Begrafenis en Opstanding

Antonie Grossheim - Antonie Grossheim: De zeven woorden van Jezus Christus aan het kruis

«« 5 / 7 »»
[1] Toen werd Ik, d.w.z. Mijn omhulsel, weggedragen naar het graf dat op een aanzienlijke afstand buiten de stad Jeruzalem gelegen was en toebehoorde aan de hogepriester Nicodemus. Toen Mijn lichaam, dat volgens oosters gebruik rijkelijk voorzien was van specerijen en in witte linnen doeken was gehuld, in het graf werd bijgelegd, stonden Mijn vrienden wenend en klagend om Mij heen. Welk een verdriet deze trouwe zielen vervulde, toen ze in de veronderstelling verkeerden dat ze Mij voor de laatste keer op aarde zagen en ze zielsbedroefd afscheid van Mij namen - daarvan is in Mijn lijdensverhaal al melding gemaakt.
[2] Hier in dit boek zal alleen worden gesproken over Mijn dood en over de nu spoedig in vervuling gaande voorspellingen, die door de voor de blinde volksmassa onbegrijpelijke zeven woorden zijn aangeduid. Want nu is de tijd aangebroken, waarin Ik die woorden in daden zal omzetten!
[3] Nadat Ik bijna twee dagen lang in het graf had gelegen, was, om de Schrift te vervullen, de tijd van Mijn verheerlijking of opstanding gekomen. En toen de morgen van de derde dag was aangebroken, toen geschiedde het, dat Ik, bevrijd van de banden van de dood en de ziel verenigend met het vergeestelijkte lichaam, Mij tot Mijn hemelse Vader of Oergeest verhief en glorierijk als overwinnaar van de dood en de satan opstond.
[4] Het gebeurde op de eerste uren van de morgen dat Ik aan Maria van Magdalon, die Mij diep bedroefd in het graf wilde bezoeken, in de tuin verscheen. Buiten zichzelf van vreugde viel zij, toen zij Mij in het oog kreeg, in een waas van tranen aan Mijn voeten en kon nauwelijks tot rust worden gebracht. - 0, hoeveel zegen brengt een dergelijke liefde!
[5] Ik verscheen op deze dag ook nog aan enkele van Mijn leerlingen, evenals aan Mijn moeder Maria. Nu was eindelijk de tijd aangebroken dat Ik, na de vervulling van Mijn Mij door de hemelse Vader opgelegde offerdood, nog tijd en gelegenheid had om met Mijn vrienden te spreken en hun de waarde en de betekenis van Mijn bitter lijden en dood te verklaren. Wat ik gedurende die tijd tot aan Mijn hemelvaart allemaal met Mijn leerlingen heb besproken, daarvan is tot nu toe nog nergens op de wereld een verslag gevonden, omdat alleen in de brieven van Paulus aan de Efeziërs iets voorkomt, dat bijna dezelfde betekenis heeft als Mijn lessen gedurende dit verblijf van Mij op aarde in het geestelijk lichaam.
[6] Toen Ik zag, dat Mijn leerlingen Mij herkenden en Mij weer net als vroeger aanhingen, verzamelde Ik hen in een buiten de stad gelegen herberg en sprak met hen over Mijn dood en Mijn opstanding, en eveneens over Mijn spoedig daarop volgende hemelvaart naar de Vader. Mijn vrienden waren zeer bedroefd toen ze hoorden dat Ik hen voor altijd zou verlaten. Maar Ik troostte hen en beloofde hun een Trooster te zenden, die hen zou sterken en in alle waarheid zou leiden. Met deze troost stelden allen zich tenslotte tevreden.
[7] Daarop bracht Ik Mijn lieveling Johannes op de hoogte van alle gebeurtenissen, die de volkeren in de lange loop der tijden zullen overkomen. Ook vroeg Ik hem om alles op schrift te stellen wat Ik hem met betrekking tot de toekomst bekend zou maken. Dat gebeurde dan ook. Maar door latere oorlogen en veroveringen van de volkeren gingen al deze geschriften verloren.
[8] Luister dus en schrijf nogmaals op wat Ik jou hierover graag bekend wil maken.
«« 5 / 7 »»