Booswichten in de val.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 1)

«« 231 / 242 »»
[1] Maar Kisjonah, Baram, Jonaël en Jaïruth gaan naar buiten, en Kisjonah controleert of alles in zijn grote huishouding in orde is. Overal is alles helemaal in orde, en de tolgaarders en tolbewakers zijn opgewekt en melden hun heer, dat er deze nacht nog een belangrijke vangst zou plaats vinden, die hen al aangekondigd werd.
[2] Kisjonah informeert naarstig, waar die vangst uit zal bestaan, en of het soms geen armen betreft die hun spaarzame voorraden naar de een of andere markt brengen, om daarvan hun belasting te voldoen.
[3] Dan zegt het hoofd van de tolwachters: 'Heer en gebieder! U weet, hoe zeer wij al uw rechtvaardige en voor de arme mensen werkelijk buitengewoon milde voorschriften eren en respecteren; maar aan deze vangst komt geen armoede te pas, maar een veelvoudig schandaal van de kant van de joodse Farizeeën en priesters en levieten.
[4] Zij willen van Kapérnaum uit in de wijde omtrek een aantal schandelijke beslagleggingen en afpersingen uit gaan voeren, en vannacht om het middernachtelijk uur zullen zij allerlei vee, graan, wijn en alle mogelijke gereedschappen naar Jeruzalem brengen om daar te verkopen. Maar dat gebeurt niet via de officiële weg, maar langs een sluipweg die zij zelf door het gebergte hebben gebaand.
[5] U weet, dat er vanwege de hoge rots die met zijn hoge en steile wand in zee vooruitsteekt, over land geen begaanbare weg is naar Sibarah, waar uw hulptol is die u altijd verpacht; men moet dus als men rechtstreeks van Sibarah hierheen wil, op de daarvoor aangewezen aanlegplaats mensen, vee en alle andere bezittingen over het water laten komen, of men vaart als de zee rustig is, wat zelden het geval is, rechtstreeks naar Pirah, waar ook een tol van u is die nu voor tien jaar verpacht is.
[6] Om al uw tollen echter te ontlopen, hebben de rijke Farizeeën door herendienstplichtigen al op Samaritaans gebied een sluipweg door het gebergte laten maken, en via deze weg doen ze vandaag de eerste poging.
[7] Ongeveer twee duizend passen hiervandaan het dal in naar Kana zullen ze het dal inkomen op de plaats, waar een door ons gebouwde brug over de beek voert, en waar de weg, die nog lang over uw grond doorloopt, over de beek gaat en aan de linker kant van het dal omhoog naar Kana gaat; we hebben echter vroegtijdig tegen de tweehonderd goed bewapende opzieners, wachters en gerechtsdienaars op de beste punten opgesteld. Ik beloof u, vader en heer, dat er geen muis doorheen komt! We zullen deze oerslechte booswichten wel eens kennis laten maken met Jehova, zodat ze hun leven lang aan Hem zullen denken!'
[8] Kisjonah zegt: 'Dat hebben jullie goed en degelijk georganiseerd; jullie loon zal je niet ontgaan! Het geld, dat de verkopers bij zich hebben, wordt als buit in beslag genomen, en alle vee, koren, meel en gereedschappen blijven zo lang hier, tot de overtreders al degenen waarvan ze het met geweld afgenomen hebben, precies omschreven hebben en wij het hen dan nauwgezet weer terug geven.
[9] Maar voor het feit dat ze zonder mijn toestemming door mijn bergen en bossen een weg hebben aangelegd, worden ze door de Romeinse rechter, die hier in mijn huizen zijn kantoor gevestigd heeft, tot duizend pond zilver veroordeeld; twee derde daarvan is voor de keizer en één derde voor mij volgens de plaatselijke wet.'
[10] Juist komt de Romeinse rechter aangelopen en vraagt, wat er te doen is bij de tol, of er soms verdachte mensen verwacht worden, en of men militaire hulp nodig heeft. Het hoofd van de tolgaarders herinnert de rechter echter aan datgene, wat hij hem overdag al gemeld had.
[11] Dan zegt de rechter: 'Ah, is het dat! Nu, zorg er maar voor, dat jullie de zwarte booswichten vangt! We zullen ze dan hier enige duidelijke lessen geven over de Romeinse zeden en wetten! De lust zal hen voor altijd vergaan, om Romeinse onderdanen tot de bedelstaf te brengen zodat zij niet in staat zijn om aan de keizer de hem toekomende belasting te betalen, terwijl van die zwarte booswichten nooit een stater los te branden is! Die kerels houden zich eeuwig arm en begraven goud, zilver, parels en edelstenen in massa's. En die van Kapérnaum zijn net de goede, net als die van Chorazin! Nou, reken maar, jullie spitsboeven, jullie zullen je streken zo thuis krijgen, dat je je leven lang er nog aan zult denken!'
[12] De rechter was nog maar net uitgesproken of men hoort ook al een luid geschreeuw in de verte uit het dal. komen, en de tolgaarder begint zich van vreugde de handen te wrijven en zegt heel laconiek: 'Aha, aha, zij hebben elkaar reeds ontmoet; binnen een kwartier zullen ze al hier zijn. Nu even vlug alle pekpannen aansteken, zodat het in het dal zo licht wordt als de dag en geen van de spitsboeven ons kan ontsnappen!'
[13] Nu worden vlug ongeveer veertig grote pekpannen aangestoken zodat de hele omgeving overal helder verlicht is, en de aanstekers zijn nog maar net klaar met hun werk als de eerste groep al arriveert, bestaande uit twaalf Farizeeën, die afgevaardigd waren om het geroofde naar Jeruzalem te brengen en daar te verkopen.
[14] De forse begeleiders plaatsen de twaalf gebonden Farizeeën voor de tolboom en zeggen tegen Kisjonah: 'Heer, hier zijn dan de hoofdverdachten, vijf uit Kapérnaum, drie uit Nazareth en vier uit Chorazin! Heel slechte kerels, die hun geld waard zijn! Hierachter komt nog van alles, een massa ossen, koeien, kalveren, geiten, schapen, ongeveer vierhonderd met graan beladen ezels met hun veulens, net zoveel muildieren beladen met wijnzakken en nog een keer ongeveer vijfhonderd ezels en lastpaarden met vastgebonden knappe meisjes en knapen, tussen de twaalf en achttien jaar oud, die allen voor de grote markt in Sidon bestemd waren. Tevens natuurlijk veel dienaren van deze twaalf hoofdverdachten! Het komt hier allemaal zo binnen; maak daarom plaats, zodat we alles zoals het behoort onder kunnen brengen!'
[15] Kisjonah zegt: 'Maak. aan zee maar meteen de grote stalling voor onderpanden open; daar kan alles ondergebracht worden, en gebruik voor de kinderen de grote herberg hier boven op de berg, en zorg er meteen voor dat ze. wat te eten en te drinken krijgen; want deze twaalf onmensen zullen hen onderweg maar heel karig voedsel gegeven hebben. O God, o God, waarom laat u toch op aarde zulke duivels macht hebben over de arme vreedzame mensheid?!'
«« 231 / 242 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.