De zeven mopperaars uit het middaggewest bespotten Sethlahem

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 1)

«« 173 / 187 »»
[1] Toen Sethlahem als onbevangen oog - en oorgetuige dat van de hoge Abedam had vernomen, begon hij iets groots te vermoeden. Zijn hart brandde en een innerlijk inzicht zei hem: "Zoals deze vreemdeling spreekt, waarlijk, zo kan toch immers geen mens spreken! Achter deze vreemdeling moet iets buitengewoons schuilen!"
[2] Volgens dit innerlijke inzicht en door dit innerlijke inzicht geleid en krachtig aangespoord, ging Sethlahem vervuld van de grootste deemoed naar de hoge Abedam en vroeg Hem:
[3] "Hoge vreemdeling, jij, die vervuld bent van alle goddelijke wijsheid en schijnbaar ook niet minder vervuld van goddelijke kracht, mag ik je vragen van mij de kleine dienst aan te nemen dat ik hier voor je aangezicht diegenen breng die over Jehova's instellingen morren, zonder erbij te denken of zich toch op zijn minst te laten onderrichten, dat Jehova, de eeuwige, heilige God, alles wat reeds gebeurd is, nu gebeurt en nog eeuwig zal gebeuren, zeker reeds van eeuwigheid her heeft voorzien en het ten aanzien van de vrije mens, ook reeds zo heeft bestemd?!
[4] Te oordelen naar hetgeen Henoch mij reeds getrouw over je heeft bericht en naar hetgeen ik nu zelf in het gesprek met Henoch van je heb vernomen, zal één woord van jou bij deze mopperaars zeker meer tot hun verbetering bijdragen dan duizend woorden van mij.
[5] Want deze zeven zijn nu juist in alles ook de meest onbuigzamen van het hele middaggewest.
[6] Waarlijk, iets ergs zal hen immers niet overkomen; maar zij moeten helemaal beter worden, ja zij moeten beter worden!
[7] Als je dus wilt, zal ik onmiddellijk gaan." - En de hoge Abedam antwoordde hem:
[8] "Sethlahem, Ik zeg je, als je Mijn woord zou begrijpen, dan zou je ook begrijpen dat Ik jouw dienst ontberen kan!
[9] Maar omdat Ik nog geheel en al een vreemdeling voor je ben, kun je wel gaan en doen waarnaar je verlangt!
[10] Maar mochten je zeven mopperaars je misschien niet willen volgen, dan kun je meteen weer omkeren en je alleen en onverrichter zake hierheen begeven! Amen."
[11] En terstond ging Sethlahem naar de mopperaars toe, die zo'n vijftig schreden verderop stonden. Toen hij bij hen was aangekomen, vroeg onmiddellijk een van hen aan hem, zich enigszins vrolijk makend:
[12] "Nu, hoeveel handen vol stenen aan gewicht ben je nu wijzer geworden?!
[13] Heeft Henoch je soms de verzuurde gelijkenis van gisteren over de ver verwijderde bergen verklaard?! Of heeft hij je misschien wel weer een nieuwe sprekende tijger getoond?!
[14] Ja, ja, bij mensen van jouw slag moet altijd al een sprekend dier tot prediker der wijsheid worden; want woorden van mensen zoals wij worden zondermeer als waardeloos beschouwd.
[15] Sethlahem, zie, het is werkelijk doodjammer dat de grote zonderling Henoch gedurende deze stormnacht niet bij je was, omdat minstens enige honderden van de mooiste tijgers en nog vele andere beesten ons met een bezoek vereerden! Wat zou jij niet van al die woudwijzen met hun lange staarten hebben kunnen leren als Henoch hen allen sprekend zou hebben gemaakt!
[16] Waarlijk, dat is de zotternij toch een beetje te ver gedreven! - Een sprekende tijger!
[17] Als dat zo verder gaat, zullen op zijn laatst in het volgende jaar ook bomen en gras beginnen te spreken en waarom niet de stenen zelf en de beken en tenslotte zelfs de zee!
[18] En na drie jaar - geloof het maar vast; want dat is immers jouw leuze! - zal iedere uit de hemel vallende regendruppel tegen je zeggen: 'Goede morgen, wijze Sethlahem! Hoe heb je geslapen?!' En meer van dergelijk vertoon van wijsheid!
[19] Dan pas zul je opzien en je oren tot het uiterste spitsen en je mond nog verder opensperren dan een tijger zijn muil, wanneer deze kalmpjes aan met één hap een stier zijn maag in laat glijden en zul je met een ongekend verwonderde uitdrukking op je wijze gezicht zeggen: 'Wat - is - dat?'
[20] Sethlahem, zie je dan de dwaasheid van jouw wijsheidsdromerijen nog niet in?!
[21] Kijk, als van oudsher, volgens de verklaring van Adam, die nog leeft en als ons aller vader alle geloof verdient - vooropgesteld dat hij de eerste mens op aarde is; want de aarde schijnt groter te zijn dan dat zij oorspronkelijk slechts voor één mens bestemd zou zijn geweest! -, oude, vrome gebruiken gangbaar waren, waarom zal daaraan dan iets veranderd worden, omdat daarenboven voor de waarachtig verstandige wijzen aan deze oude ceremoniën niets anders gelegen is dan slechts het vanwege de oudheid gedenkwaardige historische element?! Wanneer dat nu wegvalt, zeg me, welke andere waarde kan dit echte kinderspel wel voor denkende mensen hebben?!
[22] Of zou je als wijze misschien zelfs willen of kunnen beweren, dat God, de oneindige, er genoegen en vreugde aan zou beleven, als wij tot Zijn eer een paar houten stokken aansteken en dan de matte vlam die een geslacht schaap verteert, aangapen misschien nog dommer dan het geslachte schaap zelf?!
[23] Waarachtig, zulke buitengewoon domme begrippen over de Godheid, van wie talloze sterren en zonnen als een eeuwig offer brandend getuigen, steken de draak met de menselijke geest!
[24] Zeg nu, Sethlahem, als je overigens nog een klein vonkje gezond verstand bezit, of het niet zo is en of jij het ook niet noodzakelijkerwijs zo beziet, - vooropgezet dat jou niet door de een of andere gestreepte woudwijze iets beters aan de hand gedaan is! Want wat zo' n in één hap een hele stier opvretend bewijs al niet kan, begrijpen wij allemaal!
[25] Spreek, spreek nu, als je wilt of kunt! Of heb je misschien de verre blauwe bergen niet voldoende verwerkt?! Of kun je misschien je mond niet ver genoeg openen?!
[26] Zie, wij hebben immers niet zulke oren, die eerst door een tijgerachtig gebrul gekieteld moeten worden om jouw nieuwe gevoelige henochiaanse wijsheid te vernemen, maar onze menselijke oren hebben nog genoeg aan een gewone, menselijke stem; open daarom maar welgemoed je wijze mond! Amen."
[27] Hoe het de arme Sethlahem bij deze spitsvondige woorden te moede was, is niet moeilijk te raden als men er bovendien nog bij bedenkt dat hij, een beetje opschepperig, hier een wit voetje had willen halen; maar aan de andere kant was hij van de woorden van de vreemdeling en ook van die van Henoch zo doordrongen dat hij zijn blik al op de aarde richtte, of deze zich niet ergens al zou beginnen te openen om die geweldige lasteraars te verslinden.
[28] Daarom was hij ook niet in staat een woord over zijn lippen te krijgen, maar keerde zich onmiddellijk, weer in hoge mate verdeemoedigd, om en snelde terug naar Henoch en de vreemdeling.
«« 173 / 187 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.