De tempelschatten.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 1)

«« 239 / 242 »»
[1] Dan wendt Faustus zich tot de elf en zegt: 'Nu, hoe staat het met het ongeluk, waarmee u mij eerder zo arrogant gedreigd hebt? Wat zegt u hier nu over als gezalfde dienaren van God? Waarlijk, het moet verschrikkelijk bitter zijn voor iemand die een gezalfde van God heet, om als grootste staatsboef te kijk te staan! Maar heb maar geduld, u zult nog wel wat ergers meemaken; dit was maar een simpel voorspel!
[2] Echt, u hebt het maar aan Een hier te danken, dat ik u niet snel laat ontkleden, de vloek van de keizer over u uitspreek en dan overgeef aan de gerechtsdienaars, die staan te popelen om het vonnis uit te voeren! En deze Ene staat naast mij, de goddelijke Jezus uit Nazareth, die u allang hebt vervloekt en die door u nu van de ene plaats naar de andere vervolgd wordt alleen maar omdat Hij zo eerlijk is, om het door u verblinde. volk te laten zien, wie u in werkelijkheid bent.
[3] Onderzoek uw. innerlijk en zeg eens of er behalve uw satan nog iets ergers kan zijn, dan wat u bent!?
[4] U brengt het volk de kennis over een God bij waaraan u zelf nooit hebt geloofd; want als u in een God geloofde, aan Jehova, die Mozes u duidelijk heeft verkondigd, en waarin uw voorouders levendig geloofd en waarop ze gehoopt hebben, dan zou u met de almachtige God niet de honendste spot en de brutaalste schande bedrijven!
[5] U laat zich als zogenaamde gezalfde knechten van de Allerhoogste door het geestelijk doodgeslagen volk goddelijke eer bewijzen, en bovendien eist u niet op te brengen offers van het arme volk om daarvoor de poort naar Gods licht en levensrijk met ijzeren deuren en sloten te barricaderen.
[6] Vraag u zelf nu eens af, of er ergens nog groter misdadigers tegen God, de keizer en tegen de arme mensheid gevonden zouden kunnen worden, dan u bent!
[7] O dat onbegrijpelijke geduld en die lankmoedigheid van de grote God! Als ik ook maar een sprankje goddelijke macht had over de elementen, dan zouden de hemelen voor mij waarschijnlijk geen vuur genoeg hebben om bij dag en nacht over u uit te storten!
[8] Heer, waarom heeft U ten tijde van Abraham de tien steden met Sodom en Gomorra zo zwaar bestraft, -terwijl hun inwoners, behalve voor wat betreft hun verkeerde vleselijke lusten, toch blijkbaar engelen waren vergeleken bij deze booswichten, waarvan er nu in het hele Jodenland meer zijn dan het totale aantal inwoners van de tien steden!?
[9] U noemt zich Gods kinderen en zegt, dat God uw vader is! Waarlijk voor de God, die zulke kinderen ter wereld brengt, zou ik in der eeuwigheid niets doen; want die noemen ze bij ons Romeinen volgens de mythe Pluto, - en Satan of Beëlzebub, dat is uw vader!
[10] U bent het levende slechte zaad, dat uw vader altijd tussen het koren zaait, opdat daardoor het goddelijke zaad verstikt wordt, en u noemt zich gezalfde dienaren van God?! Ja, dienaren van de satan bent u; die heeft u gezalfd ten verderve van al het goddelijke op aarde!
[11] Als u maar een klein beetje minder duivels was dan u bent, dan zou ik terwille van die Ene, Die hier is, een zo draaglijk mogelijk oordeel over u geveld hebben. Maar omdat u zo meer dan duivels slecht bent, zal ik mijn naam niet aan u vuil maken, maar zal ik u aan de 'judicio criminis atri' (rechtspraak over zware misdaden) overleveren in Sidon; want daar wast iedere 'judex honoris' (rechter over zaken van eer) zich zeven maal de handen. ,
[12] Na het horen van deze woorden van Faustus verliezen ze de moed en smeken om genade en beloven een algehele ommekeer en verbetering en ze willen iedere schade, die ze iemand berokkend hadden, honderdvoudig vergoeden. .
[13] 'Waarmee dan?', zegt Faustus, 'de rijke grot is nu in onze handen; waar wilt u dan nog goud en schatten vandaan halen? Heeft u dan nog meer grotten, die uitpuilen van het goud, het zilver en de parels?'
[14] Dan zeggen de elf: 'Heer, wij hebben er nog één achter Chorazin, waarin oude schatten bewaard worden, die ten tijde van de Babylonische ballingschap uit de tempel en uit andere godshuizen daarheen gebracht zijn. Tot in onze tijd wist niemand iets daarvan; maar wij jaagden ongeveer zeven jaar geleden op korhoenders en wij zochten bijen en honing in het bos. Toen vonden wij na ongeveer dertig veldwegen gaans, al bijna helemaal op het Griekse gebiedsdeel, waar zich een middelmatig gebergte verheft, een plaats waar de honing en de was letterlijk over een vier mans hoge en loodrecht steile wand naar beneden liep. Bovenaan de wand was een opening te zien zo groot, dat een knaap van ongeveer twaalf jaar daarin rechtop zou kunnen staan.
[15] Boven deze opening verhief zich nog een steile wand, die zeker zeventig manslengten hoog was, zodat het zonder ladder onmogelijk geweest zou zijn de opening te bereiken, die zeker veel honing en was bevatte en waar we voortdurend een grote massa bijen zagen in en uitvliegen. Gauw werd een ladder en een behoorlijke hoeveelheid stro en allerlei gras bijeengebracht voor het uitroken van de bijen, en de operatie werd, een paar bijensteken niet meegerekend, succesvol uitgevoerd. Wij wonnen daar een paar honderd pond zuivere honing en net zoveel was; want er waren al veel raten van ongeveer duizend cellen aan beide zijden leeg.
[16] Maar toen wij de grondwas verzamelden, stootten wij al gauw op tempelgereedschap, en toen wij het metaal beter onderzochten, bleek maar al te gauw, dat het puur goud en zilver was. Wij drongen dieper en dieper door in de zich steeds verder uitstrekkende grot en vonden in haar dieptes steeds meer bewaarde schatten van onschatbare waarde. Wij lieten al de gevonden schatten ongeschonden in het hol; alleen versperden wij de buitenste opening met stenen en mos en lieten deze door beëdigde bewakers vanaf het uur van ontdekking tot op het huidige ogenblik bewaken. En zie, al deze schatten leveren wij aan u uit als u ons genadig bent en ons in de naam van de keizer de verschrikkelijke door u uitgesproken straf kwijtscheldt!'
[17] Faustus zegt: 'Ik wil er over beraadslagen! Maar geef me nu nog precies op, hoe dat zit met de grot in het gebergte van Kisjonah! Heeft u die ook tijdens een jacht op honing al vol ontdekt, of heeft u deze gevuld; en als dat laatste het geval is -waar zijn dan die schatten vandaan gekomen, en sinds wanneer is die grot al gevuld?'
[18] Dan zeggen de elf: 'Wij hebben wat daar ligt gedurende vijftien jaar door toegestane handel verworven; maar volgens een van onze nieuwere tempelvoorschriften mogen wij slechts een bepaalde som voor ons noodzakelijke levensonderhoud hebben, en moeten wij alles wat er meer !S aan de tempel afgeven. Als er bij iemand van ons, die in het land verspreid wonen, bij de jaarlijkse zeer strenge controle door de tempel een beduidend overschot wordt gevonden, bestraft men de betreffende persoon genadeloos als bedrieger van God. Om ons derhalve aan de straf te onttrekken en dan toch voor speciale gevallen iets te hebben, hebben wij de verborgen grot in het gebergte van Kisjonah uitgekozen en daarin hebben wij onze aanzienlijke overschotten opgeslagen. Dat is het hele geheim van de genoemde grot.
[19] Faustus vraagt nog:' Loopt de door u aangelegde weg helemaal tot aan de grot?'
[20] 'Nee, heer', zeggen de elf, 'slechts tot het zeer dichte struikgewas, waardoor men over een alleen aan ons bekend pad bij de voor niemand anders zichtbare grot kan komen.'
[21] Faustus zegt: 'Goed, dan bent u morgen onze gids! Maar voor vandaag, respectievelijk voor deze nacht is de onderhandeling gesloten; want voor dit moment weten we allen genoeg!'
[22] De elf werpen zich voor Faustus op de knieën en smeken om genade. Maar Faustus zegt: 'Dat hangt nu niet meer van mij, maar van een heel andere Iemand af; als Hij het u vergeeft, dan is het door mij ook vergeven, amen!' -Daarmee verlaten wij de rechtszaal en gaan ons lichaam de nodige rust geven.
[23] In de hal van het woonhuis wacht Lydia op Mij en Faustus, haar echtgenoot, en begroet ons en vindt het jammer, dat het ons wel een paar uren harde strijd gekost heeft.
[24] Faustus begroet zijn jonge gemalin eveneens en zegt tegen haar: 'Ja, geliefde Lydia, het was echt een harde strijd, maar met de goddelijke hulp van de eveneens goddelijke vriend Jezus, aan Wien alleen alle eer en alle lof toekomt, is de gehoopte ontknoping helemaal gekomen. Maar laten we dat nu laten rusten; morgen zal er nog veel gedaan moeten worden.'
[25] Uitgezonderd de nodige wachtposten ging iedereen nu slapen.
«« 239 / 242 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.