Henochs uitbundige liefde spreekt tot de heilige Vader. De heilige Vader billijkt de overmatige liefde van Henoch. De bekering van Lamech als getuigenis van de macht van de goddelijke liefde

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 2)

«« 224 / 280 »»
[1] Gloeiend van liefde snelde Henoch naar de Vader en zei in zijn hart: 'O meer dan goede, meer dan heilige, allerliefdevolste Vader, wat een bovenmatig geluk hebt U mijn hart bereid! Ik, een zwak mens van deze aarde, mag U begeleiden?!
[2] Al ben ik dan de door U aangestelde en beroepen hogepriester, wat is dat vergeleken met U, allerheiligste, meest liefdevolle Vader?!
[3] Maar niet ik, nee eeuwig niet ik, heb mijzelf daarvoor waardig bevonden, maar - o heilige Vader! - Uw oneindige mildheid, genade, liefde en erbarmen heeft dat immers gedaan; en daarom wil ik U wel tot stervens toe liefhebben!
[4] O was het toch maar mogelijk om U met alle kracht en macht van de hemelen lief te hebben; hoe eindeloos zalig zou het zijn om dat te doen!
[5] O Vader, eeuwige, allerzuiverste en almachtige liefde, laat mij die nog niet in staat is tot dergelijk allerhoogst hemels genot, hier toch niet zo onuitsprekelijk gelukzalig zijn, want mijn hart verdraagt die liefdesbrand bijna niet meer!
[6] Maar wat zeg ik toch allemaal in mijn vervoering?!
[7] Dit alles is immers Uw heilige wil; laat daarom ook altijd alles geschieden zoals het U welgevallig is!
[8] O heilige Vader! Hoe goed moet U in Uzelf zijn, dat ik, een niets ten opzichte van U, reeds zo buitensporig veel van Uw oneindige goedheid ondervind!
[9] O aarde, sidder van te grote verrukking, want de Schepper, die je levend schiep, wandelt nu op je! En jij, arme zon, durf je nu nog je lichtstralen naar de aarde te zenden, nu Hij hier wandelt, die jou eens met Zijn zachte adem liet ontstaan?!
[10] Nu spreek ik alweer zo verward door de liefde! Terwijl de aarde zwijgt van al te grote, verheven eerbied, want zij voelt immers wie Hij is, die zij nu draagt! En de zon brengt niet haar zachte stralen de grootste lof die zij de Heer kan brengen!
[11] Alles, alles is in een verheven eerbiedig stilzwijgen bevangen; alleen ik praat voortdurend in mijzelf!
[12] Ik zondig kennelijk tegen de vereiste eerbied, - maar ik kan er niets aan doen, want ik houd zoveel van Hem dat ik mijn voortdurend door liefde spraakzame hart niet in toom kan houden!
[13] Welk geluk en welke zaligheid kan ook in eeuwigheid met deze vergeleken worden: bij Hem te zijn, aan Zijn meest liefdevolle, vaderlijke, almachtige zijde te gaan en Hem uit alle macht te mogen liefhebben?!
[14] Maar wees nu stil, mijn hart, want Hij kijkt alsof Hij iets tegen mij wil zeggen!
[15] O verheug je, mijn gehele wezen, want je zult weer uit de allerheiligste mond van de Vader - woorden van leven horen!'
[16] Op dat moment kwamen de nu negen personen ook van de berg naar de laagvlakte, en de Heer aan Henochs zijde bleef staan en zei tegen allen:
[17] 'Vrienden, hier zullen wij even blijven staan! Want Ik zie dat sommigen van jullie wat moe geworden zijn; en jij, Mijn beminde Henoch, bent het meest vermoeid, - want jouw hart had zich bijna aan Mij vergrepen!
[18] Maar Ik zeg je: Uitbundig groot is je liefde tot God, je Vader; maar als het voor jou mogelijk zou zijn de vreugde van de Vader te proeven over de grote liefde van een kind tot Hem, en dan Zijn grote liefdesfantasieƫn en gedachten te bevatten waarin Hij almachtig, oneindig en eeuwig grote plannen maakt om zo'n Hem boven alles beminnend kind ook zo oneindig gelukkig te maken als het ooit maar door Zijn oneindige almacht mogelijk is, dan zou je reeds vergaan bij de geringste toenadering tot een dergelijke gedachte van God!
[19] Mijn geliefde Henoch, ga jij maar altijd door met jouw uitbundige zuivere liefde tot God, dan zal eens uit die uitbundige liefde een grote werkelijkheid voortkomen waarover je geest zich hogelijk zal verwonderen!'
[20] Hierna wendde de Heer zich tot Kisehel en zei tegen hem: 'Kisehel, zie je nu welk een macht de liefde van de Vader heeft?
[21] Zie, toen je naar de laagte werd gezonden, twijfelde je nog heimelijk aan het welslagen ervan en dacht je na het eerste optreden stilletjes in jezelf:
[22] `De macht van de Heer is weliswaar eindeloos veel groter dan zelfs een volmaakte geest ooit ook maar enigszins kan begrijpen; maar wat Lamech betreft, daar zal niet veel mee te beginnen zijn - en door de liefde wel het allerminst!
[23] Lamech zou gedood en dan opnieuw tot leven gebracht moeten worden met een geheel andere wil, - anders zal iedere poging mislukken!'
[24] Nu zie, wij hebben niets anders nodig gehad dan alleen de liefde, en de hele laagte staat nu gereinigd voor ons!
[25] Laat het ook eeuwig daarbij blijven! Daar waar de liefde niets meer tot stand kan brengen, daar zal ook geen andere macht in staat zijn iets te bewerkstelligen!
[26] Alle werken van de schepping zijn immers uit de liefde ontsproten; hoe zouden dan de werken machtiger kunnen zijn dan de liefde die hun oergrond is?! Wend dus altijd de liefde aan, dan zal uiteindelijk alles gewonnen zijn!
[27] Maar laat ons weer verder trekken nu wij weer uitgerust zijn; want er is al een grote menigte wachtenden.
[28] Laten wij daarom gaan, opdat onze zegen hen op de juiste tijd bereikt! Amen.'
«« 224 / 280 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.