Alle berichten van Hendrik

Drie zwakke pijlers van het atheïsme

DRIE ZWAKKE PIJLERS VAN HET ATHEÏSME
– Hendrik Klaassens –

Creación_de_Adán_(Miguel_Ángel)

DE EVOLUTIELEER
Darwin is de God waarin de biologen lange tijd hebben geloofd. Wat hij had geschreven over de ontwikkeling van de soorten werd in hun kringen beschouwd als vaststaand en absoluut waar. Sprak je hem toch tegen, dan stond je bloot aan ridiculisering en uitsluiting uit de kringen van wetenschappers. Erger nog: je werd dan al snel gerekend tot het kamp van de creationisten. Dat zijn de mensen die geloven dat de wereld door goddelijk ingrijpen is ontstaan. En met dergelijke Neanderthalers willen lieden die zich als ‘echte wetenschappers’ beschouwen natuurlijk niets te maken hebben.

Volgens Darwin zou de evolutie zijn verlopen via allerlei tussenvormen. In de korte periode die verstreek tussen het voorkomen van twee verschillende soorten zou de natuur alvast een aanloopje hebben genomen naar de volgende étappe door een beter aangepast exemplaar te ontwikkelen, dat al snel weer uitsterft als de nieuwe soort zijn definitieve vorm heeft gevonden.
Pijnlijk voor de adepten van deze theorie is dat men vrijwel nooit een dergelijke tussenvorm heeft kunnen vinden. Daarom hebben veel paleontologen en andere wetenschappers het klassieke model voor de ontwikkeling van de soorten losgelaten. De decennialange speurtocht naar deze rare snuiters in de natuur heeft immers niets opgeleverd.

Zo toont de geoloog professor Salomon Kroonenberg in zijn boek “De menselijke maat – de aarde over tienduizend jaar” glashelder aan dat het hele idee van de klassieke evolutie een mythe, een idée fixe is. Volgens hem is er zelden sprake van een geleidelijke ontwikkeling. De natuur gaat veel abrupter te werk: “Nieuwe soorten verschijnen nog steeds plotseling, blijven een tijdje bestaan, om dan weer even plotseling te verdwijnen.” Wat je volgens hem in de praktijk ziet, is dat er in de natuur sprake is van ‘punctuated equilibrium’. Daarmee bedoelt hij dat evolutie zich afspeelt in korte perioden, die worden afgewisseld door lange perioden waarin de soorten niet of nauwelijks veranderen.

Voor het atheïsme, dat uitgaat van de gedachte dat er alleen een materiële wereld bestaat, is dat op zijn zachtst gezegd een heel ongemakkelijke constatering. Als je  namelijk gelooft dat er alleen een fysieke wereld is, kun je je nog met een beetje goede wil voorstellen dat dier- en plantensoorten zich geleidelijk aanpassen aan klimaatveranderingen e.d. Dat zou een soort sluimerend, onbewust proces kunnen zijn. Veel moeilijker wordt het om het atheïstische wereldbeeld staande te houden als je moet erkennen dat nieuwe soorten plotseling – zonder kleine, tussentijdse stapjes – ontstaan. Zulke rigoureuze veranderingen roepen immers de gedachte op dat er sprake is van ingrijpen van buitenaf, vanuit een geestelijke wereld waaraan de materiële wereld ondergeschikt is – nog los van de vraag hoe dat geestelijke niveau eruit ziet.

Van geloofsijver kan Salomon Kroonenberg trouwens niet worden beticht: hij is naar eigen zeggen een overtuigd atheïst. Datzelfde geldt ook voor het merendeel van zijn collega’s. Vreemd genoeg is deze evolutieleer nog steeds één van de belangrijkste pijlers van het atheïsme. Het behoeft nauwelijks betoog dat deze theorie, waarvan de onhoudbaarheid ook om andere redenen is aangetoond, op afstand de zwakste schakel is van het atheïstische gedachtegoed. Er zijn echter wel meer atheïstische aannames die op zijn zachtst gezegd nogal aanvechtbaar zijn.

HET ONTSTAAN VAN DE GODEN
Zo worden goden in atheïstische kringen beschouwd als de denkbeeldige machten die de primitieve mens zichzelf schiep om de wereld en alles wat hij niet begreep te kunnen verklaren. Met andere woorden: hij had goden nodig om de lacunes in zijn kennis op te vullen. Op die manier werd een grillige, onvoorspelbare wereld voor hem begrijpelijk en hanteerbaar. Gaandeweg schiep hij vanuit die behoefte allerlei goden die de zon, de maan, de bliksem, de seizoenen en het hemelgewelf beheersten. Zulke machtige personen kon je beter maar te vriend houden. Vandaar dat er religies ontstonden waarin men deze goden vereerde. Je wist immers maar nooit. Om zich van hun hulp te verzekeren droeg de primitieve mens amuletten, bracht hij rookoffers, murmelde gebeden tegen een heel cohort goden – bang dat hij er eentje zou vergeten – en bouwde tempels voor deze grillige machten uit de bovenwereld.

In onze tijd, zo luidt deze gedachtegang, hebben we de natuur en zijn krachten veel beter in kaart gebracht. Wat de primitieve mens niet begreep en angst inboezemde, is door verbeterde waarneeminstrumenten en natuurkundige formules inzichtelijk geworden. Langzaam maar zeker worden de goden daardoor teruggedrongen tot dàt gedeelte van de werkelijkheid dat we nog niet hebben doorgrond. En uiteindelijk, als we met onze instrumenten nog veel dieper in de werkelijkheid zijn doorgedrongen, zullen ze ook hun laatste bastions moeten prijsgeven. De goden kunnen dan in het pantheon van de geschiedenis worden bijgezet.

Bij deze opvatting kunnen nogal wat kanttekeningen worden geplaatst. Zo worden de goden meestal voorgesteld als manifestaties of personifiëringen van natuurkrachten. In veel gevallen klopt dat echter niet. Voor antieke religies en religies van natuurvolken gaat dat nog wel op, maar voor monotheïstische religies als het jodendom, het christendom en de islam – samen aangehangen door ca. 3,6 miljard mensen – is dat godsbeeld veel te beperkt. Deze religies zijn immers gebaseerd op openbaringen van een God die zich buiten tijd en ruimte bevindt, maar wel in de fysieke wereld kan ingrijpen. De koppeling tussen het goddelijke en de natuurverschijnselen is er dan niet meer, of ze is veel losser geworden.

RELIGIE EN WETENSCHAP SLUITEN ELKAAR NIET UIT
Er is een ander, nog fundamenteler bezwaar dat tegen deze opvatting kan worden ingebracht. Wie God als een soort stoplap voor de leemtes in onze kennis beschouwt, ziet helemaal over het hoofd dat er twee soorten beweringen en verklaringen van de werkelijkheid bestaan: fysische en metafysische. Daarbij zijn fysische beweringen uitspraken die empirisch toetsbaar zijn, bijvoorbeeld dat de omloopbanen van planeten ellipsvormig zijn, terwijl metafysische verklaringen niet empirisch kunnen worden getoetst, zoals de bewering dat God de wereld schiep. Omdat het hier om uitspraken gaat van een heel andere orde, kunnen ze elkaar ook niet uitsluiten. Zo kun je het ontstaan van de wereld gerust beschrijven volgens de Big Bang theorie en tegelijkertijd geloven dat God de wereld op die manier heeft laten ontstaan.

Het idee dat God op den duur door onze voortschrijdende kennis overbodig zal worden, is dan ook het gevolg van een denkfout. Bovendien zullen vragen over ziekte, hiernamaals en zingeving nooit beantwoord kunnen worden door de natuurwetenschappen.  Natuurkundigen beschrijven de werkelijkheid immers alleen maar; zij geven geen antwoord op de existentiële vragen die mensen zich altijd hebben gesteld. Om die reden denk ik dat de mens altijd religie nodig zal hebben, nog afgezien van de vraag hoe die uiteindelijke werkelijkheid, waarnaar godsdiensten verwijzen, eruit ziet.

 

‘Wat engelen vertellen over het leven na de dood’ – Roelof Tichelaar

Roelof Tichelaar, die jaren lang lezingen heeft verzorgd voor stichting Nieuwe Openbaring, heeft een nieuw boek gepubliceerd. De titel ervan is ‘Wat engelen vertellen over het leven na de dood’. Wat gebeurt er als je doodgaat en waar gaat je geest naartoe?

De inzichten in dit boek komen voort uit een reeks van geïnspireerde boodschappen vanuit Gods engelenwereld en bieden ons troost, inzicht, hoop, kracht, vertrouwen en een aanmoediging tot overgave. Centraal daarin staat onze goddelijke waarde die God in ons ziet en van waaruit we naar de dood mogen kijken.

De dood wordt verschillend belicht. Niet alleen het aardse sterven komt aan de orde, maar ook de betekenis van de geestelijke dood in relatie tot het goddelijk verlossingsplan.
De dood luidt telkens een afscheid van het oude in om het nieuwe te verwelkomen. Dat is een innerlijk proces, waarvan de aardse dood in feite een afspiegeling is.
In die zin wil de dood een aanmoediging zijn in het nu te leven en in verbinding te blijven met de hoogste bron in ons: de heilige Geest, het Christusbewustzijn of hoe we deze innerlijke goddelijke bron ook willen noemen.

Mocht u geïnteresseerd zijn: u kunt het boek rechtstreeks bij Roelof Tichelaar bestellen via info@roeloftichelaar.nl.
De prijs is € 12,- (€ 15,- incl. verzendkosten binnen Nederland).

Wat engelen vertellen

Verlossing door Jezus Christus – G.K. Holderer

Verlossing door Jezus Christus  –  G.K.Holderer

Dit onderwerp moet eigenlijk nog een tweede titel hebben, namelijk: ‘Vanaf de mens Jezus tot de hemelse Vader Jezus-Jehova’. Die tweede titel drukt uit wat gelijktijdig met de verlossing van ons mensen door Jezus gebeurt. Voordat wij dit onderwerp nader bekijken, zullen wij eerst de betekenis “mens Jezus” en “Jezus Jehova” wat verduidelijken, om te begrijpen welk verschil er tussen deze namen bestaat.

De mens Jezus werd geboren uit een jonge vrouw, namelijk Maria, en Jezus heeft daardoor een normaal lichaam zoals alle mensen. Zijn ziel is net zoals bij haast alle mensen vanuit de natuurzielenontwikkeling gevormd. Zo heeft zij ook de negatieve eigenschappen die door de val van Lucifer zijn veroorzaakt. Zijn menselijke ziel is de reden waarom Jezus in de Bijbel vaak de ‘mensenzoon’ wordt genoemd. Hij is zoals iedereen een mens. Maar nu komt een belangrijk verschil: terwijl alle mensen vanaf de tijd van Adam tot de geboorte van Jezus een door God gegeven zuivere geest – niet te verwarren met verstand – hebben ontvangen, bevindt zich in Jezus de volledige goddelijke Geest.

De benaming Jezus Jehova wordt misschien minder gebruikt, maar duidt de voor ons zichtbare hemelse Vader aan. Jehova is God, en dat sinds alle tijden. Tot de tijd van Jezus op aarde bleef God in zijn Godscentrum en was daardoor voor ons mensen niet zichtbaar. Door de opstanding, die samenhangt met de volledige vereniging van de vergeestelijkte mens Jezus met de in hem wonende goddelijke Geest, werd God voor alle mensen zichtbaar in de ‘toenmalige’ mens Jezus. Hij is onze enige zichtbare God, onze hemelse Vader Jezus Jehova.

Wij mogen de eerste jaren van Jezus beschouwen als die van elk ander kind, maar toch kwamen in deze levensfase genoeg situaties voor waarbij de goddelijke geest door het kind sprak en handelde. In de “Jeugd van Jezus” door Jakob Lorber worden wij hierover onderwezen. In die tijd leerde hij zijn pleegvader Jozef, diens zonen en natuurlijk ook zijn moeder Maria dat hij de verwachte Messias, de Christus is. Hij zei zelfs dat de in hem wonende geest God Zelf is. Het is begrijpelijk dat zijn familie daar maar moeilijk mee kon omgaan.

Van het begin af aan voelde de mens Jezus een zeer sterke drang van en naar zijn goddelijke geest. Dat zorgde ervoor dat hij de eenzaamheid opzocht om daar zijn ziel in lange meditaties dichter bij zijn geest te brengen. Tegelijkertijd werkte hij als timmerman samen met Jozef en diens zonen. Zoals eerder gezegd, was zijn ziel zoals bij alle mensen door de oerzonde van Lucifer ook met lage verlangens en onzuivere eigenschappen bevlekt. Dat moest bestreden en veranderd worden door middel van liefde. Daarvoor dienden de meditaties en gebeden in eenzaamheid, maar de werkzame uitstraling en doorgave van liefde gedurende zijn tijd als timmerman waren daarvoor ook noodzakelijk. Het innerlijke proces om zijn ziel met de Godsgeest te verenigen duurde tot zijn dertigste levensjaar. Toen was de wedergeboorte van zijn ziel met de Godsgeest een feit.

Dat vormde de basis om met zijn werkzaamheden als onderwijzer te beginnen. Nu kon de Godsgeest in de mens Jezus volkomen tot uiting komen. Het belangrijkste was de leer van de liefde, waaraan in zijn tijd – evenals in onze tijd – zo goed als geen aandacht werd geschonken. Ons leven is afhankelijk van de liefde. Daarmee wordt niet alleen het leven op aarde bedoeld, maar vooral het leven in de geestelijke wereld na de dood op aarde. Niet voor niets zei Jezus steeds weer de goddelijke woorden: “Heb God boven alles lief en je naaste zoals jezelf!” De mens Jezus die zich volledig met de Godsgeest verenigde, kon daardoor de leer door ‘zogenaamde’ wonderen bevestigen, om zijn toehoorders te bewijzen hoe machtig zijn leer van de goddelijke liefde is. Ik heb dat als ‘zogenaamd’ aangeduid, omdat de goddelijke geest in zijn almacht dingen doet die voor normale stervelingen raadselachtig zijn.

De tijd van het leren was na drie jaar ten einde gekomen. Toen kwam de belangrijkste opgave voor de mens Jezus. Hij wist dat oorspronkelijk de eerste mens die van een geest was voorzien – Adam – de opdracht had gehad om in gehoorzaamheid aan de goddelijke orde te leven. Om die reden had hij een voortdurend contact met God en was heer over de materiële aarde. Als Adam erin was geslaagd om zijn opdracht te vervullen, zouden geen negatieve eigenschappen aan zijn kinderen, kleinkinderen en uiteindelijk aan ons zijn doorgegeven. Ons leven op aarde zou dan een heel ander karakter hebben gehad. Maar Adam werd zwak en daarom was het nodig dat God zelf deze opgave in de vorm van een mens  – dat was Jezus – op zich nam.

De Geest is eeuwig, maar de materie heeft maar een korte levensduur. Als ooit een mens zuiver genoeg wilde worden om in de armen van God, onze hemelse Vader, te kunnen terugkeren, dan moest eerst de in de materie en de ziel aanwezige boosheid en de tegen het leven gerichte valsheid worden overwonnen. Deze zuivering en daarmee de overwinning op de valsheid kon alleen worden bereikt, als ziel en materieel lichaam in volledige deemoed gehoorzaam zouden zijn aan de geest. De wedergeboorte van Jezus’ ziel in zijn geest was de eerste stap van deze deemoed. Die had de Mensenzoon Jezus voor het begin van zijn leerambt bereikt.

Maar zijn lichaam was nog niet zover; ook dat moest vol deemoed aan God gehoorzaam zijn. De vleselijke verlangens in het lichaam van Jezus moesten ondergeschikt worden aan de liefde en orde van God. Dat kon alleen worden bereikt door een vernedering van het lichaam. Dat betekende het vrijwillig ondergaan van marteling en een gewelddadige dood. Een lang leven op aarde zou de materiële verlangens van zijn lichaam steeds opnieuw laten opkomen, wat geen volledige deemoed van zijn lichaam had betekend.

In de tuin van Gethsemane vocht de mens Jezus, die voor zijn laatste opgave door de Godsgeest alleen werd gelaten, met zichzelf en de angst voor de op handen zijnde dood aan het kruis. Zijn wedergeboren ziel gaf toen de doorslag en heeft de verdeemoediging van het vlees door de dood aan het kruis op zich genomen. Deze opdracht van de verdeemoediging moest de mens zelf volbrengen, niet God! Onmiddellijk na het overlijden aan het kruis keerde de goddelijke Geest in Jezus terug om zich voor alle eeuwigheid met zijn ziel te verbinden.

Jezus heeft als mens de terugkeer van ons allen naar God in de hemel weer mogelijk gemaakt. Hij is door de in hem wonende goddelijke Geest de zichtbare hemelse Vader met de naam Jezus Jehova! Wij allemaal zullen ooit vol vreugde en bewondering voor hem staan. Door de geest van Pinksteren, die allereerst aan zijn discipelen werd gegeven en daarna alle pasgeboren kinderen in het hart wordt gelegd, geeft Jezus ons een stuk van zijn verlossende geest, die ons de terugweg naar de hemelse Vader gemakkelijker laat vinden. Door deze geest hebben wij zijn voortdurende hulp op onze bezwaarlijke weg om het hemelse doel te bereiken. Het spreekt vanzelf dat hij niet onze persoonlijke fouten en zonden heeft weggenomen – daar moeten wij zelf aan werken – maar de brug naar de hemel is wel gebouwd en staat open. Zijn verlossende geest helpt ons de brug over te steken.

God zelf heeft in “De Huishouding van God”, deel 1, van J.L. hierover gesproken: “De poorten van de hemel staan voor jullie open en als jullie willen, dan kunnen jullie naar binnen gaan en daar het aangezicht van jullie heilige Vader zien, die ik ben, de eeuwige God Jehova. Dat kunnen jullie doen krachtens het levende woord, dat Jezus Christus is, de eeuwige liefde en wijsheid in Mij, waaruit al het goede en ware voortkomt.”

 

Erlösung durch Jesus Christus – G.K. Holderer

Erlösung durch Jesus Christus  –  G.K.Holderer

Zu dieser Überschrift gehört noch ein Untertitel: ‘Vom Menschen Jesus zum himmlichen Vater Jesus Jehova.’ Dieser Untertitel beschreibt, was gleichzeitig mit der Erlösung von uns Menschen durch Jesus Christus geschieht. Bevor wir auf das Thema näher eingehen, müssen wir zunächst die Begriffe “Mensch Jesus” und “Jesus Jehova” etwas erläutern um zu verstehen, welche Unterschiede bei diesen Namen bestehen.

Der Mensch Jesus ist geboren von einer jungen Frau, nämlich Maria und er hat somit einen normalen Körper wie alle Menschen. Seine Seele ist ebenfalls wie bei nahezu allen Menschen aus der Naturseelenentwicklung hervorgegangen. Sie hat damit auch die negativen Eigenschaften, die durch den Fall Luzifers hervorgerufen wurden. Darum wird in der Bibel Jesus öfter mit Menschensohn bezeichnet. Er ist wie wir alle ein Mensch. Nun kommt aber ein wesentlicher Unterschied. Während bis zum Zeitpunkt der Geburt Jesu alle Menschen seit Adam einen von Gott gegebenen reinen Geist – nicht mit Verstand zu verwechseln – erhalten haben, ist in Jesus der göttliche Geist selbst.

Die Bezeichnung Jesus Jehova wird vielleicht weniger häufig benutzt, aber sie bezeichnet den für uns sichtbaren himmlichen Vater. Jehova ist Gott und das schon immer. Bis zur Zeit von Jesus auf Erden war er in seinem Gotteszentrum für uns Menschen unsichtbar. Durch die Auferstehung, die in Verbindung mit der vollständigen Einigung des vergeistigten Menschen Jesus mit dem in ihm wohnenden Gottesgeist steht, wurde Gott für alle Menschen sichtbar im “ehemaligen” Menschen Jesus. Er ist unser alleiniger, sichtbarer Gott, unser himmlicher Vater Jesus Jehova.

Als Kleinkind können wir Jesus wie jedes andere Kind betrachten, aber es gab in dieser Lebensphase viele Gelegenheiten, in denen der göttliche Geist durch das Kleinkind sprach und handelte. Wir werden in der “Jugend Jesu” von Jakob Lorber darüber unterrichtet.  Er lehrte in dieser Zeit seinen Ziehvater Josef, dessen Söhne und natürlich seine Mutter Maria, dass er der erwartete Messias, der Christus, sei, ja dass der in ihm wohnende Geist Gott selbst sei. Es ist wohl verständlich, dass seine Familie nicht so richtig mit dieser Tatsache umgehen konnte.

Von Beginn an fühlte der Mensch Jesus einen sehr starken Drang von und zu seinem göttlichen Geist. Dies drängte ihn dazu die Einsamkeit aufzusuchen, um dort in langen Meditation seine Seele näher zu seinem Geist zu bringen. Parallel arbeitete er als Zimmermann zusammen mit Josef und dessen Söhnen. Wie anfangs erwähnt war seine Seele, wie bei fast allen Menschen, durch den Ursündenfall Luzifers mit niederen Verlangen und Eigenschaften befleckt. Diese mussten bekämpft und in reine Liebe verändert werden. Dazu dienten die Meditationen und Gebete in der Einsamkeit, aber es war auch die ausübende Ausstrahlung und Weitergabe der Liebe während seiner Zimmermanns-Tätigkeit vonnöten. Diese inneren Bemühungen zur Vereinigung seiner Seele mit dem göttlichen Geist in ihm dauerte bis zu seinem 30. Lebensjahr. Dann war die Wiedergeburt seiner Seele mit dem göttlichen Geist eine Tatsache geworden.

Dies war die Basis um seine Lehrtätigkeit zu beginnen. Jetzt konnte der Gottesgeist im Menschen Jesus voll wirksam werden. Das wichtigste war die Lehre der Liebe, die in seiner Zeit wie auch noch heute so sehr vernachlässigt wird. Unser Leben hängt von der Liebe ab. Dabei ist nicht nur das Leben auf der Erde gemeint, sondern vor allem das nach dem körperlichen Tod geborene Leben in der geistigen Welt. Nicht umsonst fielen immer wieder die göttlichen Worte: “Habe Gott über alles lieb und deinen Nächsten so wie dich selbst!” Der Mensch Jesus, der sich völlig mit dem Gottesgeist vereinigte, konnte daher die Lehre durch sogenannte Wunder ergänzen, um seinen Zuhörern zu beweisen, wie mächtig seine Lehre der göttlichen Liebe ist.  Ich nenne dies “sogenannte”, weil der göttlichen Geist allmächtig ist, was dem normalen Erdenbürger Rätsel aufgibt.

Die Zeit des Lehrens ging nach circa drei Jahren zu Ende. Dann kam die wichtigste Aufgabe für den Menschen Jesus. Er war sich bewusst, dass ursprünglich der erste geistige Mensch – Adam – die Aufgabe hatte, in Gehorsamheit zur göttlichen Ordnung zu leben. Dazu hatte er ständigen Kontakt zu Gott und war der Herr über die materielle Erde. Hätte er es geschafft seiner Aufgabe gerecht zu werden, wären keine negativen Eigenschaften an seine Kinder, Enkel und letztendlich an uns weitergegeben worden. Unser Leben auf der Erde hätte heute einen ganz anderen Charakter. Aber Adam wurde schwach und so war es nötig, dass Gott selbst diese Aufgabe in Verbindung mit einem Menschen – und das war Jesus – auf sich nahm.

Geist ist ewig, aber die Materie hat nur eine kurze Lebensdauer. Die in der Materie und in der Seele steckende Bosheit und gegen das Leben gerichtete Falschheit musste besiegt werden, wollte je ein Mensch rein werden um in die Arme Gottes, unserem himmlichen Vater, zurückkehren zu können. Diese Reinigung und damit der Sieg über die Falschheit konnte nur erreicht werden, wenn sowohl die Seele als auch der materielle Körper in völliger Demut dem Geist Gehorsam leisteten. Die Wiedergeburt seiner Seele im Geist war der erste Schritt dieser Demütigung. Diese hatte der Menschensohn Jesus vor Beginn seiner Lehrzeit erreicht.

Aber sein Körper war noch nicht soweit. Auch dieser musste voll Demut Gott gehorsam sein. Die fleischlichen Verlangen im Körper von Jesus mussten der Liebe und Ordnung Gottes untertan werden. Dies konnte nur durch Erniedrigung des Körpers erfolgen. Das bedeutete die freiwillige Annahme von Marter und einen gewaltsamen Tod. Ein langes Leben auf Erden hätte die materiellen Verlangen des Körpers immer wieder aufkommen lassen, was keine vollständige Demut des Körpers gewesen wäre.

Im Garten Getsemaneh kämpfte der Mensch Jesus, der für seinen letzten Aufgabe vom göttlichen Geist allein gelassen wurde, mit sich und der Angst des bevorstehenden Todes am Kreuz. Seine wiedergeborene Seele hat dann den Ausschlag gegeben und die Demütigung des Fleisches durch den Kreuzestod angenommen. Die Aufgabe der Demütigung musste ja der Mensch vollbringen, nicht Gott!  Daher hatte sich Gott für dieses so wichtige Ziel zurückgezogen. Unmittelbar mit dem Verscheiden am Kreuz kehrte der Gottesgeist in Jesus zurück und verband sich für ewig mit seiner Seele.

Jesus hat als Mensch die Rückkehr von uns allen zu Gott in den Himmel wieder ermöglicht. Er ist durch den in ihm wohnenden Gottesgeist der sichtbare himmliche Vater mit Namen Jesus Jehova! Wir alle werden ihm eines Tages mit Freuden und Bewunderung gegenüberstehen. Durch den Geist an Pfingsten, den zunächst seine Jünger und danach alle Neugeborene ins Herz gelegt bekommen haben und noch stets erhalten, hat uns Jesus ein Stück seines erlösenden Geistes gegeben, der uns den Weg zurück zum himmlichen Vater leichter finden lässt. Durch diesen Geist haben wir seine ununterbrochene Hilfe auf unserem beschwerlichen Weg das himmliche Ziel zu erreichen. Es versteht sich von selbst, dass er nicht unsere persönliche Sünden weggenommen hat, da müssen wir selbst an uns arbeiten, aber die Brücke zum Himmel ist gebaut und steht offen und sein Erlösergeist hilft uns dabei sie zu überqueren.

Gott hat in der Haushaltung Gottes, Band 1, selbst dazu Stellung genommen: ” Die Pforten des Himmals stehen euch offen und so ihr wollt, könnt ihr hinein und da das Angesicht eures heiligen Vaters schauen, der Ich es bin, der ewige Gott Jehova. Das könnt ihr tun vermöge des lebendigen Wortes, welches ist Jesus Christus, die ewige Liebe und Weisheit in Mir, woraus alles Gute und Wahre fließt.”

 

 

 

 

Psychisch of paranormaal? – nieuw boek van Roelof Tichelaar

Roelof Tichelaar, die sinds 2001 diverse lezingen heeft verzorgd voor Stichting Nieuwe Openbaring, heeft kort geleden een nieuw boek gepubliceerd. Hieronder staat het persbericht n.a.v. de verschijning van deze uitgave.

PSYCHISCH OF PARANORMAAL? – BOVENNATUURLIJKE ERVARINGEN IN HET LICHT VAN PSYCHIATRIE, RELIGIE EN SPIRITUALITEIT

Verschijnselen die door de moderne psychiatrie als ‘psychische stoornis’ worden aangeduid, kunnen ook een bovennatuurlijke oorzaak hebben. Sommigen zien, horen of ervaren wat voor anderen verborgen blijft. Hoe verhouden paranormale ervaringen – zoals helderziendheid, helderhorendheid en mediumschap – zich tot de moderne psychiatrie en religie? Kennis van de spirituele wetten – die ook binnen het traditionele christendom grotendeels verloren is gegaan – kan ons meer inzicht schenken. Door deze spiritueel-christelijke inzichten te verbinden met die van de psychologie, de weerbaarheid en mindfulness, wordt de verbinding gelegd tussen religie, psychologie en spiritualiteit.

Roelof Tichelaar heeft jarenlang ervaring met mensen die te maken hebben met (zowel positieve als negatieve) bovennatuurlijke bewustzijnservaringen en -beïnvloeding.  Hij heeft een praktijk voor psychische, pastorale en spirituele hulpverlening, is docent weerbaarheid, auteur en geeft lezingen.

Voor meer informatie: www.roeloftichelaar.nl

‘Een verhelderend boek met baanbrekende inzichten die van belang zijn voor de theologie, psychiatrie, psychotherapeuten en andere hulpverleners, maar die bovendien van cruciale betekenis zijn voor hen, die hulp zoeken of inzicht willen in paranormale verschijnselen.’
Dr. Elinor Th. M. Kocken

U kunt dit boek rechtstreeks bij Roelof Tichelaar bestellen:
–      per e-mail: info@roeloftichelaar.nl
–      telefonisch: (0528) 320701
–      per post: Schutstraat 112, 7901 EH  Hoogeveen

Psychisch of Paranormaal - Roelof Tichelaar

Der Bund mit der Liebe – G.K. Holderer

Es soll direkt offengelegt werden – wir sprechen über den Bund, den Gott mit den Menschen geschlossen hat. Was ist dies für ein Bund und was schliesst er ein? In jedem Fall ist er besonders wichtig, weil dieser Bund das Leben des Menschen auf der Erde und später im geistigen Reich beeinflusst.

Alle Menschen stammen von Gott ab! Alle Menschen sind geistig erschaffen, weil Gott selbst Geist ist. Gott ist allmächtig und ist durch seine sieben Wesensarten in sich vollkommen ausgeglichen. Seine Wesensart Liebe ist der Ausgangspunkt für die Schöpfung von uns Menschen. Wohl sind Weisheit und Ordnung ebenfalls von großer Wichtigkeit, aber wir wollen jetzt bei der Liebe bleiben. Gottes Liebe hat den Menschen erschaffen und das zeigt uns an, dass wir in unserem Inneren, unserem Geist, ebenfalls Liebe sind. Das heisst, dass wir nicht nur Liebe besitzen, sondern dass wir echte Liebe sind! Gott ist der Schöpfer von den Menschen, mit anderen Worten – er ist unser Vater. Ist es darum nicht logisch, dass wir seine Kinder sind?! Der Bund zwischen dem himmlischen Vater und seinen Kindern ist die Liebe.

Hier steigt die Frage auf, warum wir Kinder so anders sind als unser Vater im Himmel? Sind wir tatsächlich anders als der Vater? Wie bereits gesagt, ist Gott Geist und wir sind das auch, zumindest gilt dies für das geistige Reich, das auf das Erdenleben folgt.

Das Leben auf der Erde in seinem materiellen Aufbau ist eine Zwischenphase für den Mensch, die notwendig ist um unsere verkehrten Ansichten verändern zu können und das auf eine relativ rasche Weise. Fast alle Menschen stammen von den mit Luzifer gefallenen Engeln ab. Durch dessen Hochmut und Eigenliebe wurden die guten göttlichen Eigenschaften auch bei den Nachkommen Luzifers und seinem Anhang negativ verändert. Ohne Eingreifen des himmlichen Vaters würden Luzifer mit seinem gesamten Anhang durch die Trennung vom Bund der Liebe des Schöpfers in den Tod übergehen. Aber Gott will und kann keines seiner Geschöpfe in den ewigen Tod laufen lassen. Deshalb hat er die materielle Welt erschaffen um allen Abtrünnigen Gelegenheit zu geben, die wahren und guten Eigenschaften wieder anzunehmen, die nötig sind um im Himmel zu sein oder dahin zurückzukehren. Die Rettung für diese Abtrünnigen ist somit die materielle Welt. Hier erhält jeder die Möglichkeit,  seine verkehrten Ansichten zu begreifen und an die Liebe des himmlichen Vaters anzupassen.

Wir sind auch Liebe, aber wo ist diese Liebe? Die Liebe ist so kostbar, dass unser innerer Geist, der diese Liebe ist, verschlossen gehalten wird aus Vorsorge vor den unreinen Gedanken und Wünschen des Menschen. Wir haben trotzdem alle Möglichkeiten um uns selbst kennen zu lernen durch Erlebnisse oder durch Lesen von göttlichen Informationen, um unsere Wesensart zu verändern entsprechend den guten Eigenschaften wie Liebe, Geduld und Barmherzigkeit. So geschieht die Umkehr in den Bund mit dem himmlichen Vater, dem Bund der Liebe. Die Anpassung an die göttliche Liebe macht den ursprünglich aus Vorsorge einge-schlossenen Geist frei, so dass er mitarbeiten kann am Wachstum der menschlichen Liebe zu Gott.

In der Haushaltung, Band 2, durch Jakob Lorber aufgeschrieben, steht in Kapitel 85 das volgende: “Für denjenigen, der im Bund bleibt, bin ich ein Vater und er ist mein Kind; und wer immer diesem Bund beitritt, dem soll die wahre Kindschaft zu Teil werden. Aber wer sich von dem Bund trennt, der trennt sich auch von mir und während der Zeit, in der er getrennt verbleibt von diesem heiligen Bund, wird er die Kindschaft verlieren.”

Hier lesen wir, dass Gott als unser himmlicher Vater alles unternimmt um allen Menschen die Kindschaft zu geben. Aber das kann nicht mittels seiner Allmacht durchgeführt werden. Das hätte er von Beginn der Schöpfung an tun können. Dann wären wir Roboter, die alles ausführen würden, was Er will. Das ist es aber nicht, was Gott geplant hat. Wir, seine Geschöpfe, sollen begreifen, dass wir freiwillig einsehen können, dass Gott für uns der Vater ist und sollen auf dieser Erkenntnis aufbauen und handeln. Die Willensstärke beim Menschen ist vielfach schwach, aber wenn wir den himmlichen Vater bitten um mit seinem starken Willen zu helfen, dann geschieht das auch. Wohl ist es nötig, dass wir uns mit seiner Liebe verbinden, was nicht nur unsere Liebe zu Gott sondern auch zum Nächsten einschließt.

Wenn wir uns lösen von seinem Bund, dann wird dies meist schon hier in unserem Erdenleben geschehen und der negative Zustand der Seele, der dadurch entsteht, wird nach dem Ablegen unseres materiellen Körpers mitgenommen werden ins geistige Reich bzw. Leben. So wie die Lebensweise des Menschen auf Erden war, so wird es dort auch zu Beginn sein. Das sagt aus, dass Gott niemand zu verurteilen braucht, weil jeder entsprechend seiner gearteten Liebe in den Bereich gehen will, der dieser Liebe gleicht. Ist die Liebe auf negative Dinge gerichtet, wie Machtstreben, Eigenliebe, körperliche Gelüsten oder ähnliches, dann bedeutet dies das Verlassen des göttlichen Bundes und jener Mensch wählt für sich die Hölle.

Kommt jedoch zu einer späteren Zeit eine bessere Einsicht zum Bewusstsein, dann erhält man Hilfe von Engeln, die den Weg zurück in den Bund der Liebe aufzeigen. Es ist wichtig zu wissen, dass Gott auch in der Hölle pure Liebe ist. Jeder, der es möchte, wird vom himmlichen Vater als ein verlorener Sohn anerkannt und wieder aufgenommen.

Menschen, die bereits hier auf Erden zur Einsicht kommen, dass Liebe das wichtigste im Leben ist und dementsprechend leben, werden durch ihre Schutzengel gestärkt. Nach ihrer Ankunft im geistigen Reich beginnt der Weg zum Himmel, der in Abhängigkeit vom einzelnen Menschen kürzer oder länger sein kann. Mit Sicherheit sind diese Menschen schon voller Freude und ihre Liebe wird ständig steigen. Liebe ist das Leben selbst! Je mehr Liebe, desto stärker und seliger fühlt sich der Mensch. Aber im Gegenteil, das ist wenn zu wenig oder keine göttliche Liebe vorhanden ist, befindet sich der Mensch in Dunkelheit und nahe dem ewigen Tod.

Gott, das ist unser sichtbarer Vater Jesus, ist die reinste Liebe, die niemand richten wird, jedoch jeden selig machen will. Aber der Mensch muss das auch wollen und Gottes Liebe folgen. Gott zwingt niemanden in seinem Leben auf Erden und noch weniger in der geistigen Welt. Deshalb empfängt jeder das, was er wählt!

==============================

Het verbond van de liefde – G.K. Holderer

Laten we het meteen maar benoemen: we spreken over het verbond dat God met de mensen heeft gesloten. Wat is dat voor een verbond en wat houdt het in? In elk geval is dit bijzonder belangrijk, omdat het verbond het leven van de mens op aarde en later in het geestelijke rijk beïnvloedt.

Alle mensen zijn afkomstig van God. Alle mensen zijn geestelijk geschapen, omdat God zelf geest is. God is almachtig en is door zijn zeven eigenschappen innerlijk helemaal in balans. Zijn wezen van de liefde is het uitgangspunt van de schepping van ons mensen. Wel zijn wijsheid en orde hierbij ook van groot belang, maar wij willen ons nu tot de liefde bepalen. Gods liefde heeft ons mensen geschapen en dat geeft aan dat wij in ons innerlijk, in onze geest, ook liefde zijn. Dat betekent dat wij niet alleen liefde bezitten, maar zelf ook echte liefde zijn! God is de schepper van de mensen, met andere woorden – hij is onze Vader. Is het dan niet logisch dat wij zijn kinderen zijn? Het verbond tussen de hemelse Vader en zijn kinderen is de liefde.

Nu komt de vraag naar voren waarom wij, als zijn kinderen, dan zo anders zijn dan onze Vader in de hemel. Zijn wij echt anders dan de Vader? Zoals gezegd is God geest en wij zijn het ook, in elk geval in het geestelijke rijk dat op het aardse leven volgt.

Het leven op aarde in deze materiële toestand is een tussenfase voor de mens, die noodzakelijk is om onze verkeerde inzichten te kunnen corrigeren en dat op een relatief snelle wijze. Bijna alle mensen zijn afkomstig van de samen met Lucifer gevallen engelen. Door diens hoogmoed en eigenliefde werden de goede goddelijke eigenschappen ook in Lucifers nakomelingen en in zijn aanhang in negatieve zin veranderd. Zonder ingrijpen van de hemelse Vader zouden Lucifer en zijn aanhang door deze afscheiding van het verbond van liefde met de schepper ten dode zijn opgeschreven. Maar God wil en kan geen van zijn schepselen laten vervallen tot de eeuwige dood. Daarom heeft hij de materiële wereld geschapen om alle afvalligen in staat te stellen om de ware en goede eigenschappen aan te nemen die noodzakelijk zijn om in de hemel te komen. De redding voor deze afvalligen is daarom het leven in de materiële wereld. Hier krijgt iedereen de kans om zich bewust te worden van zijn verkeerde inzichten en deze aan de liefde van de hemelse Vader aan te passen.

Wij zijn ook liefde, maar waar is deze liefde? De liefde is zo kostbaar dat onze innerlijke geest, die deze liefde is, wordt afgeschermd van de onreine gedachten en wensen van de mens. Wij hebben alle mogelijkheden onszelf door belevenissen of door het lezen van goddelijke mededelingen te leren kennen en vervolgens aan te passen aan goede eigenschappen zoals liefde, geduld en barmhartigheid. Dat is de terugkeer naar het verbond met de hemelse Vader, het verbond van liefde. De aanpassing aan de goddelijke liefde maakt de uit voorzorg afgesloten geest vrij zodat hij mee kan werken aan het groeiproces van de liefde.

In de Huishouding, deel 2, dat door Jakob Lorber is geschreven, staat in hoofdstuk 85 het volgende: “Voor degene die in het verbond zal blijven, zal ik een Vader zijn en hij zal voor Mij een kind zijn; en wie ook maar tot dit verbond zal toetreden, aan hem zal ook het ware kindschap ten deel vallen. Maar wie zich van het verbond losmaakt, zal zich ook van Mij afzonderen en gedurende de tijd dat hij afgescheiden zal blijven van dit heilige verbond, zal hij het kindschap verliezen.”

Hier lezen wij dat God als onze hemelse Vader er alles aan doet om alle mensen het kindschap te verlenen. Maar dat kan Hij niet doen met zijn almacht. Dat had Hij vanaf het begin van de schepping wel kunnen doen. In dat geval zouden wij robots zijn die alles uitvoeren wat Hij wil. Maar dat is niet wat God wil. Wij, zijn schepselen, moeten tot het inzicht komen dat wij vrijwillig de beslissing kunnen nemen om God als onze Vader te erkennen en daarnaar te handelen. De wilskracht bij de mensen is meestal zwak, maar als wij de hemelse Vader vragen ons met zijn sterke wilskracht te helpen, dan gebeurt dat ook. Wel is het nodig dat wij ons compleet met zijn liefde verbinden, wat niet alleen de godsliefde maar ook de naastenliefde insluit.

Wanneer wij ons losmaken van zijn verbond, dan kan dat al hier in het leven op aarde gebeuren en de negatieve toestand van de ziel die daardoor ontstaat, zal meegenomen worden naar het geestelijke leven na het afleggen van ons materieel lichaam. Zoals de levenswijze van de mens op aarde was, zo zal het in het begin ook daar zijn. Dat wil zeggen dat God niemand hoeft te veroordelen omdat iedereen volgens zijn liefde naar dàt gebied toe wil gaan, dat in overeenstemming is met zijn liefde. Als dat een liefde is voor negatieve dingen zoals machtsstreven, eigenliefde, lichamelijke wellust of iets dergelijks, dan is dat het verlaten van het goddelijke verbond, en deze mens verkiest dan voor zichzelf de hel.

Als later een beter inzicht rijpt, ontvangt men hulp van engelen die de weg wijzen die terugleidt naar het goddelijke verbond van de liefde. Je mag aannemen dat God ook in de hel één en al liefde is. Iedereen, die dat wil, wordt door de hemelse Vader als een verloren zoon erkend en weer aangenomen.

Mensen die al op aarde tot het inzicht komen dat liefde het belangrijkste in het leven is en daarnaar leven, worden door hun beschermengelen gesterkt. Na hun aankomst in het geestelijke rijk begint de weg naar de hemel, die afhankelijk van de mens wat langer of korter kan zijn. Wel zijn deze mensen van het begin af aan gelukkig en hun liefde zal voortdurend toenemen. Liefde is het leven zelf! Hoe meer liefde een mens bezit, des te sterker en gelukzaliger voelt zo iemand zich. In het tegenovergestelde geval, d.w.z. als er te weinig of helemaal geen goddelijke liefde aanwezig is, bevindt de mens zich in het duister en is hij dicht bij de eeuwige dood.

God, dat is onze zichtbare Vader Jezus, is de puurste liefde die niemand zal veroordelen, maar iedereen zalig wil maken. Maar de mens moet dat ook willen en Gods liefde navolgen. God dwingt niemand in zijn leven op aarde en nog minder in de geestelijke wereld. Daarom ontvangt ieder mens datgene waar hij voor kiest.

 

=============================