Romeinse rechtspraak.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 1)

«« 233 / 242 »»
[1] Er worden nu vlug vooronderzoeken ingesteld, en nadat deze spoedig beëindigd zijn, worden de twaalf voorgeleid. Als de opperrechter hen ondervraagt, zeggen ze: 'Wij zijn eigen baas en wij hebben onze rechtbank in de tempel in Jeruzalem; buiten God en die rechtbank zijn wij over al ons doen en laten niemand wat voor antwoord dan ook schuldig, en u kunt ons dus vragen wat u maar wilt, u krijgt toch. geen antwoord meer van ons; want wij staan op wettelijke grond, en die is heel stevig, en u kunt ons niets maken.
[2] Daarop zegt de rechter: 'Voor dergelijke weerspannigheid heb ik een middel bij mij; het bestaat uit roede en zweep! Dat zal .u wel aan het praten krijgen! Want het gerecht kent geen klassenverschillen; voor het gerecht is ieder gelijk!'
[3] De voornaamste van de twaalf Farizeeën zegt nu: 'Oh, die middelen kennen wij en ook de kracht en de uitwerking daarvan; maar wij kennen nog een ander middel! Als wij ons daarvan bedienen, en. dat doen we waarschijnlijk wel, dan zouden wij wel de allerlaatsten zijn die U durft te berechten! Kent u de beroemde officiële verklaring van Caesar Augustus, die hij eigenhandig geschreven heeft en de priesters van Jeruzalem deed toekomen, waarin hij zegt:
[4] 'Deze priesterkaste is de keizerstroon in Rome beter gezind dan alle anderen; daarom moeten ook al hun wetten en voorrechten als heilig beschermd worden! Wee degene, die hen aanvalt! Die misdadiger moet wegens hoogverraad de zwaarste straf ondergaan!' Deze wet geldt nu nog net zo als dertig jaar geleden. Als u er soms niets van af wist, dan hebben wij uw geheugen nu opgefrist. Doe nu maar, wat en hoe u wilt; dan doen wij wel, wat ons belieft!
[5] Onze panden zijn geheel volgens de wet verkregen, en niemand kan en mag ze van ons afnemen. Nu op dit ogenblik kan dat wel met geweld worden gedaan, omdat wij niet sterk genoeg zijn; maar als wij onze panden hier inlossen, moeten wij vrij gelaten worden, en dan weten wij wel wegen om deze zaak verder te laten behandelen!'
[6] De opperrechter antwoordt: 'De zaak waarvoor u hier terecht staat gaat helemaal niet over de panden, hoewel u zich voor God en alle eerlijke mensen daarvan veel eerder meester gemaakt hebt door schandelijke roof, dan dat u daar het een of andere werkelijke recht op had. Want ik weet maar al te goed, welke voorrechten u door uw huichelarij van de keizer afgeperst hebt.
[7] Als Augustus u gekend had zoals ik u ken, dan zou u echt wel een ander getuigenis hebben gekregen! Maar jammer genoeg heeft hij zich door valse schijn laten bedriegen en heeft hij uw flakkerende lamp aangezien voor het licht van een zon en u daarom een voorrecht gegeven.
[8] Maar ik en overste Cornelius zijn van plan om u in uw ware gedaante aan de keizer te tonen, en dan zult u uw voorrecht vlug kwijt zijn! Verder kunt u mij dreigen zoveel u wilt; want ook ik bevind mij op wettelijke bodem, en wij opperrechters van dit land hebben sinds kort een nieuwe verordening ontvangen met betrekking tot uw intriges, waar de keizer nu ook van op de hoogte is, en daarin staat uitdrukkelijk vermeld, dat wij u zeer scherp in het oog moeten houden, en ik verzeker u, dat wij opperrechters deze nieuwste verordening uit Rome buitengewoon trouw en gewetensvol nakomen en wij hebben u al op een voor u beslist niet erg vriendelijke wijze beschreven! Begrepen?!
[9] U zuigt net als de Afrikaanse basilisk de onderdanen van de keizer de laatste druppel bloed uit, u maakt bedelaars van hen, en wat u nog over laat dat pakt de landpachter Herodes, opdat hij al zijn duizend hoeren vet en wulps kan voeren. Maar het arme volk moet in de grootste ellende versmachten! Is dat rechtvaardig?!
[10] Als er de een of andere god is, die maar net zoveel rechtsgevoel heeft als ik en net zoveel liefde voor het volk heeft als mijn jas, dan zou het onmogelijk zijn om zulke duivels, zoals u en uw Herodes, nog langer over de arme mensheid te laten heersen!
[11] 'Heb uw naaste lief als uzelf!' luidt een zedelijke wet in uw boek, dat God u gegeven zou hebben; hoe houdt u zich daar echter aan?!
[12] Waarlijk, de wet, die u altijd met veel ijver navolgt, heet haat tegen iedereen die u in uw geile en wellustige leven niet ten volle ondersteunen wil! Jammer genoeg heeft u voor dat doel op slinkse wijze een voorrecht verkregen, waarop u zich nu beroept om allerlei ongehoorde afpersingen te kunnen ondernemen.
[13] Gelukkig heeft u echter in dit geval buiten uw wettig genoemde pandopeising iets gedaan dat zelfs ook schijnbaar niet door een mij bekende wet goedgekeurd wordt. Deze daad, waarvoor u nu alleen hier terecht staat, heet vernieling van bos. Daaraan heeft u zich zeer uitgebreid in de mooie bossen van Kisjonah schuldig gemaakt. Hij is een Griek en een betrouwbaar onderdaan van de keizer, wiens rechten door iedere keizer van Rome met een compleet legioen zullen worden beschermd als ze ook maar in het geringste aangetast zouden worden, want hij betaalt jaarlijks daarvoor aan de keizer duizend pond, wat echt geen kleinigheid is.
[14] Over een weglengte van ongeveer vijf uur gaans heeft u bij de aanleg van uw geheime smokkelweg bijna duizend mooie jonge ceders en verscheidene duizenden andere mindere soorten oude en jonge bomen vernield, en volgens opgaven van beëdigde taxateurs heeft u Kisjonah een schade van meer dan tienduizend pond berokkend. Nu; hoe zult u deze schade vergoeden?!'
[15] De voornaamste Farizeeër antwoordt: 'Weet u dan niet, dat de aarde van God is en dat wij zijn kinderen zijn waaraan Hij zijn aarde persoonlijk gegeven heeft? Zoals God Zelf het recht heeft om met de aarde te doen wat Hij wil, hebben wij als Zijn kinderen ook dat recht en kunnen wij met de aarde doen wat wij willen. Ook al heeft de een of andere heidense macht ons dit recht voor een, tijdje ontroofd, dan zal ze het toch niet zo lang behouden; God zal het hen afnemen en weer aan ons, Zijn kinderen, geven.
[16] Uit het oogpunt van het recht van God behoeven wij geen schade aan het bos te vergoeden, omdat de aarde van ons is en wij daarmee doen kunnen wat wij willen. Maar tengevolge van de grotere, slechts schijnbare macht die u Romeinen nu wederrechtelijk over ons uitoefent, zullen wij ons wel verwaardigen om tot vergóeding over te gaan; maar er kan gerust negentiende van de tienduizend pond af. Want zoveel weten wij er wel van, dat wij best bepalen kunnen hoeveel de bomen waard zijn die wij gerooid hebben en waarvan wij natuurlijk maar een heel klein gedeelte gebruikt hebben voor de mogelijke bouw van bruggen; en over hoeveel schade spreken we dan nog?! Er ligt nu een nieuwe weg die de tollenaar Kisjonah heel goed gebruiken kan! Als hij hem zelf aangelegd had, dan zou hem dat zeker duizend pond gekost hebben; nu kan hij daar een nieuwe tol vestigen, en dan heeft hij in een jaar driemaal zoveel geïnd, dan wat de hele weg ons gekost heeft.'
[17] De opperrechter zegt: 'In naam van de keizer en zijn wijze wet veroordeel ik u, daar de schade door beëdigde taxateurs is vastgesteld, en omdat u zich als kinderen Gods alle macht over de gehele aarde aanmatigt, waaruit logischerwijze voortvloeit dat u ook macht over de keizer heeft waarvan hij tot op heden ook zelfs niet gedroomd zal hebben, maar waarmee u echter wel, door zo'n schandelijke aanmatiging, pure majesteitsschenners van de heilige persoon van de keizer geworden bent, tot een geldstraf van twintig duizend pond, waarvan een derde ten goede komt aan Kisjonah en twee derde voor de keizer is; tevens worden daarbij al uw panden verbeurd verklaard!
[18] Omdat echter op majesteitsschennis de onherroepelijke straf van de dood of de eeuwige verbanning staat, kunt u nu kiezen wat u liever heeft, onthoofding door de bijlof verbanning naar Europa 's ijsland! Ik heb gesproken in de naam van de keizer en diens wijze wet! Dit alles moet direkt ten uitvoer gebracht worden! AI vergaat intussen de hele wereld, het recht zal worden uitgeoefend!
[19] Kijk, zo doet een opperrechter uit Rome en hij is voor niemand bang, behalve voor de goden en de keizer!'
[20] Vervolgens Iaat hij zich naar Romeins gebruik water brengen en wast zijn handen; een gerechtsdienaar breekt een staf in tweeën en werpt deze voor de voeten van de twaalf.
«« 233 / 242 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.