Het hart van een dief.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 2)

«« 2 / 244 »»
[1] Wij betreden nu de eetzaal, waar een overvloedig avondmaal op ons wacht. Maar nauwelijks zijn we met de maaltijd begonnen, of twee knechten brengen Judas Iskariot de zaal binnen, en melden aan de opperrechter dat deze leerling, of wat hij dan ook zijn mocht, een paar pond goud wilde stelen, waarbij zij hem betrapt hebben. Zij hebben hem het goud afgenomen en hem hierheen gebracht om verantwoording af te leggen.
[2] JUDAS staat er ontzettend beschaamd bij en zegt: "Ik dacht er in de verste verte niet aan om het goud te stelen, maar ik wilde alleen maar bij een paar staafjes onderzoeken of ze echt zo zwaar zijn als er verteld wordt. Deze dwazen grepen me echter meteen en sleepten me als een gemene dief naar binnen! - Daarom verzoek ik u, Faustus, om intrekking van deze beschuldiging!"
[3] FAUSTUS zegt: "Laat hem gaan! Hij is een leerling van de Heer en daarom wil ik hem ontzien". En tegen Judas zegt hij: "Kom in de toekomst en vooral 's nachts -behalve als je keizerlijk taxateur zou worden - niet meer aan een goudstaaf, anders zul je wegens poging tot diefstal de wettelijke straf niet ontlopen! Heb je opperrechter Faustus goed begrepen?"
[4] JUDAS zegt erg beschaamd: "Heer, er was heus niet in het minst sprake van een poging tot diefstal, maar het was slechts een -weliswaar ietwat ongelegen komend -uitproberen van het gewicht in ponden van een goudstaaf."
[5] IK zeg: "Ga heen, en zoek een slaapplaats! Want aan dit kwaad waaraan alle dieven door de hand van de satan sterven, zul ook jij in de naaste toekomst sterven; want je was, bent en blijft een dief! Zolang je bang bent voor de wettelijke gevolgen gedraag je je openlijk nog niet als een dief; maar in je hart ben je het allang! Als Ik nu alle wetten zou opheffen, dan zou jij als, eerste naar de schatten buiten grijpen, want je hart kent geen redelijkheid en rechtvaardigheid. Het is jammer voor je hoofd dat daaronder geen beter hart klopt! - Ga nu slapen en wees morgen nuchterder dan vandaag!"
[6] Met deze vermaning gaat Judas rood van schaamte de eetzaal uit naar zijn slaapvertrek en gaat liggen, en denkt ongeveer twee uur lang erover na hoe hij.dat,g;ene, wat Ik hem heb voorspeld, zou kunnen ontlopen. Maar hij vindt. in zijn hart geen oplossing omdat door het denken zijn gouddorst opnieuw oplaait, en zo slaapt hij in. - Wij gaan ook slapen omdat de twee voorgaande nachten zeer vermoeiend waren. De ochtend liet echter niet lang op zich wachten.
[7] Als Faustus zich nog eens om wil draaien voor een ochtendslaapje, arriveren reeds de leiders van de groep die de schat uit Chorazin moesten halen. Zij wekken hem en hij moet naar buiten, daar zijn ambt met zich meebrengt dat hij de schatten onderzoekt, taxeert en in ontvangst neemt. Als hij met dit werk klaar is, zijn wij ook allemaal opgestaan, en het morgenmaal, bestaande uit verse, goed klaargemaakte vissen, staat al op de vele tafels in de grote eetzaal. Zeer vermoeid van het werk komt Faustus aan de arm van zijn jonge echtgenote de eetzaal binnen en gaat naast Mij zitten.
[8] Pas na het genoten ochtendmaal, waarbij een goede wijn niet ontbrak, vertelt Faustus aan Mij dat zijn ochtendlijke werk, dat hem anders ondanks alle ijver een paar weken werk gekost zou hebben, nu al klaar was en dat alles naar zijn bestemming was verzonden. Alle documenten lagen ordelijk gereed op de tafel in het grote kantoor, en de gerechtelijke vervoersbrieven waren tot in de puntjes verzorgd. De schat uit de grot van Kisjonah was op de juiste manier verdeeld en voorzien van geleidebrieven, net als de belastinggelden en de grote tempelschat uit Chorazin, en nu was dus alles afgezonden. Alleen lag er in het grote kantoor nog zeer veel timmermansgereedschap, waarvoor nog geen eigenaar was gevonden.
[9] IK zeg: "Daar aan het eind van de tafel zitten twee zonen van Jozef naast moeder Maria, zij heten Joses en Joël; het behoort hen toe! Het is tesamen met het kleine bedoeninkje in Nazareth als onderpand van hen afgenomen, en het moet hen ook weer worden teruggegeven!"
[10] FAUSTUS zegt: "Heer, inclusief het bedoeninkje! Daar sta ik borg voor! O Heer en Vriend! Wat hebben deze zwartjassen mij al veel onaangenaamheden bezorgd; de domme wet beschermde ze echter, en met de beste wil kon men hen nergens op pakken. Voor mijn ogen begingen ze de afgrijselijkste onrechtvaardigheden en ondanks alle ter beschikking staande macht, was daar niets tegen te doen. Maar nu heeft de satan ze dan toch eens in de steek gelaten, en ik heb nu een heft in handen waarvoor deze kerels zullen beven als een loszittend boomblad tijdens een storm die door de bossen raast! Het bericht aan opperstadhouder Cyrenius is een meesterwerk, dat hij gewaarmerkt, tesamen met de belastingen, direkt naar Rome zal versturen. Het schip van de keizer , met vier en twintig roeiers en bij goede wind zelfs voorzien van een groot zeil en een stuurrad, is vanaf Tyrus, Sidon en Caesarea binnen twaalf dagen aan de Romeinse kust en binnen handbereik van de keizer! Verheug je er binnen nogmaals twaalf dagen maar op, jullie zwartjassen! Aan jullie hoogmoed zal op een bijzondere manier paal en perk worden gesteld!"
[11] IK zeg: "Vriend! - Ik zeg je: Juich niet te vroeg! De ene kraai pikt de andere de ogen niet uit! Het zal de elf binnen de muren zeker niet naar wens gaan! Zij worden weliswaar niet gedood, maar in plaats daarvan levenslang in de eeuwige altijd aanwezige boetedoeningcel opgesloten! Maar in de openbare verontschuldiging aan Rome zullen ze als wol zo wit gewassen worden, en dan zal men eerst van jou verdere uitleg eisen, en je zult erg veel moeite hebben om alle vragen uit Rome naar tevredenheid te beantwoorden. Er zal je weliswaar geen haar gekrenkt worden, maar je zult een zekere overlast nauwelijks kunnen voorkomen als je niet met de vereiste getuigen en andere aanwijzingen op de proppen komt. Daarom laat Ik Pilah bij jou; hij zal je bij alles goed van dienst zijn. Laat hem echter zo snel mogelijk Romeinse kleren aantrekken, zodat hij door de in Kapérnaum gestationeerde collega's niet wordt herkend! Want Ik kan je wel zeggen: satan heeft zijn regiment lang zo listig niet georganiseerd als dit slangenbroed. Wees jij dan ook behalve zoals altijd zachtmoedig als een duif, sluw als een slang, anders speel je het niet klaar met dit geslacht!"
[12] FAUSTUS zegt: "Ik dank U eeuwig voor deze raad! Maar nu moesten we, omdat deze zaak zo goed mogelijk gereed is gekomen, toch eens iets prettigers gaan doen!"
[13] IK zeg: "Heel goed! Ik ben er al; wij wachten alleen nog op Kisjonah, die met zijn ontvangsten gauw klaar zal zijn!"
«« 2 / 244 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.