Adam vraag naar de kinderen van middernacht

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 1)

«« 124 / 187 »»
[1] De vaderen bereikten nu zeer spoedig het uitgestrekte woongebied van de middernacht. Volgens de traditie werd dit door Adam en vervolgens door alle kinderen van de hoofdstam gezegend, waarna allen gingen zitten voor een korte rust.
[2] Maar toen zij daar reeds bijna een half uur hadden gerust, zie, toen begonnen allen zich hogelijk te verwonderen dat gedurende deze tijd ook niet één kind uit middernacht zich vertoond had. En weldra riep Adam Henoch bij zich en vroeg hem naar de oorzaak, zeggende:
[3] "Henoch, jij, die voor ons aller ogen zo door Asmahaël werd gesterkt dat de 'Verdorde aardhand' zich wel moest buigen voor de ademtocht van jouw woord, zie, er zijn hier geen kinderen! Waar zijn ze naartoe?
[4] Heeft de ineen stortende rotswand hen misschien begraven en zodoende allen tezamen gedood? Of zeg me, indien je dat mogelijk is, waarheen zijn zij getrokken of wat zou er met hen allen gebeurd kunnen zijn?
[5] Want zie, de omgeving ziet er werkelijk uit alsof een smadelijke dood pas kortgeleden een algemeen oogstfeest onder hen gehouden heeft!
[6] Ik zou Asmahaël (de Heer) wel daarnaar willen vragen; maar waarachtig, daartoe ontbreekt mij, evenals menig ander, geheel en al de moed. Want als ik bedenk wie er achter Asmahaël verscholen is en ook wat en wie ik ben, dan weigeren mijn tong en mijn longen onmiddellijk dienst en ben ik nauwelijks meer in staat nog een woord te uiten. Bovendien zegt mijn hart mij ook nog: 'Wat wil je dan aan de alwetende God vragen alsof er Hem iets niet bekend zou zijn wat er heimelijk in jezelf omgaat?! Heeft Hij niet van eeuwigheid af aan je gedachten voor je geordend, allang voordat Hij je vanuit Zijn oneindige liefde en erbarming vormde tot een tot denken in staat zijnd wezen?!
[7] Zie, beste Henoch, daarom kan ik niet datgene doen wat ik toch zo erg graag zou willen doen! Doe jij daarom hetgeen ik niet meer kan! Weet jijzelf vanuit Asmahaël iets, stel mij en alle overigen daarmee dan gerust; maar ziet het er in jouw hart net zo uit als in het mijne, wend je dan maar dadelijk tot Asmahaël, - die ons allemaal zeker allergenadigst en vol erbarmen uit deze grote verlegenheid en van deze angst zal verlossen! Amen."
[8] Nadat Henoch dat van Adam vernomen had, boog hij voor hem en wilde zich naar Asmahaël reppen om Hem te verwittigen van hetgeen Adam zo na aan het hart lag, want die mensenloze omgeving kwam ook hem uitermate zonderling voor. Maar hij had nog nauwelijks zijn eerste schrede gezet of Asmahaël was hen beiden al voor en stond, klaar om te spreken, reeds tussen hen in en begon de volgende woorden tot hen te richten, zeggende:
[9] "O Adam! Geloof je dan in je hart, waarin jouw zeer verzwakte geest woont, dat de Heer op een koning uit de diepte of op jou lijkt, zodat er dan vele wezens nodig zouden zijn om Hem te benaderen?! Zie, Ik heb geen bewakers en ook geen deurwachters nodig en ook geen in volgorde gerangschikte, eerstgeboren hoofdstamkinderen, via welke iemand pas aan Mij voorgesteld moet worden; ook eis ik niet dat iemand eerst wel een uur lang plat op zijn gezicht voor Mij moet liggen, opdat hij daardoor waardig mocht worden dan voor Mij, zijn God en Schepper, overeind te komen; maar alles wat Ik in liefde verlang, is een getrouw, tot Mij gekeerd liefdevol en deemoedig, door berouw gelouterd hart en met zo' n hart hoeft geen mens een omweg voor Mij te maken, omdat Ik zondermeer voor hem toch altijd al zijn Allernaaste ben en moet zijn! En als het niet zo zou zijn, wie zou er dan wel in staat zijn ook maar een flits van een ogenblik lang zijn leven te behouden, omdat immers alle leven het allernaast en allernauwst uit Mij voortkomt en ook in eeuwigheid nooit ergens anders vandaan kan komen!
[10] Maar als je bang bent om de alwetende God iets te vragen, hoe kan het dan dat de Alwetende er vervolgens niet tegen opziet jullie ter wille van jezelf zoveel vragen te stellen, opdat je zult ontwaken?!
[11] Maar Ik denk dat ingeval van onwetendheid de onwetende meer reden heeft zich met vragen tot de Alwetende te wenden, dan de Alwetende tot de onwetende.
[12] Wanneer Ik jullie, die geen antwoord weten, dus vragen stel, dan zou het ook niet misplaatst zijn als je Mij vragen stelt over datgene wat je niet weet, maar toch heel graag zou willen weten!
[13] Zie Adam, jouw moeilijkheden zijn Mij zeer goed bekend! Je vraagt naar de kinderen van middernacht en zou erg graag willen weten wat er van hen is geworden; op dit moment zeg Ik het je echter niet, maar je moet hen zoeken en laten zoeken. En als je dan niemand gevonden hebt, kom dan pas bij Mij en vraag het aan Mij en Ik zal je dan naar de kinderen leiden; want dat wat verloren is moet eerst gezocht worden! Amen."
«« 124 / 187 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.