Jood of Griek.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 1)

«« 187 / 242 »»
[1] Maar Ahab, de jonge Farizeeër, verwijderde zich nu van de ouden en was blij dat Ik hen zo de waarheid had gezegd. Maar hij vroeg Mij stilletjes of hij dan ook zo'n slechte bezetene was.
[2] Ik keek hem vriendelijk aan en zei: 'Als je dat was, dan zou je me dat niet zo vragen. Voor de satan was jij tot op heden ook nog een dorre plaats; pas echter op, dat je voor hem geen vruchtbaar veld wordt! Neem je daarom zeer in acht voor je slechte collega's!'
[3] Ahab zegt: 'Heer en Meester! Als U me niet verlaat, dan kan de macht van de hel mij zeker niet belagen! Aan mijn ijver voor U zal het niet liggen!'
[4] Ik zeg: 'Ga dan heen! Je zult sterk zijn door je geloof in Mij en je ijver voor Mij! Maar let er wel op dat je collega's je niet in het een of ander verwikkelen; want hun duivels hebben een fijne neus en een scherp gehoor om hun boze doeleinden te bereiken!'
[5] Ahab zegt: 'Heer, U kent mij nu beslist beter, dan ik mijzelf ken! Mijn list is subtiel en sluw; en de duivel is, zoals men zegt, blind, en daarom zullen ze elkaar nog wel eens aankijken als ik hen te slim af ben. Vandaag doe ik nog een proefje met hen. Ik zal nu op luide toon wat onvriendelijke woorden met U wisselen, zodat ze geen idee hebben waarover ik met U heb gesproken; maar U mag daarover niet kwaad op mij worden!'
[6] Ik antwoord: 'Doe wat je wilt, maar wees voor alles in alle dingen goed, verstandig en eerlijk; want, hoe goed een leugen ook bedoeld moge zijn, hij helpt maar tijdelijk en brengt de mens al gauw daarna nadeel en schade!'
[7] 'Ook goed', zegt Ahab, 'dan zeg ik voorlopig helemaal niets!'
[8] En Ik zeg: 'Dat zal beter zijn! Want op het juiste moment zwijgen is beter, dan nog zo doeltreffend te liegen!'
[9] Na deze les gaat Ahab door de volksmenigte weer terug naar zijn collega's, waarvan er één toch gemerkt had dat hij met Mij sprak. Die begon hem dan ook meteen scherp te ondervragen. Maar Ahab sloeg zich daar goed doorheen, en de strenge ondervrager moest hem ten slotte nog prijzen.
[10] Maar Ik keek niet meer naar de Farizeeën en begon Mij met het volk te onderhouden. Ik toonde hen aan, dat het tegenover God niet redelijk zou zijn om het Jodendom te verlaten, omdat het heil van alle mensen slechts van de Joden komt, en dat ze beter, zoals daarvoor al enigen in hun harten gedaan hebben, weer kunnen terugkeren tot het Jodendom vanwege het feit dat het anders niet mogelijk zou zijn om kind van God te worden.
[11] Daarop vraagt een Griek: 'Moeten we dan onze knie weer voor de opgeblazen Farizeeën buigen en hun oude onverteerbare zuurdeeg vreten? Vriend, u bent weliswaar een groot meester vol goddelijke kracht en macht en u bent goed, wijs en rechtvaardig, maar nu verlangt u iets zeer onzinnigs van ons. Tot Mozes hoeven we niet terug te keren - heel eenvoudig, omdat we hem daadwerkelijk nog nooit verlaten hebben, en de God der Joden is ook de onze in onze harten; de uiterlijke naam Jood of Griek zal toch hopelijk geen afbreuk doen aan de wijsheid van God?! Maar voor ons is het toch een goede beschutting tegen de onafgebroken vervolgingen en pesterijen van de Farizeeën! Waarom zouden we dan weer Joden en geen Grieken heten?!
[12] Kijk, dat is geen wijze voorwaarde die u ons stelt! Wat geeft het, als we naast Mozes ook de wijzen van de Grieken met hun dichterlijke godendom leren kennen, wier wijze zinnebeeldige gedichten toch heel wat anders zijn dan de dure tempelmest?! Vooral omdat wij er helemaal niet in geloven, omdat wij maar al te goed weten hoe de Griekse en later Romeinse goden ontstaan zijn, en dat alleen Jehova God is over alles, die alles heeft geschapen en altijd alles onderhoudt en bestuurt!'
[13] Ik zeg hem: 'Vriend, je praat en hebt Mij niet begrepen, terwijl degenen, die Mij begrepen hebben, niet spreken, hoewel ze toch net zo goed Grieken zijn als jij. Het zit hem zeker niet in de naam, maar in het geloof van het hart! Maar het is ook waar en iets om rekening mee te houden, dat het beter is een bedevaart naar Jeruzalem te maken en de feesten met passende en oplettende aandacht bij te wonen, dan een reis naar Delphi te maken en goede raad te vragen aan de dwaze Pythia!
[14] De geweldige misbruiken van de tempel ken Ik beslist beter dan jullie, en je hebt van Mij gehoord, hoezeer Ik daar tegen ben. Maar ondanks alle slechtheid is de tempel toch onvergelijkelijk beter dan die te Delphi, wiens priesters en priesteressen slechts hele goede taalkundigen zijn, die op iedere vraag zo'n antwoord weten te geven dat ze altijd gelijk hebben:!
[15] Toen je een vrouw wilde huwen, maakte je eerst een reis naar Delphi en vroeg daar voor veel geld aan de Pythia, of je gelukkig zou worden met de vrouw die je wilde nemen. Vertel eens, wat kreeg je als antwoord?'
[16] De Griek zegt: 'Wel, het volgende: 'Bij de vrouw vindt u het geluk, niet wacht u het ongeluk!'. En weet U, het orakel heeft mij de waarheid voorspeld, want ik ben echt gelukkig met mijn vrouw!'
[17] Ik zeg: 'Kijk het orakel zou ook gelijk gehad hebben, als je ongelukkig geweest was met je vrouw!'
[18] De Griek zegt: 'Ik zie niet in hoe dat dan mogelijk geweest was!' Ik zeg: ' Je ziet het woordenspelletje niet! Kijk de zin luidt: 'Bij deze vrouw vindt u het geluk niet wacht u het ongeluk.' Als je de zin in tweeën deelt na het woordje niet, dan heeft het orakel gelijk als je ongelukkig zou zijn; want dan zou de zin, zonder ook maar iets in de woordvolgorde te veranderen aldus luiden: 'Bij uw vrouw vindt u het geluk niet, wacht u het ongeluk!'
[19] Maar als je Mij niet wilt geloven, vraag dan maar eens aan je buurman, die een jaar daarna voor net zo'n gelegenheid naar Delphi is gereisd, of zijn antwoord niet precies eender is als het jouwe! En hij is ongelukkig met zijn vrouw, omdat ze een grote slet is; maar het orakel had bij hem net zo goed gelijk als bij jou, en toch geef je er nog hoog van op! Oordeel nu zelf eens wat beter is, de tempel in Jeruzalem of het orakel in Delphi?!'
[20] De Griek zet grote ogen op na die uitleg en zegt: 'Meester, nu begrijp ik het! Dat kan alleen maar een God en geen mens weten. U bent Zelf God, of minstens Gods zoon en niet de zoon van een mens zoals wij ! Daarom zullen wij ons weer op de tempel richten, maar niet onder de tuchtroede van de Farizeeën, maar helemaal vrij! Maar deze Farizeeën moeten weg; want ze hebben ons te veel bedrogen en ons vrijwel al ons bezit ontnomen, geestelijk en lichamelijk! In naam blijven we dus Grieken, maar in waarheid in ons hart volmaakte belijders van Mozes en de profeten! We zullen ook jaarlijks naar Jeruzalem gaan en de tempel bezoeken; en als die afgesloten wordt, dan blijft de vreemdenzaal nog voor ons open, die toch ook bij de tempel behoort.'
[21] Ik antwoord: 'Doe wat je wilt, maar geef je harten niet over aan valsheid, toorn, wraak en lust tot vervolgen! Wees daarbij kuis en rein in gedachten; heb God waarachtig boven alles lief en je naaste als jezelf, zegen, die je vervloeken, doe degenen geen kwaad, die je haten en vervolgen, dan zul je God welgevallig zijn, rust hebben en gloeiende kolen stapelen op de hoofden van je vijanden!'
«« 187 / 242 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.