Het verweer van Jaïrus.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 1)

«« 229 / 242 »»
[1] Jaïrus antwoordt: 'Vriend, ik begrijp je beter dan jij denkt; maar er zijn dingen, die, ook al zou men ze nog zo goed begrijpen, in verband met de maatschappelijke positie die de mens bekleedt, helemaal met begrepen mogen worden!
[2] Als hooggeplaatst persoon moet men heel vaak lachen, als men liever huilen wil, en men moet vaak treuren, als men liever geneigd is om te huppelen en te dansen, Wat kan men daar echter als eenling tegen doen?! Kun je tegen de meesleurende stroom in zwemmen als je eenmaal aan haar geweld bent overgeleverd?!
[3] Wij mensen hebben een gevoelige huid en een nog; gevoeliger maag; deze twee willen tevreden gesteld worden, en daarom blijft ons mets anders over dan het verstand en de rede maar aan de kapstok te hangen en met de stroom mee te gaan, of als een verachte bedelaar ergens in een hoek van de aarde dood te gaan als wild, dat door een geworpen steen verwond is.
[4] Geloof van mij dat ik in vertrouwen gezegd, Christus beter ken dan, jij; maar wat helpt dat alles tegenover Rome en Jeruzalem? Als je je mond open doet, dan heeft je laatste uur geslagen!
[5] Jezus kan dan wel werkelijk een zoon van de allerhoogste God zijn, waaraan ik helemaal niet twijfel; maar mag Ik dan in mijn aardse positie mijn innerlijk geloof, ja mijn innerlijke overtuiging in het openbaar verkondigen?! En als ik dat deed, wat zou er dan met ons gebeuren?'
[6] Borus zegt: 'Wat dan, wat dan? - Zo heeft de wereld altijd al terwille van haar hang naar een goed leventje, futloze vragen gesteld aan de een of andere vriend die meer gaf om de zuivere waarheld dan om alle koninkrijken van de met vloek beladen wereld; en daarom vindt de heilige waarheid ook altijd haar graf in de huid en de bulk van de mens, die van een goed leventje houdt!
[7] Wie meer geeft om het goede leven en een schitterende reputatie in de wereld dan om de goddelijke waarheid, die raakt, al heeft hij nog zo'n goede inborst, in zulke vragen en overwegingen verzeild, trekt zich dan uit het goddelijke licht in de duisternis van de wereld terug en verloochent op die manier God en al Zijn licht, -en als men vraagt: Waarom? - Wat noodzaakt zijn hart daartoe? Wel, niets anders dan zijn hang naar alle soorten van luxe! Gulzig grijpt hij daarom naar alles waarmee hij zich een goed leventje kan verzekeren; en als hij dan vaak met veel moeite en inspanning datgene bereikt, waar hij zijn wereldse zinnen op heeft gezet, gooit hij alle waarheid over boord; en bij het geringste teken dat hij door haar iets af zou moeten staan van zijn prachtige vaste welvaart, tiranniseert hij alles, wat ook maar een vonkje echte waarheid in zich heeft.
[8] Wordt hij dan echter ongelukkig en ziek en raadpleegt hij de dokter, dan wil hij alleen maar waarachtige hulp! Waarom daar dan wel waarheid, en overal elders niet?!
[9] Moet u zien! Uw dochter lijdt aan een ongeneeslijke ziekte; wat zou u nu geven voor een waarachtige medicijn, die haar zou helpen?! Als ik u als ervaren dokter zou zeggen, dat er maar één enkele echte medicijn zou zijn, die haar in één keer zou genezen, dan zou die medicijn dan toch wel de echte waarheid voor de lichamelijke ziekte van uw dochter zijn! Ja, voor deze waarheid zou u nu alles willen geven; maar voor een waarheid, waardoor uw ziel gezond zou worden, geeft u niet alleen niets, maar, waar u die ook maar ontdekt, vervolgt u die ook nog terwille van uw goede leventje! Zegt u mij eens: Waar hoort zo'n handelwijze thuis?
[10] U weet net zo goed als ik, dat de tempelmest waardeloos is; u weet, dat dat allemaal afschuwelijk bijgeloof is, heel geschikt om iedere vonk van het betere licht bij het volk te verstikken, en toch zou u diegene van uw geloofsgenoten, die het zou wagen om daar openlijk over te spreken, als een schender van het heiligdom te vuur en te zwaard vervolgen.
[11] Stelt u zich nu eens een eeuwige rechtvaardige God voor, Die het licht en de onveranderlijke eeuwige waarheid Zelf is en Die Zich niet laat beïnvloeden; wat zal Hij eenmaal zeggen tot zulke dienaars zoals u?!
[12] Waarlijk, geen van u allen zal Hem ontsnappen! Of u het nu gelooft of ook niet gelooft, er is tóch een groot hiernamaals achter de poort van het graf, waar alle doen en laten geheel en al vergolden wordt!
[13] Ik ken het; want ik heb het gezocht en ook gevonden. Ik heb mijn eeuwige leven in mijn hand en ik zou er, als dat mogelijk was, duizend lichamelijke levens voor over hebben, als het alleen voor die prijs verkregen kon worden.
[14] Maar ik heb het, en het eeuwige leven heeft mij geleerd om het vleselijke leven te verachten, en er alleen maar zoveel waarde aan te hechten als voor mij nodig is om daardoor het eeuwige leven der ziel in al haar volheid te verwerven; en dat ik dat heel duidelijk en waar bereikt heb, dank ik alleen maar aan Jezus, die mij de verborgen weg daarheen gewezen heeft.
[15] En deze Jezus, deze God onder alle mensen, vervolgt u te vuur en te zwaard en u zult waarschijnlijk niet eerder rusten dan tot u met Hem gedaan hebt, wat uw vaders met alle profeten gedaan hebben!
[16] Wee u! God heeft u, die zichzelf schandalig genoeg Zijn volk, Zijn kinderen noemt, een God uit de hemel gezonden; ieder woord van Hem is een eeuwige waarheid uit God, overduidelijk voor ieder eerlijk mens, en u wilt Hem doden omdat Hij uw oude tempelmest afwijst!
[17] Wee u! Gods toorn zal u verschrikkelijk treffen!
[18] Ja, ik zou uw dochter nog wel kunnen helpen; ik voel de kracht nu in mij. Maar ik wil haar niet helpen, want jullie zijn duivels en geen mensen meer! En duivels zal ik nooit de helpende hand reiken!'
[19] Deze woorden drongen als gloeiende pijlen in het hart van de overste; wel zag hij de diepe waarheid in en hij wilde zijn baan al opzeggen; maar hij was bang voor het opzien dat dit zou baren en zei tegen Borus:
[20] 'Je zegt het beslist niet aardig, maar wat je zegt is waar. Als ik nu, zonder veel en in zekere zin verderfbrengend opzien te baren, voor mijn hoge functie kon bedanken, dan was ik volledig bereid om dat voor de genezing van mijn geliefde dochter te doen! Maar denk eens aan het verschrikkelijke opzien, dat deze stap zou veroorzaken! Daarom moet ik het voorlopig tot een beter moment verschuiven.'
[21] Borus zegt: 'Ik ben uitgepraat en kan nu weer een betere weg volgen dan die naar u voerde. Want hier is blijkbaar de hel op aarde, en daarin kan geen engel iets goeds doen, laat staan ik als een altijd nog zwak naar lichaam sterfelijk mens!'
[22] Na deze woorden verlaat Borus, zonder dat ze hem tegen kunnen houden, het huis van de overste en snelt opgewonden weg. Dat gebeurde in Kapérnaum op de tweede dag nadat wij op zee de boodschappers ontmoetten.
[23] Maar Ik rustte op de heuvel, en vertelde deze gebeurtenis een hele dag eerder dan de dag waarop zij in werkelijkheid plaats vond.
«« 229 / 242 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.