Een geestelijk filosoof en een kwezel

Jakob Lorber - De Geestelijke zon (deel 1)

«« 30 / 101 »»
[1] Kijk, als jullie iets kunnen onderscheiden, kunnen jullie zo'n vijftig normale passen van ons vandaan weer een ander stel zien. Laten we er recht op af gaan, dan zullen we hen dadelijk bereiken. Ook dit stel hoeft ons niet te zien. We vinden wel een plekje voor ons doel, dus gaan we er maar monter op af, zodat we weer iets nieuws te horen krijgen. Wel, we zijn al bij hen en zoals jullie zien, is er deze keer bij dit paar een verschil in geslacht vast te stellen. Een bijzonder magere vrouw, die er uitgeput uitziet en een man, die bijna tot op de laatste druppel bloed uitgeteerd is, en nauwelijks nog genoeg kracht lijkt te hebben om zich moeizaam voort te slepen. Kijk, zij reikt hem de hand en verwelkomt hem.
[2] Luister nu, wat deze twee allemaal met elkaar zullen bespreken. Zij zegt: de lieve hemel moge u groeten! Het verheugt mij van ganser harte dat het lieve toeval ons eindelijk eens bij elkaar heeft gebracht. Toch moet ik u bekennen dat ik nooit had gedacht u op zo'n plaats te ontmoeten, want ik heb altijd gedacht dat u, God weet hoe zalig, al in de hemel bent omdat u, voor zover ik me kan herinneren, op aarde toch zo'n vroom en rechtschapen man was. U was toch een zeer geleerde professor voor de geestelijkheid en er zijn door u zo veel brave en waardige geestelijken in de zielzorg gegaan. En nu, lieve hemel, moet ik u hier op deze miserabele plaats zo ellendig aantreffen, waarin ik, de lieve God weet waarom, twee maanden geleden ook terecht ben gekomen.
[3] En hij zegt: ja geachte vriendin, het spijt me echt dat u zich ook hier bevindt, maar het is nu eenmaal zo. U bent hier evenals ik als een bedrogene. De hemel (als hij bestaat) weet, hoe we op aarde gouden verwachtingen hebben gekoesterd over een gelukkig leven in het hiernamaals. Maar hoe gelukkig dit leven is en wat het loon is voor al onze goede daden op aarde, ervaar ik nu reeds verscheidene jaren en u, geachte vriendin, volgens uw zeggen ook al twee maanden lang.
[4] Zij zegt: nee, mijn lieve hemel, als ik er aan terugdenk wat een streng leven u hebt geleid en hoe u op aarde helemaal geen bezittingen hebt gehad. Wanneer u preekte zaten alle mensen in de kerk toch maar te zuchten en te wenen en wat voor mooie lessen en vermaningen hebt u in de biechtstoel gegeven. Hoc aandachtig hebt u het heilig misoffer opgedragen; daarom kan ik werkelijk niet begrijpen, hoe ti hier terecht bent gekomen. Voor mensen zoals wij is dat wel te begrijpen, want men heeft misschien menige zonde in de biecht verzwegen omdat men zich deze ondanks alle gewetensonderzoek niet meer kon herinneren. Maar hoe u, die dat toch allemaal wel heeft gekund en zijn leven met al zijn doen en laten zeker grondig heeft onderzocht, hier terecht bent gekomen, dat zal zoals gezegd, de lieve hemel weten, als er al een mocht bestaan. Hebt u dan helemaal geen vermoeden waarom u hier terecht bent gekomen?
[5] Hij zegt: o geachte vriendin, ik heb maar al te veel vermoedens, maar mijn vermoedens hierover zult u niet gemakkelijk begrijpen. Zij zegt: o, ik smeek u, vertel me daar maar vrijmoedig iets over; wie weet of me dat niet van nut kan zijn. Hij zegt: welnu, ik zal u er het een en ander over vertellen, maar het is niet mijn schuld als u er niets aan hebt. Daarom zal ik u ronduit zeggen wat mijn vermoeden is.
[6] Ik vermoed dat er noch een God noch een of andere hemel bestaat en ik vermoed om gegronde redenen dat wij mensen niets anders zijn dan werken van de natuur. Wanneer de grove materie als een huls van de natuurlijke levenskracht wegvalt, blijft de natuurlijke levenskracht nog een tijd lang bestaan. Maar ook zij sterft geleidelijk aan af; de kracht verspreidt zich in de ruimte zoals de kracht van het buskruit buiten de loop van een kanon, en dan is het met de mensen die zoveel hoopten en verwachtten voor eeuwig gedaan. Als u mij goed aankijkt en ziet hoe ik nu reeds de uiteindelijke totale ontbinding en vernietiging nader, zal mijn vermoeden u zelfs in deze stikdonkere nacht nog helderder worden dan op aarde de zon op een heldere middag.
[7] Zij zegt: och mijn lieve hemel, als hij bestaat, zoals u zegt! Dat is toch verschrikkelijk! Ja, ja, u moet het toch beter weten dan ik. Op aarde heb ik namelijk ook soms gedacht, zoals mij eens een echt geleerde en voorname heer heeft gezegd, dat er niets meer is na de dood. Nu zie ik pas in dat die heer de waarheid heeft gesproken; daarom zal het mij mettertijd ook vergaan zoals het u nu vergaat. Op aarde heb ik, als het echt slecht met me ging, toch altijd nog kunnen zeggen: mijn God en mijn Heer, verlaat mij niet! Maar wat kan ik nu doen, als er geen God bestaat? Zou u mij, geachte vriend, dan ook nog willen zeggen hoe het er vervolgens met Christus en Zijn moeder, de maagd Maria, die allerzaligst zou zijn, voorstaat? Waarom hebben we dan op aarde zoveel rozenkransen tot hen beiden moeten bidden, en waarom hebt u zo aandachtig zovele missen gelezen, als het allemaal is zoals u me nu hebt gezegd?
[8] Hij zegt: ja lieve vriendin, dat is mij ook hier pas echt duidelijk geworden. De hoge heren op aarde hadden het gewone volk immers niet in toom kunnen houden als ze niet een of andere God en dus een of andere religie voor hen hadden uitgevonden. Met religie echter hebben zij gemakkelijk spel bij het in bedwang houden van het domme gepeupel. Dat werkt dan echt ijverig voor hen, zodat zij zich zonder zich om een of ander werk te bekommeren in hun paleizen en burchten op zachte bedden en stoelen onbekommerd kunnen vetmesten. Daarom worden ook overal geestelijken en leraren aangesteld die zelf behoorlijk dom worden gehouden om dan op hun beurt ook het gewone volk weer dom te houden. Wanneer echter zulke geestelijken dan toch hun verstand gaan gebruiken, worden zij gauw bevorderd, waardoor ze dan ook een goed leven kunnen leiden zodat hun verstand geen gevaar oplevert voor de hoge heren. Maar om zo'n religie, die op zichzelf niets betekent, een meer betekenisvol tintje te geven, moet ze met allerlei mystieke, dat wil zeggen nietszeggende ceremoni├źn worden opgesierd, anders zou ze op het gewone volk niet de vereiste uitwerking hebben. Ziet u, geachte vriendin, zo was het ook in mijn geval.
[9] Op aarde heb ik heel goed ingezien dat het met het leven in het hiernamaals heel anders gesteld moest zijn dan ik zelf vanaf de kansel heb gepreekt. Ik heb me hierover, wel te verstaan, slechts heel vertrouwelijk tegenover de grote machthebbende heren uitgelaten en om opheldering gevraagd. Die opheldering heb ik echter nooit gekregen, maar in plaats daarvan kreeg ik al spoedig, ik weet zelf niet hoe en waarom, een belangrijke promotie: ik werd een goedbetaalde professor en tenslotte zelfs rector van een seminarie. Ik denk echter dat de heren hebben ingezien dat ik voor een lagere post te pienter was. Daarom gaven ze me een betere, zodat ik met mijn pienterheid, uit eigenbelang enkel nuttig en niet schadelijk zou zijn. Ik heb weliswaar altijd als een doodeerlijk man geleefd, maar wat dom van me was en waar ik nu nog spijt van heb is, dat ik om te beginnen toch niet helemaal heb ingezien dat ik met zo'n promotie werd bedrogen; en vervolgens dat ik op mijn goedbetaalde post een, al was het maar ogenschijnlijk, dan toch voor mijn eigen welzijn, te dwaas, geestelijk streng leven heb geleid. Ik heb daarbij wel gedacht: zo'n leven van zelfverloochening zal me zeker binnenkort een bisschoppelijke waardigheid bezorgen. Maar daarin heb ik me deerlijk vergist, want de hoge heren hebben precies berekend dat ik voor de mij toebedeelde post de juiste graad van domheid bezat, zodat ik voor hen niet meer gevaarlijk Icon zijn. Daarom lieten ze mij ook onbezorgd op mijn plaats. Ziet ti, geachte vriendin, zo staat het wat religie betreft met alles in de wereld. Daarom zei ik ook in het begin al dat wij beiden bedrogen zijn.
[10] Zij zegt: nee maar, nu gaat me in een keer een licht op! Had ik dat op aarde maar geweten, wat had ik dan plezierig kunnen leven! Want ik was zoals men zegt, een mooi en bovendien welgesteld meisje. Hoeveel keurige jongemannen hebben niet naar mijn gunst gedongen, maar uit louter religiositeit durfde ik nauwelijks iemand aan te kijken en ben omwille van Onze Lieve Heer en de zalige maagd Maria een oude vrijster gebleven en heb bovendien al tijdens mijn leven bijna mijn gehele vermogen aan de kerk vermaakt.
[11] O, wat was ik dom! Was ik maar een vrolijke hoer geworden, dan had ik nog wat genoten! Nu is op mij het spreekwoord: `Een bange hond wordt zelden vet', van toepassing. Nee, beste vriend, als het werkelijk is zoals u daarnet hebt gezegd, dan zou ik wel alles willen verwensen en vervloeken! Maar nee, dat zal ik niet doen. Als het me echt slecht zal vergaan zal ik toch, al is het maar gewoontegetrouw, God en de zalige maagd Maria aanroepen. Op aarde, dat kan ik me goed herinneren, heeft het aanroepen van Christus en onze lieve vrouw mij toch enige malen geholpen; daarom denk ik, ook al zouden zij niet bestaan, dat ik door dit aanroepen misschien niets gewonnen maar toch ook niets verloren heb. Ik hoef me trouwens echt geen verwijten te maken dat ik door mijn levenswandel bij wijze van straf nu hier, in dit duistere oord moet zijn. Het enige is dat ik me misschien te veel met de geestelijken heb opgehouden, hetgeen echter mijn eer en zedelijkheid niet heeft aangetast, want op dat gebied heb ik me nooit iets gegund. Wel heb ik vaak mensen die me slecht leken, zwartgemaakt en heb hen soms, natuurlijk alleen maar bij de geestelijkheid, ook flink door het slijk gehaald. Met hen heb ik ook alle lutheranen, joden, Turken en heidenen in Naam van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest vervloekt; maar de geestelijke heren hebben gezegd dat men dat als een rechtgelovige christin zeker moest doen. Zij zeiden echter wel dat men daarnaast ook voor hen moest bidden, opdat zij konden overgaan tot de ware religie. Dus heb ik ook dat gedaan en heb hen eerst, zoals het betaamt, vervloekt en daarna voor hen gebeden. Alleen zal dat misschien enigszins verkeerd geweest zijn; verder zou ik werkelijk niets weten. Aan de armen heb ik ook gegeven; weliswaar niet zoveel, want ik gaf mijn vermogen liever aan de kerk, omdat ik dacht dat de geestelijken het beter konden verdelen dan ik. Zo ben ik, hoe meer ik over mezelf nadenk, echt `volkomen onschuldig' hier terechtgekomen. Maar natuurlijk, als het is zoals u eerder zei, dan heeft mij het ene evenmin als het andere geschaad nog gebaat.
[12] Maar zoals gezegd, ik blijf hij het aanroepen van God en onze lieve vrouw en zal me dan ook op deze plaats voortslepen zolang het gaat. Misschien kom ik mettertijd iemand anders tegen die me wat beters weet te vertellen dan u, mijn overigens zeer gewaardeerde vriend. En dus vaarwel, want ik zie wel in dat ik in uw gezelschap niet gelukkiger word. Het was me ook veel liever geweest, naar ik nu voel, dat ik u helemaal niet had ontmoet! Want nu zie ik pas duidelijk in dat domheid gelukkiger maakt dan een nog zo scherpzinnig verstand.
[13] Ik ben maar blij dat ik niet in het door mij zo vaak gevreesde `vagevuur' of zelfs in de hel ben terechtgekomen. Want eigenlijk gaat het mij helemaal nog niet zo slecht, omdat ik behalve honger geen pijn heb. Die honger moet ik weliswaar stillen met gras, wat hier nog volop voorhanden is. Als het maar niet erger wordt zal ik aan deze kost best wel wennen. Dus vaarwel!
[14] Hij zegt: ja, ja, u ook vaarwel en zorg maar dat u van uw gras eten goed aankomt. Ik wens u in ieder geval een goede eetlust! Overigens had ik nog niet het geluk op overvloedig grasland te komen, maar mos en wel heel schaars was tot nu toe mijn enige voedsel.
[15] Kijk, beiden verwijderen zich; hij meer in noordelijke richting, zij echter meer in de richting van de middag.
[16] Jullie zeggen: waarom zij zich hier in deze omgeving bevindt, zien wij eigenlijk niet zo goed in. Wat hem betreft lijkt dat, naar zijn uitlatingen te oordelen, gegronde redenen te hebben.
[17] Mijn lieve vrienden! Dat zouden jullie toch op het eerste gezicht moeten zien. Hoe is het dan met de liefde gesteld van iemand die bepaalde dingen doet waarvan hij of zij zelf vindt dat ze goed zijn, maar dan vooral omwille van het loon dat daar onmiddellijk of in de toekomst op volgt? Is dat geen eigenliefde? Want wie het goede en juiste doet uit wat voor eigenbelang dan ook, houdt teveel van zichzelf en doet alles om zichzelf zo goed mogelijk te verzorgen. Zo was het haar ook enkel om de hemel te doen, waarvoor ze haar hele have en goed heeft weggegeven, zoals een ander met zijn vermogen een of ander aards goed koopt. Van waarachtige liefde voor Christus, die altijd hoogst onbaatzuchtig moet zijn, had ze echter geen flauw idee! Daarom moet hier haar honger naar beloning ook helemaal worden uitgedreven en moet zij genoodzaakt worden God omwille van Hem Zelf te zoeken en naar Hem te verlangen. Pas dan zal het voor haar mogelijk zijn om dichter bij de ware liefde en genade van de Heer te komen. - Zo moet ook hij zich eerst gevoelsmatig als volkomen vernietigd beschouwen eer hij in staat is om een hogere genade te ontvangen.
[18] Toch moeten jullie niemand als zijnde totaal verloren beschouwen, maar weet wel dat er voor menigeen volgens jullie tijdrekening honderd, duizend en nog eens duizendjaar kunnen vergaan, voordat hij in staat is om een hogere genade te ontvangen.
[19] Opdat jullie echter nog nader ervaren om welke verschillende redenen heel veel mensen hier belanden, zullen we ons nog verder voorwaarts begeven. Pas wanneer we hele gezelschappen zullen ontmoeten, zal jullie nog een veel groter licht opgaan en dan zullen jullie zien, met welke talrijke dwaasheden de tegenwoordig op aarde levende zogenaamde `betere mensheid' in wezen behept is en dat ze haar goede daden vooral uit eigenbelang verricht. En daarbij laten we het voor vandaag.
«« 30 / 101 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.