De bestraffing van de leugenaar en lasteraar.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 1)

«« 53 / 242 »»
[1] Onderweg zegt Simon Petrus opeens: 'AI die wonderen stijgen me nu toch behoorlijk naar mijn hoofd! Nee, wie nu nog niet beseft, dat deze Jezus uit Nazareth in levende lijve Jehova's echte zoon is, die moet in een tiendubbele Egyptische duisternis ronddwalen, of hij is morsdood! Zieken worden door een enkel woord plotseling gezond, blinden zien: doofstommen horen en lammen lopen, en de ergste melaatsen worden zo rein of ze nooit gezondigd hadden!
[2] Daarbij openen de hemelen zich en de heerlijkste engelen zweven in grote getale snel naar beneden, bedienen ons en gaan met ons om alsof ze sinds de schepping van de eerste mens de aarde nooit verlaten hebben, en ze zijn zo mooi, dat men bij hun aanblik zou wegsmelten van geluk! En als Hij nog nooit eerder gehoorde wijsheden zegt, dan moet je eens zien hoe deze mooie dienaars van Jehova vol eerbiedige opmerkzaamheid en heilige aandacht zijn, terwijl ze toch ook zo opgewekt zijn als de zwaluwen op een prachtige zomerdag! Waarlijk, als er iemand is, die nu nog zeggen kan: 'Deze Jezus is alleen maar een magiër en meer niet!', dan zouden ze die meteen als een os moeten slachten! Want zo'n mens kan geen mens zijn, maar alleen een beest dat praten kan, en moest dan ook niet sterven als een mens, maar als een huisdier!'
[3] Terwijl Petrus zo loopt te fantaseren en niet merkt, wat er om hem heen gebeurt, tikt een ongelovig burger uit de stad hem behoorlijk hard op de schouder en zegt: ' Als dat zo is, dan voel ik me als redelijk mens verplicht te voorspellen, dat jij als een klinkklare os sterven zult! Want als jij het in je leven nog niet zo ver hebt gebracht om te kunnen vaststellen wat een echte magiër allemaal kan, dan zou je in gezelschap van ervaren en intelligente mensen je grote mond dicht moeten houden!'
[4] Petrus zegt: 'Zeg eens, onbehouwen duistere geest! Kunnen jouw magiërs ook alle zieken door één woord op slag genezen, en de hoge hemelen openen die geen magiër met zijn hand of met zijn verstand kan bereiken?!'
[5] De burger zegt: 'O jij domme blinde Galileeër! Weet je dan niet, dat een echte magiër uit ieder stuk hout een vis of een slang kan maken?! Nog maar kort geleden was er hier een uit Egypte, die stokken in het water wierp en het werden direct vissen; als hij de stokken op het land wierp, werden het slangen en adders; blies hij in de lucht, dan waren er ineens sprinkhanen en ander vliegend ongedierte; hij nam een paar witte stenen, wierp ze in de lucht, en het werden duiven die wegvlogen; dan weer nam hij van de straat een handvol stof en verspreidde dat in de wind, en een ogenblik later was de lucht vol muggen, zodat men de zon er nauwelijks doorheen kon zien; toen hij daarna in deze muggen blies, kwam er een sterke wind en deze wind dreef de muggen als een wolk weg! Hij bracht ons daarna naar een poel achter de beek waar hij eerder vissen uit stokken maakte, daar raakte hij met een staf het water aan en het veranderde in bloed, en hij raakte het nogmaals aan en het werd weer water! 's Avonds riep hij naar de sterren en ze vlogen als tamme duiven in zijn handen! En hij beval hen en ze vlogen weer terug naar het hoge firmament! En zeg jij nu: 'Waar is een mens wiens handen tot in de hemel reiken?' Dat dit hier allemaal gebeurd is, kan ik door honderd getuigen laten bevestigen. - Wat zeg je nu over je Zoon van God uit Nazareth, waarvan ik wel weet wiens zoon hij is, en waar hij dat allemaal geleerd heeft?'
[6] Petrus zegt: 'Dan moeten die allen, die in Jezus van Nazareth wel de Christus herkend hebben, ook wel wat van deze magiër gehoord hebben, waarvan je hier al die wonderen hebt verteld. Maar ik denk eerder dat je als een krokodil, met zijn klagende kindergeluidjes, de zaak bedriegt, en aan je honderd getuigen wel steekpenningen zult hebben gegeven! Ik zal het dadelijk aan Jonaël vragen! En pas op als je me belogen hebt!
[7] De burger zegt: 'Deze mensen zullen je er niets over kunnen vertellen, omdat ze er niet bij waren uit angst dat de magiër dat allemaal met de hulp van de duivel deed, en dat de duivel hen iets zou doen! Alleen wij, die niet bang waren, gingen er heen, want wij geloven met dat de duivel bestaat, omdat wij de krachten der natuur iets beter kennen, en wij overtuigden ons en waren heel verbaasd over wat een mens allemaal kan!'
[8] Petrus zegt: 'Je bent een mooie klant, maar ik zeg je dat je het nu met mij aan de stok krijgt, en je zult je straf met ontlopen!, Kom maar mee naar de opperpriester van deze stad, voor hem zal dit zaakje uitgezocht en afgehandeld worden!'
[9] De burger zegt: 'Wat heb ik met deze opperpriester te maken? Ik ben een Galileeër en tevens meer Griek dan Jood; deze opperpriester is echter een domme ijveraar, en er wordt gezegd, dat zijn vier oudste dochters 's nachts met toestemming van de moeder, schandalige dingen uithalen en zich aan ontucht overgeven. Wat moet ik met zulke stommelingen? Kunst en wetenschap vind ik het belangrijkst, en ik heb veel achting voor geleerden en kunstenaars, maar dan moeten ze geen verbeelding krijgen! ., ,
[10] Als jullie meester, die ik werkelijk heel aardig en geleerd vind, in alle kunsten en wetenschappen zichzelf bleef, dan zou hij een van de hoogst geëerde mensen onder de Joden, Grieken en Romeinen zijn! Maar hij denkt dat hij God is, en dat is dom en hoort thuis in de oude duistere tijden!
[11] Jullie zijn in de aard van de zaak eerlijke en rechtschapen mensen, maar verder dan het vangen van vissen schijnt jullie kennis en ervaring niet te reiken. Laten we er verder maar niet over vechten! Jullie mogen geloven wat je wilt, maar ons kun je moeilijk iets wijs, maken, want Wij bezitten kennis en allerlei wetenschappen, Wij weten iets van magie af en weten daarom wat we aan jullie meester hebben!' .
[12] Petrus zegt: 'Vriend, het zal je niet lukken om wat zwart is weer wit te praten! Het gaat er hier niet om, wat je over mijn meester denkt, dat is een aardig verhaal om mij te laten vergeten hoe grof je, daarvoor tegen mij hebt staan liegen! Het kan me met schelen of je van de opperpriester vindt dat hij een ijveraar is, hij moet, als openbaar ambtsbekleder van deze kleine stad toch weten of er hier kort geleden zo n magiër is opgetreden, zoals jij mij die hebt beschreven! Want dat is voor mij het voornaamste, omdat ik daaraan wil afmeten, wat ik van mijn Meester moet denken!
[13] Denk je eens in; ik en velen met mij hebben alles, zelfs vrouwen kinderen, verlaten en zijn Hem onvoorwaardelijk gevolgd, omdat we Hem dingen zagen doen die volgens ons geen mens ooit kan doen, en omdat we Hem tevens zo wijs hoorden spreken als vóór Hem nog nooit een mens gesproken heeft en ná Hem waarschijnlijk nooit meer iemand spreken zal!
[14] Jij vergelijkt Mijn meester echter met een ander, die mijn Meester nog wel niet overtreft, maar toch wel gelijk is, die dingen doet waarvoor ieder mens het grootste respect moet hebben! En nu gaat het er alleen maar om, of mij klaar en duidelijk bewezen kan worden, dat zo'n magiër werkelijk die dingen gedaan heeft die jij hebt beschreven!
[15] Als het waar is, dan zweer ik je dat ik mijn Meester, Die volgens mij goddelijke kracht heeft, direct verlaat en terug ga naar mijn familie thuis! Want een schimmige magiër volg ik geen stap verder; want ik ben nog steeds een echte Jood, die Mozes meer gelooft dan honderdduizend fantastisch goede magiërs. Als je echter - wat voor mij vaststaat gelogen hebt, om uit pure kwaadaardigheid mijn verheven Meester verdacht te maken, dan ben je - zoals ik al eerder gedreigd heb -nog niet met mij klaar! Je zult ondervinden, dat ook ik door de genade van mijn goddelijke meester al tot heel wat in staat ben, zonder dat ik mij voor iemand als wonderdoener behoef voor te doen!
[16] Kom daarom maar heel gewillig met mij mee naar de opperpriester, die op dit ogenblik iets met jullie tollenaar Matthéus bespreekt, die waarschijnlijk ook wel wat van jouw magiër af zal weten, want hij was hier al die tijd in de stad en moet het dus weten. Kom nu maar gewillig mee, anders gebruik ik geweld!'
[17] De burger zegt: 'Waarom geweld gebruiken als ik niet mee wil? Wees verstandig, achter mij staan er een paar honderd! Als je het waagt om mij aan te raken, dan zal het je slecht bekomen!'
[18] Petrus zegt: 'Ik zal je met geen vinger aanraken, iets wat jij tamelijk onzacht met de jouwe wel beliefde te doen, maar toch zul je gedwongen worden! Er gaan hele scharen engelen van God met ons mee, die je kennelijk niet ziet! Eén wenk en ze brengen je daar waar ik je hebben wil en hebben moet!'
[19] De burger zegt: 'Zijn die hier meelopende witgeklede jongetjes soms jullie engelen? Ha, ha, ha! Nou als dat jullie beschermers zijn, behoeven we alleen maar een paar dozijn uitbranders uit te delen en dan liggen jullie samen met je witte beschermjongetjes buiten de muren van de stad!'
[20] Deze opmerking jaagt Petrus helemaal in het harnas en hij doet direct een beroep op een jongeman om de burger te bestraffen! De jongeman zegt echter: 'Ik zou het wel willen, als de Heer het wilde; maar de Heer heeft me nog geen opdracht gegeven en daarom kan ik je wens nog niet vervullen. Ga echter eerst naar de Heer en zeg Hem dat! Als Hij het wil, zal ik het doen.'
[21] Petrus liep dadelijk naar voren waar Ik was, en klaagde Mij zijn nood. Ik zei toen, terwijl Ik juist voor het huis van Jonaël bleef staan: Ga en breng die mens bij Mij!'
[22] Voor Petrus was dit een pak van zijn hart en hij liep snel terug en zei tegen de jongeman: 'Hij wil het!'
[23] Toen keek de jongeman de burger aan en deze begon te beven en terwijl de jongeman hem voortdreef, volgde hij Petrus zonder tegenspraak naar Mij. Ik zag hem aan en de burger bekende, dat hij gelogen had en dat hij zo'n magiër nooit gezien had, maar dat hij alleen maar over zo'n magiër had horen spreken en alleen maar had willen testen of deze leerling wel gelovig genoeg was, waar hij overigens beslist geen kwade bedoeling mee gehad had.
[24] Ik zeg: 'Jij bent er zo een, die met een tweede leugen de eerste leugen wil goedpraten en daarom ben je een kind van de duivel! Ga heen, hij zal je je loon geven, omdat je zo'n goede knecht van hem bent!'
[25] Meteen nam een boze geest bezit van de burger en begon hem verschrikkelijk te kwellen. Maar toen schreeuwde de burger zo hard mogelijk: 'Heer, help mij! Ik beken voor iedereen dat ik gezondigd heb!'
[26] Ik zei echter: 'Van wie heb je gehoord, dat de vier oudste dochters van Jonaël hoeren zouden zijn? Beken het hardop, anders laat Ik je kwellen tot aan het eind der wereld!'
[27] De burger zegt: 'O Heer, ik heb het van niemand ooit gehoord, maar ik kwam zelf eens op een nacht de vier dochters tegen toen ze water haalden aan de Jacobsbron, en ik deed ze toen oneerbare voorstellen. De dochters dienden mij echter dusdanig van repliek, dat ik maakte dat ik wegkwam, maar ik zwoer toen wraak te nemen; ik verzon met mijn slechte hart dat schandelijke verhaal en strooide dit als een gerucht overal rond! De dochters zijn beslist nog maagden! O Heer, alleen ik ben slecht, alle anderen zijn goed en rein!'
[28] Nu gebied Ik de boze geest om de burger met rust te laten, maar de burger moet Jonaël daarvoor in de plaats genoegdoening geven! De burger is echter een koopman, hij gaat terug en brengt voor de dochters tienmaal meer dan Ik gezegd heb en smeekt Jonaël en de dochters om vergeving.
[29] Maar Ik zeg tegen hem: 'Je kunt zo'n onrecht niet afdoen met een gift alleen! Ga heen en herroep overal al het slechte, wat je over hen verteld hebt; afhankelijk daarvan zullen je zonden je zijn vergeven! Zo zij het en zo geschiede het!'
[30] De burger belooft dat allemaal meteen te doen, maar merkt daarbij nog op, dat als een vreemde het gehoord mocht hebben, iemand, die hij niet kende en waarvan hij ook niet wist waar hij woonde, dat Ik het hem dan niet kwalijk moest nemen, als hij zo iemand de waarheid niet kon vertellen!
[31] Ik zeg: 'Doe wat mogelijk is, al het andere zal Ik doen en het zal je verder niet aangerekend worden!'
[32] Dan is de burger tevreden en gaat al het kwaad wat hij heeft aangericht weer goedmaken.
«« 53 / 242 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.