Marcus mening over de naaste.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 2)

«« 234 / 244 »»
[1] De oude MARCUS zegt: "Heer, ik ben door alles wat ik en mijn huis nu gehoord hebben zo door en door gegrepen, dat ik nu met de beste wil geen verstandig woord zou kunnen uiten, Iaat staan dat ik vast zou kunnen stellen wie voor mij een echte naaste is.
[2] Natuurlijk zou diegene zeker mijn naaste zijn, die mij lichamelijk het naast zou zijn, en als die hulp nodig zou hebben zou ik hem die moeten geven. Ook zouden mijn buren mijn naasten zijn. Als zij bij mij om hulp zouden komen, zou ik hen die niet mogen weigeren. Zo zijn ook mijn vrouwen mijn kinderen mijn naasten, en ik moet voor hun lichamelijk en geestelijk welzijn en bestaan zorgen.
[3] Toen ik nog soldaat was, waren ook mijn kameraden mijn naasten, en het was mijn plicht hen in geval van nood hulp te bieden. Aan de andere kant is ook ieder mens, met wat voor godsdienst dan ook, in geval van nood mijn naaste, en ik mag hem niet voorbijgaan als hij mijn hulp nodig heeft, of mij om hulp vraagt.
[4] Ja, ik geloof, dat men zelfs een huisdier geen hulp mag weigeren als het iets mankeert. Kort en goed, zoals ik mij dat met mijn beperkte alledaagse verstand voorstel, moet de mens zo'n beetje Gods bestel navolgen en in zijn doen en laten toch ook zijn zon over alle schepsels laten schijnen, net zoals ook God Zijn zon over alle schepsels Iaat schijnen.
[5] Natuurlijk kan de mens als een zeer beperkt wezen God, zijn schepper, ook slechts heel beperkt navolgen; maar omdat hij de gelijkenis van God al in zich draagt of eigenlijk naar het evenbeeld van God is geschapen, moet hij in zichzelf ook datgene helemaal ontwikkelen, waarvoor hem alle mogelijkheden zijn gegeven. -Dat is mijn mening, maar geef U, o Heer, ons allen een juiste verklaring, want ik hoor Uw woord duizendmaal liever dan mijn eigen woorden. Spreek U, o Heer, daarom verder -vooropgesteld dat U in deze nacht nog wat wilt zeggen!"
[6] IK zeg: " Ja, Ik zal spreken, hoewel het midden van de nacht nadert; maar nu houden we even een pauze en luisteren of er vanaf de zee geen hulpgeroep te horen is!"
[7] AI gauw na Mijn opmerking hoorde men vanaf de zee een rumoer, waaruit een aantal mensenstemmen heel goed waarneembaar waren. Marcus en zijn zonen vroegen mij gehaast of zij erheen moesten gaan om mogelijk in nood verkerenden te helpen, die misschien in een wrakke boot te kampen hadden met de middernachtelijke wind, of met een draaikolk zoals die voor de grote bocht vaak voorkomen.
[8] IK zeg: "Het is een wrakke boot vol jonge levieten en Farizeeƫn. Zij komen uit de omgeving van KapƩrnaum en Nazareth en zijn Op weg naar Jeruzalem. Zij gingen liever over het water dan over land, omdat het ten eerste korter is en ten tweede niet zo vermoeiend. Maar zij kregen in Sibarah alleen maar een tamelijk lekke vissersboot, en het gaat nu slecht met hen, omdat er een vrij sterke middernachtswind opgestoken is. Als ze niet snel geholpen worden, konden ze best eens vergaan!"
[9] MARCUS zegt: "Heer, heus, daaraan is niets verloren als ze voer voor de vissen worden! In dat geval zou ik bijna met de reddingsactie nog wat willen wachten. Maar als U het wilt, moeten ze toch geholpen worden."
[10] IK zeg: " Je zei toch zelf zo treffend, dat de naar het evenbeeld van God geschapen mens op grond van de hem daartoe verleende vermogens moet streven om God in alles gelijk te worden, en ook zijn kleine zon, die hij in het hart draagt, over alle schepsels moet laten schijnen, en diegene moet zien als zijn naaste -of het een vijand of een vriend is -, die zich in grote nood bevindt en hulp nodig heeft!
[11] Kijk, jouw woorden zijn goed en waarachtig, dus daarom moet je er ook naar handelen, omdat anders de waarheid nog lang niet levend in je zou wonen! Want de zuivere waarheid helpt de mens weinig of niets voor het eeuwige leven, zolang hij haar niet door de daad heeft levend gemaakt. Als hij dat gedaan heeft, stroomt het licht van het eeuwige leven binnen en verlicht de hele warboel van de mensenziel, zoals de zon midden op de dag in alle dalen en kloven, ook al zijn ze nog zo diep, haar licht geeft, ze verwarmt en daardoor met haar leven vervult. - Doe daarom nu, wat je wilt!"
[12] MARCUS zegt: "Snel helpen dus, ook al zou dat vermolmde schip alleen maar beren, tijgers, leeuwen en hyena's vervoeren!"
[13] Meteen liep de oude Marcus met zijn zonen naar de oever en bemande een goede en tamelijk grote vissersboot en roeide de zee op naar de plaats, waar het geroep om hulp steeds schriller werd.
«« 234 / 244 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.