Het wantrouwen van de arme gasten ten opzichte van Lamech. De goede raad van de I leer en Lamechs broederlijke woorden aan de arme gasten

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 2)

«« 254 / 280 »»
[1] En toen allen voldoende hadden gegeten, stonden zij van hun plaats op en dankten de Heer voor het heerlijke en zeer goed smakende maal.
[2] En alle genodigden, deels armen en deels voormalige gevangenen, deden evenzo.
[3] Al deze gasten dankten ook de God van Farak; want zij wisten niet dat de heilige Gever Zich in hun midden bevond.
[4] Pas nadat zij de God van Farak hun innerlijke dank hadden gebracht ging iedereen naar Lamech, legde zijn handen kruiselings over zijn borst en bracht daarmee ook hem hun dank voor zijn grote goedheid.
[5] Maar Lamech wendde zich tot de dankenden, wees hun dank af en duidde de arme gasten met zijn blikken aan, dat zij de arme man moesten danken en voegde daar enigszins verholen als een goedmoedige uitleg aan toe: 'Niet ik, maar Hij is de ware Gever van al deze en nog talloze andere goede gaven!'
[6] De arme gasten keken elkaar verbaasd aan en vroegen zich, geheel verbluft heimelijk af: 'Wat wil de verheven koning Lamech daarmee aanduiden? Die arme gast, die net als wij toch zelf niets heeft, zouden wij moeten danken?! - De koning heeft van oudsher al de vreemdste idee├źn en dit is zeker ook weer zo'n inval van hem! Wie weet, laat hij ons allen vandaag nog zieden en braden! Laten wij daarom maar zien dat we zo snel mogelijk uit zijn al te gevaarlijke nabijheid te komen!'
[7] Maar Lamech hoorde dat gefluister en greep meteen de hand van zo'n wantrouwige en vroeg hem op zijn oude manier ietwat bars: `Beklagenswaardige vriend, waarom denk je nog slecht over mij?'
[8] Die vraag bracht bij de arme gast zo'n angst teweeg, dat hij bijna voor Lamech op de grond viel.
[9] Maar daardoor schrok ook Lamech zo erg, dat hij niet wist wat te doen; hij snelde daarom naar de Vader en vertelde het Hem.
[10] De Vader zei echter tegen Lamech: 'Zie, je moet dus in het vervolg niet zonder Mij op weg gaan als je van nut wilt zijn voor de wereld!
[11] Het volk weet nog niet dat je nu geen koning meer bent, maar dat je door Mij en vanuit Mij enkel een leidinggevende opperpriester van het volk bent geworden; het volk vertrouwt je daarom ook nog niet, omdat het in jou nog de vreselijke tiran voor zich ziet.
[12] Bestijg daarom je troon en verklaar uit Mijn naam aan het volk wat je nu bent en watje met het volk voor hebt en dan zal alles in orde komen! Ga daarom heen en voer met weinig woorden uit wat Ik je heb aangeraden!'
[13] Maar Lamech vroeg aan de Vader of het nu wel gepast was de troon te bestijgen, omdat toch voordien de heilige naam zich daarop had bevonden.
[14] De Vader zei echter tegen Lamech: 'Hoe ben je nu toch zo dom geworden?! Zie, met Mij spreek je, maar voor de troon heb je vrees omdat Mijn naam, door jouzelf opgetekend, daar een tijdje op heeft gerust?! Zeg Mij, wat telt dan meer: Ik of Mijn naam?!
[15] Maar als je uit louter eerbied voor Mijn naam niet op de troon wilt gaan staan om van daar uit te verkondigen wat jouw bestemming is, die van Mij uitgaat en door mij is voorgeschreven, ga dan op deze stoel staan om het te verkondigen; want Ik wil je geen dwang opleggen!'
[16] Dat liet Lamech zich geen tweemaal zeggen, hij ging op de stoel staan en predikte vandaar tot het volk en vertelde heel vriendelijk wat er allemaal met hem was gebeurd en wat hij nu voor hen was geworden, en dat hij voortaan ook onveranderlijk zou blijven.
[17] Toen het arme volk dat had gehoord, begon het plotseling te juichen en iedere tong loofde en prees de God van Farak.
[18] Toen Lamech weer van zijn stoel afstapte, wees de Vader hem erop dat hij nu op de stoel had gestaan waarop Hij als heilige, almachtige God Zelf had gezeten.
[19] Lamech viel voor Hem neer en bad Hem om vergeving.
[20] Maar de Vader hief hem overeind en zei: 'Mijn geliefde Lamech! Ik heb je daar niet op gewezen om je te zeggen dat je tegen Mij gezondigd zou hebben, maar alleen, datje voor dergelijke doeleinden je troon kunt gebruiken, ook al heeft de plaat daarop gelegen.
[21] Ik zeg je: Slechts op het hart is Mijn oog gericht! Al het andere heeft voor Mij geen waarde, want Ik ben de liefde Zelf en wil daarom niets dan liefde.
[22] Neem nu plaats op je troon en maak Mij met goed gekozen woorden aan het volk bekend, opdat het niet meer over Mij hoeft te fluisteren en te gissen, maar volledig te horen krijgt wie het in zijn midden heeft! Amen.'
«« 254 / 280 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.