geestelijke wezens. Ons leven op aarde in ons materieel lichaam is maar tijdelijk en zal door ons benut worden door die op ons afkomende situatie en indrukken te herkennen, namelijk hoe ver wij nog van het ware leven, dat is het geestelijke leven, verwijderd zijn. Wij moeten onze complete wil inzetten om stuk voor stuk de valse liefde in een ware liefde voor God, de hemelse Vader, te veranderen. Hij noemt ons niet voor niets zijn kinderen!

Een klein kind heeft een absoluut vertrouwen in zijn ouders, omdat het weet, dat het zich op hen kan verlaten en dat het alles ontvangt, wat het in het dagelijkse leven nodig heeft. Evenzo moeten wij onze verhouding met de hemelse Vader zien, die toch ook de heilige God en schepper is. Een vol vertrouwen tot hem is van groot belang! Met deze kennis wordt het duidelijk voor ons dat de andere medemensen ook kinderen van God zijn. Zij vechten met dezelfde moeilijkheden als wij zelf. Zij zijn onze broers en zussen. Er bestaan vanzelfsprekend erg grote verschillen in het gedrag, de inzichten en de nog niet ontwikkelde liefde tot de hemelse vader en tot elkaar. Maar door het innerlijke gevecht voor het geestelijke leven wordt iedereen geleid tot geduld, deemoed en zachtmoedigheid. Deze eigenschappen zijn ondergroepen van de liefde. Zonder hen bestaat er geen naastenliefde!

Wij hebben zojuist over de ziel gesproken. Zij heeft haar centrale zit in het hart en van daar verspreidt zij zich door het gehele lichaam. Daarom bevind zich de ware weg in het hart! Uit de ziel, de in het aardse leven het levenscentrum is, moet het vuil eruit gehaald worden om de goddelijke geest als ons doel te kunnen herkennen.

Ieder mens heeft een innerlijk gevoel, wat hij zou moeten doen of beter niet zou moeten doen. Dit gevoel komt vanuit het hart of de ziel. Wij spreken hier van het geweten. Het is de invloed van de Godsvonk. Hij is in begin wel gesloten en kan maar een zwak teken aan de mens afgeven, maar hoe meer de ziel bevrijd is van de valse eigenschappen, des te duidelijker meldt zich de goddelijke geest in ons. Dat neemt zo sterk toe, dat bij een haast compleet gezuiverde ziel de mens in gesprek met de goddelijke geest kan zijn. Het spreekt voor zich zelf, dat deze vragen en antwoorden zich op het eeuwige, geestelijke bereik betrekken en niet op een materieel welzijn. Als een voorbeeld zei de gezondheid genoemd. Gedurende zijn aardse leven heeft Jezus eerst altijd de ziel van een zieke genezen, omdat hij wist, dat een gezonde, van vuil bevrijde ziel de basis is en de sterkte heeft een lichaam gezond te houden. Wanneer wij deze zin omdraaien, dan zegt dit, dat er vele ziekten bestaan, omdat de ziel van de mens onrein is en zo een ziekte ontstaan kan of ten minst erg moeilijk te genezen is.

Komen wij nu terug op de in het begin gestelde vraag: “Hoe vinden wij deze weg?’ De basis van al het leven is liefde. De schepper heeft alle wezens door zijn liefde geschapen. Het woord ‘leven’ kan daarom door het woord ‘liefde’ vervangen worden. Onze opgave is het in ons te zoeken, wat geen ware liefde is en dat dan verwijderen. Op die manier maken wij in onze ziel, ons hart, plaats, opdat wij dan de stem van de Godsvonk duidelijk kunnen waarnemen. Liefde vraagt om vertrouwen en bijzonder tot de hemelse Vader, tot God. Vertrouwen vraagt er ook om God te laten handelen, zonder ons steeds als een betweter te benemen om die van ons zelf gewenste weg aan te geven.

Waar leidt de weg naartoe? In het kort: naar de hemel! Die is het geestelijke rijk, waar wij voor altijd zullen leven. Als een kind van de almachtige en heilige God, die voor ons een echte Vader is, zullen wij vele opgaven krijgen die ons verder ontwikkelen en die ons met veel vreugde vervullen. Een eeuwige rust kan alleen zo worden verstaan, dat wij innerlijk nooit meer zenuwachtig worden, maar met veel rust onze beslissingen uitvoeren. Rust als ‘luiheid’ bestaat er in de hemel niet.
Liefde en vertrouwen tot Jezus is de ware weg, die ons in de levende hemel leidt.

G.K. Holderer – 07.2017

===============

Der Weg ins wahre Leben – G.K. Holderer

Der Weg ins wahre Leben
– G.K. Holderer –

Ausgehend von der wertvollen Aussage Jesu: “Ich bin der Weg, die Wahrheit und das Leben. Niemand kommt zum Vater, denn durch mich!”, wollen wir diesen wahren Weg näher betrachten.
Was für ein Weg ist das? Wie finden wir diesen Weg? Wohin führt dieser Weg? Gehen wir der Reihe nach diese Fragen an.

Wir Menschen haben die Möglichkeit erhalten in einem zeitlich begrenzten materiellen Leben auf der Erde Erkenntnisse zu sammeln, warum wir überhaupt hier leben und wie unsere Zukunft aussehen wird. Wenn wir begriffen haben, dass auf dieses zeitlich begrenzte Leben, das kaum länger als 90 Jahre währt, ein dauerhaftes Leben folgen wird, dann dürften wir zumindest neugierig werden, wie das spätere Dasein aussehen wird und vor allem was man hierfür tun muss und wie man ins dauerhafte Leben gelangt. Es ist unsere Aufgabe diesen Weg zu suchen und zu finden!

Jesus sagte: “Ich bin der Weg!” Darum wollen wir uns zunächst mit Jesus’ Aussage beschäftigen. Wer ist Jesus? Er ist eine zweifache Person. Er ist auf unserer Erde geboren und ist daher seinem Äusseren zufolge ein normaler Mensch. Aber er hat in seinem Inneren den göttlichen Geist, welcher der allmächtige und heilige Gott selbst ist. Nachdem Jesus die Anfechtungen des Bösen, also die negativen Eigenschaften, die er genauso wie jeder andere Mensch überwinden musste, besiegt hatte, konnte sein Gottesgeist komplett auch vom Menschen Jesus Besitz ergreifen. Bei uns Menschen würde man sagen, er wurde wiedergeboren im Geist. Durch die höchste Demut, die Jesus hatte, nahm er sogar den Tod am Kreuz auf sich, um so zu beweisen, dass eine Auferstehung vom Tod folgt und das echte, das ewige Leben nun im geistigen Jenseits beginnt. Seine Überwindung des Todes und des Bösen will er auf uns alle übertragen, damit auch wir in den höchsten geistigen Bereich, den Himmel, kommen können.

Die Übertragung der Erlösung auf den Menschen hat an Pfingsten begonnen. In der Bibel lesen wir, dass der heilige Geist die Jünger erfasste und sie durch ihn in geistiger Kenntnis und Liebe zu Jesus gewaltig wuchsen. Dies ermöglichte ihnen das Wort Gottes mit Vollmacht weiter zu verbreiten. Aber nicht nur sie sondern auch wir alle, die seit diesem Pfingsten geboren wurden, bekamen und bekommen natürlich noch immer ein Stück dieses erlösenden Geistes in unser Herz gelegt. Anfangs ist dieser gut verkapselt um nicht durch Unkenntnis oder Böswilligkeit missbraucht zu werden. Erst wenn der Mensch sich ernsthaft bemüht seine Liebe zum himmlichen Vater, zu Jesus, zu entdecken und zu verbessern, dann löst er sich aus seiner schützenden Umhüllung und dringt in die Seele ein zur Stärkung des Lebens.
Die Liebe spielt also eine besonders wichtige Rolle in der Entwicklung des Lebens. Es ist wohl so, dass niemand ohne Liebe ist. Jedoch wird diese zumeist verkehrt eingesetzt. Materielle Dinge wie Geld, Ruhm, leitende Position, Leidenschaften für Drogen, Trinken, Sex und übermässiges Essen sind solche Irrwege, die der Mensch bevorzugt. Diese falsch eingesetzte Liebe besetzt die ganze Seele, die doch zuständig ist, das Richtige vom Falschen zu unterscheiden um dann der Aufgabe unseres Erdenlebens zu folgen, nämlich das Gute zu wählen, damit die Seele sich befreien kann von der mit der Geburt vererbten Ursünde.

Solange die Seele sich in falscher Liebe befindet, solange besetzt diese ihre Seele und verhindert ihre wahre Aufgabe. Diese kann nicht wahrgenommen werden. Der auf der Erde lebende Mensch muss sich selbst zunächst erkennen, wie er lebt und was er falsch macht, dann mit starkem Willen sich davon befreien, sodass in seiner Seele Platz frei kommt um den richtigen, den wahren Weg zu beginnen. Der wahre Weg basiert auf der Erkenntnis, dass dieses Leben auf der Erde nicht alles ist, sondern dass das echte Leben erst danach beginnt. Erinnern wir uns, dass Gott Geist ist und er uns nach seinem Vorbild erschaffen hat – also sind auch wir als geistige Wesen erschaffen worden. Unser Leben auf der Erde in unserem materiellen Körper ist nur zeitlich und soll von uns benutzt werden durch die auf uns zukommenden Situationen und Eindrücke zu erkennen wie weit wir vom wahren Leben, nämlich dem geistigen Leben, entfernt sind. Wir müssen unseren ganzen Willen einsetzen um Stück für Stück die falsche Liebe in die wahre Liebe für Gott, der unser himmlicher Vater ist, zu verändern. Nicht umsonst nennt er uns Kinder!

Ein kleines Kind hat ein absolutes Vertrauen zu seinen Eltern, weil es weiss, dass es sich auf sie verlassen kann und dass es alles, was es zum täglichen Leben benötigt, erhält. Genauso müssen wir unser Verhältnis zum himmlichen Vater, der ja auch der heilige Gott und Schöpfer ist, sehen. Volles Vertrauen zu ihm ist besonders wichtig! Mit diesem Wissen leuchtet uns dann auch ein, dass die anderen Menschen auch Kinder von Gott sind, sie kämpfen mit den gleichen Schwierigkeiten wie wir selbst. Sie sind unsere Geschwister. Natürlich gibt es riesengrosse Unterschiede im Verhalten, Wissen und der noch nicht entwickelten wahren Liebe zum himmlichen Vater und zueinander. Aber durch den inneren Kampf ums geistige Leben werden wir zu Geduld, Demut und Sanftmut geführt. Diese Eigenschaften sind Untergruppen der Liebe. Ohne sie besteht keine Nächstenliebe!

Wir haben jetzt von der Seele gesprochen. Sie hat ihren zentralen Sitz im Herzen, von dort dehnt sie sich aus in den ganzen Körper. Daher befindet sich der wahre Weg im Herzen! Aus der Seele, die im Erdenleben das Lebenszentrum ist, muss der Unrat weggeschafft werden um dadurch den göttlichen Geist als Ziel unserer Bemühungen zu erkennen.
Jeder Mensch hat ein inneres Gefühl, war er tun sollte oder besser lassen sollte. Dieses Gefühl kommt aus dem Herzen oder auch der Seele. Wir sprechen da auch vom Gewissen. Dies ist der Einfluss des Gottesfunken. Er ist anfangs wohl verschlossen und kann nur ein schwaches Zeichen dem Menschen geben, aber je mehr die Seele von den falschen Leidenschaften befreit wird, desto deutlicher meldet sich der göttliche Geist in uns. Dies schreitet soweit voran, dass bei einer fast ganz gereinigten Seele der Mensch im Gespräch mit dem göttlichen Geist sein kann. Es versteht sich von selbst, dass diese Fragen und Antworten sich auf das ewige Sein, also auf den geistigen Bereich beziehen müssen und nicht auf materiellen Wohlstand. Als Beispiel sei die Gesundheit angeführt. Während seines Erdenlebens hat Jesus stets zunächst die Seele der Kranken geheilt, weil er wusste, dass eine gesunde, vom Unrat befreite Seele, die Basis für einen gesunden Körper ist. Wenn wir diese Erkenntnis umdrehen, sagt dies aus, dass viele Krankheiten darauf beruhen, dass die Seele des Menschen verschmutzt ist und so eine Krankheit entsteht oder nur schwer heilbar ist.

Kommen wir auf die anfangs gestellte Frage: “Wie finden wir diesen Weg?” zurück. Die Grundlage allen Lebens ist die Liebe. Der Schöpfer hat alle Wesen durch seine Liebe erschaffen. Das Wort ‘Leben’ kann daher mit dem Wort ‘Liebe’ getauscht werden. Wir müssen in uns suchen, welche Eigenschaften nicht der Liebe entsprechen und dann ausmerzen. Auf diese Weise schaffen wir in unserer Seele, im Herzen, Platz um die Stimme des Geistfunkens deutlich zu vernehmen. Liebe fragt um Vertrauen und ganz besonders zum himmlichen Vater, zu Gott. Vertrauen fragt auch darum, Gott handeln zu lassen ohne dass wir ständig als Besserwisser auftreten, indem wir den von uns gewünschten Weg vortragen.

Wohin führt der Weg? Ganz kurz geantwortet: In den Himmel! Dieser ist das geistige Reich, in dem wir für immer leben werden. Als Kinder des allmächtigen, heiligen Gottes, der für uns ein echter Vater ist, werden wir sehr viele Aufgaben erhalten, die uns weiter entwickeln werden und die uns mit viel Freude erfüllen werden. Ewige Ruhe kann nur so verstanden werden, dass wir uns innerlich nicht aufregen werden, sondern eben mit viel Ruhe unsere Entscheidungen treffen und ausführen. Ruhe als Faulheit gibt es “drüben ” nicht!
Liebe und Vertrauen zu Jesus ist der wahre Weg, der uns zum lebendigen Himmel führt!

=================

G.K. Holderer – 06.2017

De levensbasis van de mens – G.K. Holderer

De levensbasis van de mens
– G.K. Holderer –

Sinds wanneer leven er mensen op de aarde en hoe zijn ze ontstaan? Allereerst moeten wij weten dat achter al het leven een schepper staat en dat hij zijn schepselen in een volkomen orde en ook volgorde liet ontstaan en groeien. Wij willen ons in deze tekst tot de materiele wereld en in het bijzonder tot onze aarde beperken.

Wij weten van de veelvoudige tijdperken zoals de ijstijd en de steentijd. In ieder van hen moest de aardoppervlakte zo veranderd worden dat een steeds hoger leven door het bijbehorende groeiproces – in begin van planten – mogelijk werd. Vervolgens gold hetzelfde bij het schapen van bepaalde grote dieren die de grond bemestten en daardoor verbeterden. Het hoogste levend wezen is de mens. Voor hem werd de materiele wereld voorbereid en opgebouwd.

Voordat wij de mens nader bekijken, is het nodig eerst een blik te werpen op planten en dieren. Allebei bestaan ze uit een zichtbaar lichaam en een innerlijke ziel. Het leven van hen bevindt zich in de ziel. Die houdt het materiele lichaam in leven. Scheidt zich de ziel van het lichaam, dan is het leven in de plant en het dier verdwenen. De zielen zijn met een instinkt voorzien, afgestemd op de aard van plant of dier. Bij een zoogdier zoals een rund of een tijger, is het instinkt het hoogst gevormd. Maar dieren hebben geen geest. Die is alleen in de mens!

In de bijbel lezen wij dat God met Adam de eerste mens heeft geschapen en dat was voor minder dan 7000 jaar. Maar de archeologen hebben skeletten gevonden, die meer dan 50 000 jaar oud moeten zijn. Het verschil kan makkelijk uitgelegd worden: in verloop van de ontwikkeling van een plant tot een dier en uiteindelijk tot de mens was het noodzakelijk een voorloper van de geestelijke mens te hebben. Hiertoe horen de gevonden skeletten. Deze vroege mensen hadden alleen een lichaam en een ziel met een instinkt en dat zonder geest. Je zou deze voormensen ook als diermensen kunnen benoemen.

De eerste mensen met geest, ziel en lichaam zijn in der daad degenen, die in de bijbel als Adam en Eva beschreven worden. Geest mag natuurlijk niet met verstand verwisseld worden. De apostel Johannes zegt het duidelijk met de woorden dat God geest is en Mozes zegt nog, dat wij naar het voorbeeld van God geschapen zijn, dat betekend dat wij van begin aan geestmensen waren en nog zijn.

God de schepper en Vader van de mensen heeft de mens echt niet voor een kort leven op aarde geschapen, maar voor een eeuwig geestelijk leven, dat na het aardse begint. Om ons mensen en kinderen van God een leven op aarde mogelijk te maken, waar de geestelijke voorwaarden geleerd kunnen worden, was deze eindeloze voorbereiding van de materiele aarde nodig.

Er komen nu vragen naar voren, zo als: waarom is het aardse leven zo moeizaam om ons bekwaam te maken voor het geestelijke rijk en de hemel? Wij kennen de val van Lucifer, die het aardse leven door zijn ongehoorzaamheid tegenover de schepper nodig maakte. Zonder zijn val zou dat alles niet nodig gewest zijn.

Komen wij nu tot Adam en Eva, de eerste mensen met een van God gegeven geest. De geest gaf hen een directe verbinding met God, de schepper. Hun zielen hadden niet meer een instinkt zoals hun voorlopers maar een verstand. Daardoor konden zij de op hun afkomende situaties beoordelen en op de juiste manier handelen. Omdat zij de eerste mensen op die basis waren, hadden hun zielen geen geërfde slechte eigenschappen. Het was alleen nodig in hun leven naar de innerlijke geest te luisteren en al gauw zou alles volgens de goddelijke orde gedaan werden.

Hun geest was zo sterk met hun ziel verbonden dat zij een onmiddelbare kennis over planten en dieren hadden, b.v. waarom er deze bestaan: planten en fruit om te eten, dieren als steun voor de mens. Ook tijger en leeuwen waren aan de sterke wil van de mens onderdaan. Zij waren tam tegenover de mens. Dat is het, wat het paradijs genoemd werd. Het paradijs is immers een innerlijke instelling en kracht van de mens, die zich naar buiten toe op zijn omgeving bekend maakt.

Op orde achten betekend gehoorzaam zijn! Maar precies daarin werden Adam en Eva zwak. Het wonderbare paradijs was niet genoeg voor hen. Zij vergaten dat zij nog in een proeftijd stonden die hun zielen moest vestigen, om nooit meer tegen Gods orde te zondigen en altijd zijn orde als het beste te erkennen en daarna te handelen. Dat lukte hen niet! Zij werden ongehoorzaam met het gevolg dat hun zoon Kaïn geboren werd.

Hun ongehoorzaamheid moest hun zoon Kaïn erven en dat met verschrikkelijke gevolgen. Als zij binnen de goddelijke orde gebleven zouden zijn, dan zouden zij door God gezegend zijn, dat een voortdurende stabiliteit van de gehoorzaamheid en het begrijpen van de goddelijke orde gebracht zou hebben. Alle later door Adam en Eva geboren kinderen zouden zonder negatieve eigen-schappen gebleven zijn en dat zou ook voor alle verdere nakomelingen gegolden hebben. De soevereiniteit van de mens op al het leven op aarde zou gebleven zijn, het paradijs zou ook voor ons nog aanwezig zijn.

Maar door de geboorte van Kaïn werd alles anders – het paradijs was er niet meer. Alle mensen waren de steeds stijgende slechte eigenschappen onderworpen. Iedereen erfde deze van zijn ouders. Ongehoorzaam zijn leidt tot hoogmoed en egoïsme. In deze beide negatieve eigenschappen zijn alle verdere zonden ingesloten.

Het ergste is, dat de mens na zijn afleven op aarde niet direct in de geestelijke hemel kon komen, omdat hij niet rein was. In het hiernamaals moest het proces van reiniging doorgaan en ook de zege over Lucifer was er nog niet. Daarom kon nog niemand in de hoogste hemel opgenomen worden. Eerst moest iemand op aarde een totaal zuiver leven leiden, dat helemaal op gehoorzaamheid in God gericht was!

De verkeerde houding van onze stamouders is gebaseerd op de vrijheid van de wil die ieder mens moet hebben. Een dwang, die God de mensen zou opgelegd hebben, zou ons tot robots gemaakt hebben, die niet anders konden reageren als een voorgeprogrammeerde automaat. Dat zouden geen kinderen van God zijn. Maar met de gegeven vrijheid is een diepe val maar ook het bereiken van een grote hoogte mogelijk.

Door de verkeerde houding van Adam en Eva besloot de liefde van God zelf als een mens te leven om de nog ontbrekende overwinning over Lucifer te volbrengen. Jezus van Nazareth was deze mensenzoon. Zijn ziel en zijn lichaam waren zoals bij ieder mens, terwijl zijn geest de goddelijke geest zelf was. Ziel en lichaam moest hij aan de geest onderschikken om het gebod van de absolute gehoorzaamheid te bereiken. Wanneer wij hierbij aan ons zelf denken, dan weten wij, hoe moeilijk dit ondernemen is. Zijn grote deemoed verklaart ons, waarom hij ook nog zijn dood aan het kruis op zich nam. De mensen – met de druk van Lucifer op de achtergrond – wilden hem doden. Daarom nam hij de van hen gevorderde gewelddadige dood aan.

Gehoorzaamheid en deemoed liggen dicht bij elkaar. Door het deemoedige aannemen van deze goddelijke opgave nam ook de liefde in Jezus toe, namelijk voor de hemelse Vader en ook voor zijn medemensen. Alleen daardoor kon hij zijn geweldige opgave volbrengen.

Jezus verloste na zijn dood in het hiernamaals vele zielen en na zijn opstanding verscheen hij aan zijn gelovigen (voor Pinksteren), voordat hij direct in de hemel opsteeg om zich voor altijd met de Godsgeest te verenigen. Als wij hem zullen zien, dan kijken wij direct in het aangezicht van God, die vervolgens een zichtbare Vader werd.

De verlossende kracht die door zijn daad vrij werd, heeft hij onmiddelbaar aan zijn discipelen op Pinksteren doorgegeven. Maar ook wij mensen, die sinds die tijd geboren werden, hebben in zich vanaf de geboorte die kern van de verlossende kracht. Maar het zal niet juist zijn er van uit te gaan, dat wij door zijn verlossingsdaad vrij van schulden zijn. Jezus heeft wel de weg naar de hemel vrij gemaakt, hij heeft een brug daar naartoe gebouwd. Wij mogen hem op zijn pad volgen en zullen dan ook de hemel bereiken. Jezus heeft niet voor niets gezegd: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven! Niemand komt tot de Vader dan alleen door mij.”

Wij moeten in zijn waarheid leven en dat is de liefde tot de hemelse Vader en tot onze medemensen. De verantwoording ligt bij ons zelf. Zonder dat wij zelf in de liefde werkzaam worden, kunnen wij de ware weg tot het leven niet vinden. De barmhartigheid van de hemelse Vader geeft ons hulp bij het zoeken van de weg.

=====================

G.K. Holderer, maart 2017.

Die Lebensbasis des Menschen – G.K. Holderer

Die Lebensbasis des Menschen
– G.K.Holderer –

Seit wann gibt es Menschen auf der Erde und wie wurden sie erschaffen? Zuerst sollten wir wissen, dass hinter allem Leben ein Schöpfer steht und dass dieser in einer vollkommenen Ordnung und Reihenfolge seine Geschöpfe entstehen und wachsen lässt. Wir beschränken uns hier auf die materielle Welt und da im besonderen auf unsere Erde.

Wir kennen die vielfältigen Epochen wie z.B. Eiszeit oder Steinzeit. In jeder dieser Epochen gab es ein bestimmtes Ziel des Wachstums, beispielsweise musste der Erdboden so verändert werden, dass ein Wachstum von Pflanzen möglich wurde. Danach galt dasselbe für das Erschaffen von bestimmten Tieren, die nach ihrem Tod wieder den Boden düngten und so verbesserten. Das höchste Lebewesen ist der Mensch. Für ihn wurde die materielle Welt vorbereitet.

Bevor wir zum Menschen kommen, müssen wir einen Blick auf die Beschaffenheit einer Pflanze oder eines Tieres werfen. Beide bestehen aus der sichtbaren Materie und einer innerlichen Seele. Das Leben befindet sich in der Seele. Diese hält den materiellen Körper am Leben. Trennt sich die Seele vom Körper, dann ist das Leben der Pflanze oder des Tieres erloschen. Ihre Seelen sind mit einem Instinkt ausgerüstet, je nach Art des Lebewesens. Bei Säugetieren wie Rind oder Tiger ist der Instinkt am höchsten ausgebildet. Aber Tiere haben keinen Geist. Dies ist dem Menschen vorbehalten.

In der Bibel lesen wir, dass Gott mit Adam den ersten Menschen erschaffen hat und das vor weniger als 7000 Jahren. Nun haben die Archäologen aber Skelette gefunden, die mindestens 50 000 Jahre alt sein müssen. Das kann aber sehr leicht aufgeklärt werden. Im Rahmen der Entwicklung war es zunächst nötig einen Vorläufer des geistigen Menschen zu erschaffen. Da gehören die gefundenen alten Skelette dazu. Diese Menschen hatten wie die höchst entwickelten Tiere lediglich ihren Körper und eine Seele mit Instinkt. Man könnte diese frühen Menschen auch als Tiermenschen bezeichnen.

Die ersten Menschen mit Geist, Seele und Körper sind also tatsächlich diejenigen, die in der Bibel als Adam und Eva beschrieben stehen. Der Geist darf natürlich nicht mit dem Verstand verwechselt werden. Der Apostel Johannes erklärte es deutlich, als er sagte, dass Gott Geist ist und Moses sagte, dass wir nach dem Vorbild Gottes erschaffen sind, also sind auch wir in erster Linie geistige Wesen..

Gott, der Schöpfer und Vater der Menschen hat die Menschen ja nicht für ein kurzes Leben auf der Erde erschaffen, sondern für ein geistiges ewiges Leben, das erst nach dem Erdendasein beginnt. Um nun die Menschen und werdenden Kinder Gottes ein Leben auf der Erde zu ermöglichen, in dem die geistigen Voraussetzungen erlernt werden können, war die endlos lange Vorbereitung der materiellen Erde notwendig.

Es tauchen nun Fragen auf, z.B. warum ist das Erdenleben so mühsam um geistig zu wachsen, damit wir für das geistige Reich und Himmel fähig sind! Dass das Erdenleben erst nötig wurde, wissen wir durch den Fall Luzifers, der durch Ungehorsam gegenüber dem Schöpfer entstand.

Kommen wir jetzt zu Adam und Eva zurück, den ersten Menschen mit einem von Gott gegebenen Geist. Der Geist gab ihnen die direkte Verbindung zu Gott, dem Schöpfer und ihre Seelen hatten nicht mehr den Instinkt ihrer Vorläufer, sondern Verstand und Vernunft. Dadurch konnten sie die auf sie zukommenden Situationen beurteilen und richtig entscheiden. Da sie die ersten Menschen auf dieser Basis waren, hatten ihre Seelen keine vererbten schlechte Eigenschaften. Es war in ihrem Leben lediglich notwendig auf den inneren Geist zu hören und schon wäre alles nach der göttlichen Ordnung durchzuführen gewesen.

Ihr Geist war so stark mit ihrer Seele verbunden, dass sie unmittelbar Kenntnisse von Pflanzen und Tiere erhielten, warum diese vorhanden sind. Pflanzen und Früchte zum Geniessen, Tiere als Unterstützung des Menschen. Selbst Tiger und Löwen waren diesem starken geistigen Willen der ersten Menschen unterlegen. Sie verhielten sich ihnen gegenüber zahm. Das ist es, was als Paradies beschrieben steht. Das Paradies ist also eine innere Einstellung des Menschen, die sich nach aussen auf seine Umgebung auswirkt.

Auf Ordung zu achten, heisst gehorsam zu sein. Aber genau da wurden Adam und Eva schwach! Sie begnügten sich nicht mit ihrem wunderbaren Paradies. Sie bedachten nicht, dass sie noch in einem Probezustand waren, der ihre Seelen festigen sollte um niemals mehr gegen Gottes Ordnung zu sündigen und stets seine Ordung als die beste anzuerkennen und danach zu handeln. Das gelang ihnen nicht! Sie wurden ungehorsam mit der Folge, dass Kain geboren wurde!

Ihre Ungehorsamkeit musste sich nun auf ihren Sohn Kain vererben und das mit verheerenden Folgen. Wären sie innerhalb der Ordnung Gottes gehorsam geblieben, dann wären sie von Gott gesegnet worden, was eine dauernde Stabilität des Gehorsams und Verständnisses der göttlichen Ordnung gebracht hätte. Alle daraufhin geborene Kinder von Adam und Eva wären so ebenfalls ohne negative Eigenschaften gewesen und das hätte ebenfalls für alle Nachkommen gegolten. Die Oberhoheit des Menschen auf alles Leben auf der Erde wäre geblieben, das Paradies wäre auch für uns noch anwesend.

Aber mit der Geburt Kains wurde alles anders – das Paradies gab es nicht mehr. Alle Menschen unterlagen den sich steigernden schlechten Eigenschaften. Jeder erbte diese von seinen Eltern. Ungehorsam führte zu Hochmut und Egoismus. In diesen beiden negativen Eigenschaften sind alle andere Sünden enthalten.

Das schlimmste dabei ist, dass der Mensch nach seinem Ableben auf der Erde nicht sofort in den geistigen Himmel kommen konnte, da er nicht rein war. Jenseits musste ein Reinigungsprozess fortgesetzt werden und der Sieg über Luzifer war noch nicht errungen. Darum konnte niemand in den höchsten Himmel aufgenommen werden. Jemand musste auf der Erde ein völlig reines Leben führen, das ganz dem Gehorsam zu Gott gewidmet war!

Das Fehlverhalten unserer Stammeltern Adam und Eva ist zurückzuführen auf die Willensfreiheit, die der Mensch haben muss. Ein auferlegter Zwang von Seiten Gottes hätte uns zu Robotern gemacht, die nicht anders als Vorprogrammierte hätten reagieren können. Das wären keine Kinder Gottes geworden. Mit der gegebenen Freiheit ist aber ein tiefes Fallen und ein höchstes Steigen möglich.

Durch das Fehlverhalten Adams und Evas entschied sich die Liebe Gottes selbst als Mensch zu leben, um den fehlenden Sieg über Luzifer zu erringen. Jesus von Nazareth war dieser Menschensohn. Seine Seele und sein Körper waren wie bei jedem Menschen, während sein Geist der göttliche Geist selbst war. Seele und Körper musste Jesus nun dem Geist unterstellen, um dem Gebot der absoluten Gehorsamkeit folgen zu können. Wenn wir dabei an uns denken, dann wissen wir, wie schwer diese Aufgabe war. Seine Demut erklärt uns, warum er sogar den Tod am Kreuz auf sich nahm. Die Menschen – mit dem Drängen Luzifers im Hintergrund – wollten seinen Tod. Er nahm den von ihnen geforderten gewaltsamen Tod an.

Gehorsamkeit ist mit Demut eng verbunden. Durch die demütige Annahme dieser göttlichen Aufgabe, nahm die Liebe Gottes in Jesus zu, aber nicht nur bei ihm sondern auch in uns Menschen, seinen Kindern. Nur so konnte Jesus diese Aufgabe bewältigen.

Jesus erlöste nach seinem Tod im Jenseits viele Seelen und nach seiner Zeit des Erscheinens bei den Gläubigen (vor Pfingsten) stieg er direkt in den Himmel auf, wo er sich für immer mit dem Gottesgeist verband. Wenn wir ihn sehen werden, dann sehen wir direkt in das Angesicht Gottes, des nun sichtbar gewordenen himmlichen Vaters.

Die erlösende Kraft, die durch seine Tat frei wurde, hat er dann sofort auf seine Jünger an Pfingsten weitergegeben. Aber auch wir Menschen, die seither geboren wurden, haben in sich diesen Kern der Erlöserkraft von Geburt an erhalten. Es ist nun aber falsch davon auszugehen, dass wir durch seine Erlösung frei von Schulden sind. Jesus hat den Weg zum Himmel freigemacht, er hat eine Brücke gebaut. Wir dürfen ihm auf seinem Weg folgen und erreichen dann ebenfalls den Himmel. Nicht umsonst sagte er: “Ich bin der Weg, die Wahrheit und das Leben, niemand kommt zum Vater ( Himmel ) denn durch mich!”

Wir müssen in seiner Wahrheit leben und dies ist die Liebe zum himmlichen Vater und zu unseren Mitmenschen. Die Verantwortung liegt bei uns selbst. Ohne selbst tätig zu werden, können wir den wahren Weg zum Leben nicht finden. Die Barmherzigkeit des himmlichen Vaters hilft uns bei der Suche!

==================

G.K. Holderer,  März 2017

Het machtscentrum van God – G.K. Holderer

Het machtscentrum van God
– G.K. Holderer –

Van Johannes, de discipel van Jezus, weten wij dat Jezus vaak gezegd heeft dat God geest is. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Geest is een zeer hoge vorm van energie, die zich als leven manifesteert. Deze goddelijke geest is overal aanwezig in de grote oneindigheid van de ruimte. Daarom bestaat er geen enkele plaats waar zijn aanwezigheid niet voorkomt. Deze alomvattende geest heeft ook een machtscentrum van waaruit alles wordt bestuurd. Dit machtscentrum is niets anders dan zijn liefde! En het is haast onvoorstelbaar, maar – deze liefde is onze Vader! Want zij heeft alle levende wezen uit zichzelf geplaatst en de mogelijkheid gegeven zich te ontwikkelen. Daarom is de liefde de Vader van ons mensen.

Zoals in God de Geest het leven bezit, zo is dat ook bij ons mensen het geval. Onze innerlijke geest is ons leven. Maar het lichaam is ons voor een beperkte tijd gegeven en wordt door zijn geest in leven gehouden. De ziel, die de verbindende schakel is tussen geest en lichaam, behoort eigenlijk tot de geest. Zij is nog onrein en bezit zowel goede maar ook vele slechte eigenschappen. Daarom is onze ziel bij de geboorte nog gescheiden van onze geest. Het is haar taak die oorspronkelijke vaste verbinding met haar geest weer te herstellen. Hiervoor dienen de uiterlijke gebeurtenissen en situaties, die op de mens af komen en op hem inwerken.

In het besef dat wij zelf onze geest zijn en dat ons lichaam maar een tijdelijke gave is, zal en moet men zijn bestaan op aarde op een serieuzere manier vorm geven dan door alleen maar uiterlijke lusten en verlokkingen te volgen. Deze zijn namelijk alleen toegelaten door God, onze Vader, om ons mensen erop opmerkzaam te maken dat deze negatieve eigenschappen moeten worden overwonnen, omdat zij ons prikkelen om eraan toe te geven.

Laten wij onze aandacht nu richten op de liefde van de hemelse Vader, die het machtscentrum van de Godheid is. Zij heeft ons als Jezus in zijn leven op aarde meegedeeld dat wij haar kinderen zijn, omdat zij immers de Vader is. Eens zullen wij in dit machtscentrum, dat de liefde is, worden opgenomen. Iedereen kan zich er een voorstelling van maken wat dit allemaal voor groots betekent. Maar we mogen niet vergeten dat wij geschapen wezens zijn, die God, die ongeschapen is, nooit kunnen benaderen. Dat was de fout van Lucifer, die van mening was dat hij gelijkwaardig was geworden aan God.

Voorlopig zijn wij kleine mensen, die dagelijks, soms zelfs elk uur, voor taken worden gesteld die een nauwe verbinding met Jezus noodzakelijk maakt om ze liefdevol uit te voeren. Als Gods kinderen in wording hebben wij een opvoeding in een vrije meningsvorming nodig en de vaste wil om de juiste, op de geest gerichte, beslissing te nemen. Desondanks zouden wij ons doel niet bereiken als de Vader ons niet de helpende hand zou reiken. In de praktijk is zijn hulp aanwezig in het hart, aanvankelijk via het geweten en later in de vorm van duidelijke aanwijzingen in ons gedachtenleven, die de juiste weg laten zien.

Jezus zegt ons vaak: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij!” In de mens Jezus woonde – en woont natuurlijk nog steeds – de goddelijke Geest. Daarom is hij de ware weg naar het leven! Hij heeft ons voorgeleefd dat je een zuiver, deemoedig en liefdevol leven in het lichaam kunt leiden. Hij liet zich bovendien nog kruisigen en dat gebeurde om voor ons een eeuwig leven in de geest mogelijk te maken, maar ook als een teken voor Lucifer dat hij als geschapen wezen niet over goddelijke kracht beschikte. Alleen de eeuwige liefde heeft tot nu toe verhinderd dat Lucifer de dood vond.

De afscheiding van God veroorzaakt dat men van goddelijke levensenergie verstoken blijft. Waar deze voeding ontbreekt, vindt een dergelijk geschapen wezen onherroepelijk de dood. God als de liefde en vandaar ook als Vader houdt van al zijn schepselen en zal allen weer op de juiste weg leiden opdat zij eens in zijn geestelijk rijk aankomen. Tijd speelt daarbij geen rol; belangrijk is alleen het doel. Voor het terugbrengen van de gevallen wezens heeft God het tijdelijke leven in de materie geschapen, zodat elk men de kennis kan verzamelen die hem duidelijk maakt wat de zin van het aardse leven is. Jezus heeft dat in deze bewoordingen samengevat: “Heb God boven alles lief en je naaste als jezelf!” Wij allen zijn op weg naar het hemelrijk. Maar doordat de gaven en eigenschappen verschillend over de mensen zijn verdeeld, moeten wij respect hebben voor alle medemensen, want iedereen moet een iets  andere ontwikkeling volgen. Het doel is echter hetzelfde!

 G.K. Holderer, februari 2017.

====================

Das Machtzentrum Gottes – G.K. Holderer

Das Machtzentrum Gottes
– G.K. Holderer –

Von Johannes, dem Jünger Jesu, wissen wir, dass Jesus mehrfach gesagt hat, dass Gott Geist ist. Was müssen wir uns darunter vorstellen? Geist ist eine sehr hohe Energieform, die sich in Leben ausdrückt. Dieser göttliche Geist ist in der großen Unendlichkeit des Raumes überall ausgebreitet. Es gibt daher keinen Platz, an dem seine Anwesenheit nicht vorhanden ist. Dieser allumfassende Geist hat aber auch ein Machtzentrum, das alles steuert. Dieses Machtzentrum ist nichts anderes als seine Liebe! Und beinahe unvorstellbar – diese Liebe ist unser Vater! Denn sie hat alle lebende Wesen aus sich gestellt und zur Entwicklung freigegeben. Daher ist die Liebe der Vater von uns Menschen.

So wie in Gott der Geist das Leben in sich hat, so ist das auch bei uns Menschen. Unser innerlicher Geist ist unser Leben. Der Körper dagegen ist uns nur zeitlich gegeben und wird durch seinen Geist am Leben gehalten. Die Seele, die zwischen Geist und Körper angeordnet ist, gehört eigentlich zum Geist. Sie ist aber noch unrein und sowohl mit guten, aber auch mit vielen schlechten Eigenschaften versehen. Daher ist unsere Seele bei unserer Geburt noch getrennt vom Geist. Ihre Aufgabe ist es, die feste Verbindung zu ihrem Geist wieder herzustellen. Dazu dienen die äusseren Ereignisse und Situationen, die auf den Menschen zukommen und einwirken.

Im Wissen, dass unser Geist wir selbst sind und dass unser Körper nur eine zeitliche Gabe ist, wird man und muss man sein Dasein auf der Erde nachdenklicher gestalten als nur den äusseren Lüsten und Verlockungen zu folgen. Sind diese ja nur zugelassen von Gott, unserem Vater, um uns Menschen darauf aufmerksam zu machen, dass diese die zu überwindenden negativen Eigenschaften sind, die uns drängen ihnen zu folgen und sie auszuführen.

Behalten wir die Liebe des himmlichen Vaters im Auge, die das Machtzentrum der Gottheit ist. Sie hat uns als Jesus in seinem Leben auf unserer Erde mitgeteilt, dass wir ihre Kinder sind, da sie ja der Vater ist. Wir werden einst in dieses Machtzentrum, das ja die Liebe ist, aufgenommen werden. Was dieses Großes bedeutet, das kann sich jeder selbst ausmalen. Nicht zu vergessen ist, dass wir geschaffene Wesen sind, die niemals Gott, den Ungeschaffenen, erreichen können. Das war der Fehler Luzifers, der meinte, Gott ebenbürtig geworden zu sein.

Vorläufig sind wir kleine Menschen, die täglich, manches Mal sogar stündlich, vor Aufgaben gestellt werden, die eine starke Verbindung mit Jesus notwendig macht um sie im Sinne der Liebe auszuführen. Als werdende Kinder Gottes benötigen wir die Erziehung in der freien Meinungsbildung und einen festen Willen um die richtige auf den Geist gerichtete Entscheidung zu fällen. Trotzdem würden wir das Ziel nicht erreichen, wenn nicht die helfende Hand des Vaters uns unterstützen würde. In der Praxis ist seine Hilfe im Herzen anwesend, die uns anfangs als Gewissen und später in deutlichen Gedankenhinweisen den richtigen Weg zeigt.

Jesus sagt uns mehrfach: “Ich bin der Weg, die Wahrheit und das Leben. Niemand kommt zum Vater, denn durch mich!” Im Menschen Jesus wohnte und wohnt natürlich noch immer der Gottesgeist. Darum ist er der wahre Weg zum Leben! Er hat es uns vorgemacht, dass man ein reines, demütiges und liebevolles Leben im Körper ausführen kann. Dass er sich darüberhinaus noch hat kreuzigen lassen, geschah für uns für ein ewiges Leben im Geist, aber auch als Zeichen für Luzifer, dass dieser als geschaffenes Wesen eben keine Gotteskraft besitzt. Nur die ewige Liebe hat es bisher verhindert, dass er nicht seinen Tod fand.

Die Trennung von Gott bewirkt, dass keine göttliche Lebensenergie fliesst. Wo dieser Zufluss fehlt, da findet solch ein geschaffenes Wesen unweigelich den Tod. Gott als die Liebe und daher als Vater liebt aber alle seine Geschöpfe und wird alle wieder auf den richtigen Weg leiten, damit sie einst in seinem geistigen Reich ankommen. Zeit dafür spielt keine Rolle, nur das Ziel. Für die Rückführung der gefallenen Wesen hat Gott das zeitweise Leben in der Materie geschaffen, so dass jeder Mensch Erkenntnisse sammeln kann, die ihm den Sinn seines Erdendaseins klar machen. Jesus hat dies in seinem Satz zusammengefasst: “Liebe Gott über alles und deinen Nächsten so wie dich selbst!” Wir alle sind auf dem Weg zum Himmelreich. Durch die unterschiedliche Gabe der Eigenschaften müssen wir Respekt gegenüber allen Mitmenschen haben, denn jeder hat eine etwas andere Entwicklung vor sich. Das Ziel aber ist dasselbe!

G.K. Holderer, Februar 2017. 

=====================

 

Programma symposium over ufo’s en buitenaards leven op 6 mei 2017

Symposium over ufo’s en buitenaards leven op 6 mei 2017 in Wouterswoude

In verschillende boeken van Jakob Lorber en Emanuel Swedenborg worden de bewoners van andere werelden beschreven. Daaruit kunnen we opmaken dat we niet alleen zijn in het heelal. Op een enorm groot aantal werelden heeft zich leven gevormd en wonen menselijke wezens die qua lichaamsbouw op ons lijken.
Het is alleszins de moeite waard om deze openbaringen te vergelijken met de enorme hoeveelheid documentatiemateriaal die door ufologen is verzameld. Wat kunnen we op grond van al deze verslagen zeggen over de technologie en het karakter van deze andere beschavingen? Hoe ziet een interstellaire samenleving eruit?

Om wat meer zicht te krijgen op deze boeiende materie heb ik in samenwerking met Stichting Wijzer uit Dokkum een symposium over dit onderwerp georganiseerd. Dat zal plaats vinden op zaterdag 6 mei a.s. van 11.00 – 16.30 uur in gebouw “De Nije Warf”, Foarwei 31-a in Wouterswoude (Friesland). Hieronder tref je het volledige programma van dit symposium aan, gevolgd door gegevens over de sprekers die op die dag het woord zullen voeren.
_______________________________________________________________________________________________________

PROGRAMMA UFO-SYMPOSIUM OP 6 MEI 2017.
11.00 – 12.15 uur: lezing door Anton Teuben over “Buitenaards contact in Nederland”.

Als kind was Anton Teuben al geïnteresseerd in de lucht- en ruimtevaart en hij is nu al 31 jaar meldpunt voor vreemde objecten en ervaringen. Hij beschrijft deze dag wat hij heeft ontdekt o.a. in Nederland, Duitsland en Rusland. Duizenden mensen uit alle lagen van de bevolking hebben de afgelopen tientallen jaren hun verhalen in vertrouwen aan Anton verteld. Hij heeft geen enkele twijfel en weet dat er daadwerkelijk altijd al contact is geweest. De meeste mensen kennen inmiddels de rol van de gecontroleerde media en dat dit universele contact mondjesmaat bekend wordt gemaakt. Hij heeft zich jarenlang kunnen verdiepen in de vele dimensies/realiteiten en de technologie en de intenties van onze universele bezoekers en zal daar op 6 mei uitleg over geven. Al in 2002 maakten wij onze bevindingen en opgedane universele kennis al publiekelijk en hebben daarmee miljoenen mensen wereldwijd bereikt. Met name het besef hoe we zelf functioneren en de mogelijkheden door het integreren van de Schumann resonantie (trillingsfrequentie van de aarde) zijn de belangrijkste ingrediënten en de sleutel om het universum te bevatten. Het draait om jouw intentie want… universe is magic and love is the key.

Kijk voor meer informatie op www.antonteuben.nl

13.15 – 14.30 uur: lezing door Piet Smolders over “Buitenaards leven”.

Bezoek uit de ruimte. Hebben we dat ooit gehad of hebben we het misschien nog? Piet Smolders boog zich over die vraag, nadat hij jarenlang als ruimtevaartjournalist en als hoofd van het Artis Planetarium de kwestie had afgewimpeld zonder zich er serieus in verdiept te hebben.

Rond 2005 deed hij dat wel en kwam hij tot een onverwachte conclusie in zijn boek “ET- Geen mythe maar werkelijkheid”. Want er is wel degelijk wat aan de hand vindt hij. Veel UFO’s zijn verklaarbare (natuur)verschijnselen. Maar juist de meest nauwkeurige waarnemingen, vaak verricht door goed opgeleide en nuchtere mensen, wijzen erop dat UFO’s concrete vervoermiddelen zijn. Het zijn deze degelijke observaties die de officiële instanties onverbiddelijk naar de prullenbak verwijzen, voorzien van het etiket “onverklaarbaar”. En dat terwijl juist die nader zouden moeten worden bestudeerd!

Gelukkig lijkt het er nu op dat enkele wetenschappers geneigd zijn zich in buitenaards bezoek te verdiepen. Het heelal barst waarschijnlijk van leven, daar is bijna iedereen het wel over eens. Is het dan onlogisch dat we bij tijd en wijle bezoek krijgen?

Piet Smolders was al bezig met ruimtevaart toen die nog niet bestond. Al meer dan vijftig jaar praat en schrijft hij erover. Hij produceerde duizenden artikelen voor kranten en tijdschriften in binnen- en buitenland en schreef meer dan vijftig boeken over ruimtevaart en sterrenkunde. Zijn vijftigste boek verscheen in 2007, het jaar waarin de ruimtevaart vijftig werd. Smolders maakte ook tientallen documentaires voor de televisie en werkte mee aan talloze radioprogramma’s.

Intussen was hij als het even kon ook nog overal present waar ruimtevaart wordt bedreven. Hij was vele malen op het Kennedy Space Center (onder andere bij de start van de laatste Apollo naar de maan en bij shuttle-lanceringen) en op Baikonoer, onder meer bij het vertrek van een Belgische en een Nederlandse ruimtevaarder.

Smolders, die ook nog vijftien jaar Hoofd van het Artis Planetarium in Amsterdam was, leerde ooit Russisch als Officier bij de Militaire Inlichtingen Dienst (MID). Hij werd onderscheiden met de Simon Stevin kijker en de Gagarin medaille van de Russische ruimtevaartfederatie. Hij is lid van de Russische Ruimtevaart Academie en erelid van de Nederlandse Vereniging voor Ruimtevaart. In 2007 werd door de Internationale Astronomische Unie een planetoïde tussen Mars en Jupiter naar hem vernoemd.

Piet Smolders werd geboren op 28 december 1940 in Geldrop. Hij en zijn vrouw Ljoedmila hebben vier kinderen en twee kleinkinderen. Smolders schildert ook: thema’s uit de ruimtevaart, landschappen, portretten en stillevens.

Kijk voor meer informatie op: http://www.smoldersonline.nl/

15.00 – 16.30 uur: mogelijkheid voor bezoekers om eigen ufo-ervaringen voor te leggen aan de sprekers.

Na de theepauze begint om ca. 15.00 uur het derde programma-onderdeel. We stellen ons voor dat de bezoekers daarbij hun eigen ufo-ervaringen vertellen en in een informele sfeer met de sprekers in discussie gaan over allerlei onderwerpen die direct en indirect met het thema van het symposium verband houden. Veel mensen hebben al eens een ufo gezien en willen graag hun verhaal daarover kwijt.

Opgave en reservering voor 6 mei.
Het is slim om vooraf geld over te maken, omdat je dan 5 Euro korting krijgt op de toegangsprijs. Kaarten aan de zaal kosten namelijk 20 euro. Is het verschuldigde bedrag echter vòòr 6 mei bij ons binnen, dan gaat daar 5 euro af en betaal je slechts 15 euro per persoon.
Je kunt het bedrag overmaken op bankrekening NL41 RABO 0362 2353 41 t.n.v. Stichting Wijzer te Dokkum. Bij voorbaat onze hartelijke dank!
_______________________________________________________________________________________________________

Hieronder zie je de sprekers op 6 mei en de locatie “De Nije Warf” in Wouterswoude.

anton-teuben

pieteindhoven08092013park

de-nije-warf