De hoge Abedam in de kring van Zijn zalige kinderen. Het einde van het onweer

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 1)

«« 162 / 187 »»
[1] Na deze warme woorden van dank wendde de hoge Abedam zich liefdevol tot Seth en zei tegen hem: "Seth, Mijn zoon, kom hierheen, hier aan deze borst, die je al heeft liefgehad eer er nog ergens een zon de baan van haar aarde verlichtte!
[2] Houd van Mij, houd van ganser harte van je Vader, die uit eeuwige liefde voor jou de wijde hemel over aarde, zon, maan en sterren uitspande om je te kunnen tonen wat voor een buitengewoon goede, heilige Vader Hij in eeuwigheid voor jou was en voor eeuwig wil en zal blijven!
[3] Niet waar, Mijn geliefde Seth, aan het hart van de eeuwige, heilige Vader is het zacht en goed rusten?!
[4] Kom ook jij hier, Adam, en jullie alledrie, en voel en proef hoe zoet de liefde van de heilige Vader smaakt en hoe goed zij is voor het vermoeide hart van de kinderen!"
[5] Zij vielen allen voor Hem neer en riepen in de hoogste geestvervoering: "O Gij bovenal goede, heilige Vader", - en geen van hen was in staat meer te zeggen.
[6] Maar Abedam richtte hen op en zei verder nog tot hen: "Mijn geliefde kinderen! Jullie hebben Mij dikwijls gezocht, hebben Mij lang en moeizaam gezocht, ja, voorbij alle sterren heb je Mij gezocht terwijl ik toch aanhoudend in je midden wandelde; maar jullie hebben Mij niet kunnen vinden en kunnen herkennen omdat je ogen en daardoor ook je hart steeds in de verte waren gericht om Diegene te zoeken en lief te hebben die jullie allen toch steeds zo na was, ja nader dan een ieder zichzelf!.
[7] Maar nu hebben jullie Mij gevonden en zijn daarover meer dan gelukkig; laat ons daarom dan ook nu naar buiten gaan en kijken wie er allemaal verlangend naar onze hulp uitzien!
[8] Jou, Seth, geef Ik nu de macht de nog hevig woedende storm tot bedaren te brengen, - en dan zal spoedig blijken wie allemaal nog de nabije Vader zullen herkennen! Amen." (26 nov. 1841)
[9] En zo gingen zij uit de woning naar buiten, waar het noodweer, hoewel schijnbaar enigszins afnemend, nog met grote kracht woedde. Toen ze langs Eva kwamen zei Abedam, de hoge, tegen het vijftal dat Eva omringde en troostte:
[10] "Blijf zolang daar waar jullie nu zijn, totdat wij terugkomen! Wie de naastenliefde uitoefent zal wederom naastenliefde ondervinden; maar wie de zwakke moeder verzorgt, zal op aarde met liefde worden beloond en wie liefde heeft als loon, heeft een waardevol pand in zijn hand waarmee hij zich gemakkelijk het allerkostbaarste zal kunnen verschaffen.
[11] Ik zeg jullie: als de mens zou weten, hoe dicht hij dikwijls bij het hoogste geluk is, dan zou hij alles verlaten en daar achteraangaan! Maar het is ook goed dat hij het niet weet; want zou hij het weten, dan zou hij traag worden en eigen grond en bodem onbewerkt laten.
[12] Daarom blijven jullie ook hier en bewerken je grond; want het hangt niet af van een lange tijdsduur, maar menigmaal komt het ook op een minuut aan. Wanneer op dat ogenblik het zaadje in het aardrijk valt, komt het weldra op en de snel uitgebotte kiem zal dan spoedig zijn nieuwe twijgjes in het licht van de dag uitspreiden!
[13] Ik ben een zeer ervaren Zaaier en ken de juiste tijd om zaad in het aardrijk te strooien. Laat daarom dit zaad vroegtijdig opkomen en kweek het op met de warmte van je hart! Waarlijk, er zal aan zijn snel volgroeide takken geen gewone, alledaagse vrucht te voorschijn komen!
[14] Blijf daarom hier en sla acht op deze woorden!"
[15] Na deze woorden verlieten zij meteen de woning. Het vijftal begon echter nadat de zes de woning verlaten hadden elkaar te ondervragen: "Wie is deze vreemdeling eigenlijk? Waar komt hij vandaan?
[16] Is dat niet degene die zich aan het begin van de avond samen met de teruggekeerde Abedam bij ons aansloot?!
[17] Hij ziet er anders toch als een heel gewoon mens uit! Waar heeft hij dan zulk een wijsheid opgedaan; wij hebben hem toch vroeger nooit in ons midden gezien?
[18] Zijn woorden behoren zeker tot de merkwaardigste die wij ooit hebben gehoord! Hij zei van zichzelf dat hij een zeer ervaren zaaier was. Hij zou nu een zaadje in ons hebben gestrooid; dat zou spoedig uit moeten komen en zoals wij het begrijpen, reeds op de volgende dag, dat is dus morgen op de sabbat, twijgen, bladeren en heel ongewone, geheel rijpe vruchten dragen! Wat moeten dat dan voor vruchten zijn?
[19] Laat dat begrijpen, wie het kan en wil; maar wij, die toch allemaal Emmanuƫl Abba gezien en gehoord hebben en getuige waren van al Zijn wonderdaden en door Hem gewekt en gezegend zijn, kunnen deze woorden niet begrijpen!
[20] Het is weliswaar vreemd dat wij als gezegenden daartoe niet in staat zijn, - maar het is nu eenmaal zo"
[21] Eindelijk viel het Enos op dat het licht was in de woning en hij gaf dat ook meteen aan de overigen te kennen.
[22] Kenan zei toen tegen Enos en ook tegen de anderen: "Luister, dit is waarlijk merkwaardig, - nu pas valt het ook mij op! Er is nergens een lichtbron te zien en toch heerst hier binnen het volle daglicht!
[23] Hoe is dat mogelijk? Wie van ons allen begrijpt dit?"
[24] Maar Eva richtte zich op en merkte het volgende tegen het vijftal: "Kinderen, waarom vragen jullie aan elkaar dingen die geen van jullie begrijpt!
[25] Luister, de storm is geheel gaan liggen; aangename rust heerst nu weer boven de hard beproefde vlakten van de aarde; van de bladeren van de bomen vallen de laatste druppels van de doorstane grote angst en een koele dauw heelt menige wond die de bliksem zeker in de gezonde stammen heeft geslagen; en een verkwikkende slaap zal zich al meester gemaakt hebben van de kleine bange kindertjes; en allen die dit lange uur van verschrikking wellicht tot vertwijfeling bracht, zullen neergevallen op de grond met door wroeging verteerde harten en badend in tranen van berouw, God voor deze redding danken.
[26] Hoe kunnen jullie je dan het hoofd breken over een gevonden lok schapenwol, - terwijl je geen acht slaat op het levende schaap?!
[27] De ervaren Zaaier heeft een heerlijk zaadje in je gestrooid; maar wanneer je dat vertrapt, zullen weinig twijgen het daglicht aanschouwen!
[28] Je weet immers allemaal dat het zaadje rust moet hebben in de aarde, wil het ontkiemen en vrucht dragen en zodoende gedijen en zegen brengen! Waarom wil je dan jullie zaadkorrel geen rust gunnen in plaats van het met de doffe scherpte van je verstand te vertrappen?!
[29] Niet alleen voor degenen die daar buiten zijn is de storm gaan liggen, maar ook voor jullie! Ja wij zijn allemaal gered! Overdenk daarom in plaats van je hoofd te breken liever in je hart, wie ons heeft gered en dank Hem voor een dergelijk groot erbarmen, dan zal het zeker eerder licht in je worden dan door je gepieker!
[30] Vraag je niet af wie die vreemdeling is, omdat nog geen van jullie Hem kent, maar schenk liever daarvoor in de plaats in je hart aandacht aan Zijn heerlijke woord, opdat het spoedig zal ontkiemen en opkomen! En als je dan bij daglicht de vrucht zult zien, zal het zeker makkelijker voor je zijn aan de vrucht de vreemde, heerlijke Zaaier te herkennen dan dat jullie met je in duisternis gehulde hoofden reeds het daglicht willen aanschouwen of misschien wanen het reeds te zien!
[31] Ofschoon de vrouw niet zal onderrichten, is de moeder echter gerechtigd haar dwaze kinderen terecht te wijzen als zij dwaasheden bij hen bemerkt. Begrijp dat goed! Keer in in jullie harten en zoek daar licht voor je duisternis en zwijg! Amen."
[32] Deze woorden van Eva nam het vijftal zeer ter harte, zodat zij ook onmiddellijk dankbaar deden wat Eva vanuit haar moederliefde zeer terecht van hen verlangde.
[33] Wat deed het zestal buiten intussen? In welke staat vonden zij bij het naar buiten treden de aarde en de kinderen daar op de grond?
[34] Nog doorkruisten duizend bliksemschichten de gloeiende wolken; rondom hen heerste in nog honderd vulkanen de grootste activiteit; de zee was mijlen en mijlen ver teruggeweken; hier en daar brandden nog door de bliksem in brand gestoken bossen; dof rolde nog de donder; niet zelden sloeg een bliksemflits nog geweldig krakend in de nog hevig bevende aarde en het gehuil van de nu reeds ver verwijderde woudbewoners weerklonk nog huiveringwekkend uit de diepten!
[35] Zo was het buiten nog gesteld. En duizenden en nog eens duizenden kinderen lagen daarbij in grote kringen om de woning van Adam en prezen God voor de redding; en bevende moeders haalden huilend hun kleine kinderen, die niet zelden meehuilden, naar zich toe; reeds sliepen enigen, moe van de verschrikkingen op de schoot van hun snikkende moeders in.
[36] En het zestal ging rond en bekeek alles en troostte de terneergedrukte harten van de vaders en moeders.
«« 162 / 187 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.