Bathianyi's wroeging. De Heer over het rijpingsproces in de mens tot de hoogste Godskennis. De nog blinde franciscaan krijgt duidelijke wenken van Miklosch

Jakob Lorber - Van de hel tot de hemel (deel 1)

«« 147 / 150 »»
[1] De graaf zegt uit liefde en eerbied heel berouwvol: '0 Heer, bij Uw almachtige naam, het is voor U zeker gemakkelijker om te zeggen: 'Sta op en kom', dan voor mij, zondaar, om op te staan voor U, de eeuwige Heer van de oneindigheid! O Heer, ik, een domme mensen geest, een niets voor U, en U, het oneindige alles in alles. En ik zou U begeleiden? Nee, deze gedachte is te overweldigend voor een geschapen geest. O, laat mij toch eerst nog wat meer tot mijzelf komen, want het duizelt mij van Uw oneindige grootheid.'
[2] Ik zeg: 'Maar beste broeder, nu begin je Mij toch echt te vervelen met je lofredes over Mijn eindeloze macht, kracht en wijsheid! Kijk, kinderachtige broeder, Ik moet als God immers zijn wat Ik ben, opdat jij uit Mij en naast Mij kunt zijn wat jij bent en nog veel meer zult worden. Bovendien ben je toch ook Mijn werk, en wanneer jij jezelf als Mijn werk voor een volkomen niets aanziet, beschimp je Mij zelfs! En dat zul je toch zeker niet kunnen doen!'
[3] De graaf zegt: 'Nee Heer, eeuwig nee, van U uit ben ik wel enorm groot, maar vanuit mezelf ben ik niets. Wel, ik sta al op, want Uw woord heeft me geheel opgericht.' Daarop komt de graaf dadelijk moedig naar Mij toe en zegt: 'Heer, Vader, God, Jezus! Ik ben nu door Uw liefde en genade helemaal genezen en de overdreven vrees voor U is ook verdwenen, maar in plaats daarvan brandt er een grenzeloze liefde tot U, in de vorm van een grote hartstocht, in ieder vezel van mijn hart. Langzamerhand zal misschien ook deze nieuwe eigenschap van het geestelijke leven wat tot rust komen, maar nu zou ik U graag met al mijn levenskracht willen omarmen en sterven in de onbeschrijflijke zaligheid van de liefde tot God! Heer, laat mij U toch even omarmen en U aan mijn van liefde brandende hart drukken.'
[4] Ik zeg: 'Mijn beste broeder, dat zou nu schadelijk voor je zijn, omdat jouw geest nog te weinig vastigheid heeft in je ziel, maar wanneer jouw geest weldra sterk genoeg zal zijn, zullen we elkaar ook zonder vrees voor nadelige gevolgen kunnen omarmen. Ik ben weliswaar voorzover het maar mogelijk is net als jij een mens, maar in deze mens woont niettemin de volheid van Mijn Godheid in levende lijve en jouw geest zou deze niet verdragen. Hij zou alle banden verbreken en zich dan verenigen met de Godheid in Mij als zijnde zijn eeuwige oergrond. Wanneer jouw geest echter zich volkomen in jouw ziel heeft geordend en in zichzelf vervuld zal zijn van alle kracht der liefde uit Mij, dan zal hij Mijn omarming zonder nadelige gevolgen kunnen verdragen.
[5] Kom nu echter vlug met Mij mee naar de anderen, opdat ook zij allen verheven mogen worden tot jouw niveau van inzicht. Hun weetgierigheid is al uitzonderlijk groot geworden, want zij weten nog steeds niet welk resultaat jouw gezoek naar Christus heeft opgeleverd. Alleen Miklosch heeft een sterk vermoeden, dat de franciscaan hem echter meteen weer tegenspreekt, met als gevolg dat ook het overige gezelschap zich bij zijn mening aansluit. Daarom moeten we er vlug naar toe om de franciscaan zijn vrijpostige mond een beetje te snoeren.
[6] De graaf zegt: 'O Heer, eeuwige goedheid en zachtmoedigheid, dat is mij helemaal uit het hart gegrepen! Deze monnik is weliswaar op zich wel een goede ziel, als er al buiten U nog iets goed kan zijn, maar zijn idee├źn over de verhouding van God tot Zijn schepselen en omgekeerd zijn onverteerbaar. Ik vraag U, Heer, neemt U hem maar een beetje onder handen, zoals men pleegt te zeggen.' Ik zeg: 'Heel goed, maar nu een beetje zachter, want ze komen ons al tegemoet!'
[7] Ik ga nu met de graaf het gezelschap tegemoet. De franciscaan roept de graaf al van verre toe: 'Wel, beste graaf, welke resultaten heb je geboekt bij het doorzoeken van de zaal? Heb je Hem ergens gevonden, de Heer over leven en dood en over hemel, aarde en hel? Ik heb de indruk, dat de fameuze tweelingbroer nog steeds op zich laat wachten, want ik zie nog geen derde bij jullie.'
[8] De graaf zegt: 'Vriend, dat is ook helemaal niet nodig, want wij beiden hebben genoeg aan elkaar, ook zonder de tussenkomst van een derde; begrepen, heer wijsneus?' Op dat moment geeft Miklosch de franciscaan een por en zegt: 'Cypriaan, merk je niets? Jij zult de hoeksteen niet eerder gewaarworden dan wanneer je je neus eraan stoot!' De franciscaan zegt: 'Hoezo, wat voor hoeksteen? Waar is er hier dan een?' Miklosch zegt: 'Ik geloof dat de graaf het je toch heel duidelijk heeft gezegd, maar toch zie je door de bomen het bos niet!'
[9] De franciscaan zegt: 'Verklaar je eens wat nader. Wat is het dan, dat de graaf mij zou hebben gezegd? Hij zei dat hij en onze onbekende vriend ook zonder de tussenkomst van een derde genoeg hebben aan elkaar. Is dat dan zoiets buitengewoons? De derde, de Allerhoogste, zal waarschijnlijk nog heel lang op zich laten wachten, omdat zeker niemand van ons zich, gezien de morele gesteldheid van zijn wezen, waardig kan achten om God te aanschouwen. Zolang iemand echter een reeds waardige vriend van God aan zijn zijde heeft, die hem de juiste weg naar God wijst, kan hij ook gemakkelijk zeggen: 'Wij beiden hebben genoeg aan elkaar, ook zonder de tussenkomst van een derde'; vanzelfsprekend alleen voorlopig, want het zou wel treurig zijn als we nooit tot het aanschouwen van God zouden komen.'
[10] Miklosch zegt: 'Vriend, je bent hardleers. Verder kan ik je niets zeggen, omdat ik je, door een innerlijke stem gewaarschuwd, niets anders zeggen mag. Er zullen op aarde zeker nog wel heel veel van zulke hardleerse mensen als jij zijn, maar zij zullen vast eerder te genezen zijn dan jij, hoewel zij zich nog op aarde in het vlees bevinden, terwijl jij je als geest hier allang op Gods akkers bevindt. Om jou echter de ogen zo mogelijk wat verder te openen, zal ik je een passende gelijkenis vertellen. Kijk, er was op aarde eens een groot en machtig heer en gebieder. Omdat het hem er om te doen was zijn onderdanen persoonlijk te leren kennen, verkleedde hij zich vaak als gewoon mens en bezocht zelfs meer dan eens als bedelaar hun huizen, vooral van die rijken, die door hem met de zorg voor de armen waren belast. Gelukkig diegenen, die hij, als onbekende, in de door hem voorgeschreven wettelijke orde aantrof! Maar wee degenen die zich niet aan deze orde hielden! En kijk, de Heer van de hemel en alle werelden schijnt iets dergelijks te doen. Weliswaar niet met de bedoeling om Zijn mensen op de proef te stellen en daaruit te zien hoe zij werkelijk zijn, maar om hun de gelegenheid te geven zichzelf te onderzoeken, waartoe Hij hun door Zijn liefde en wijsheid gelegenheid te over biedt. Ook hier zou ik bijna willen zeggen: wee degenen die door hun eigenzinnigheid, door hun opzettelijke blindheid en stompzinnigheid, Hem, wat zijn lankmoedigheid betreft, al te gevoelig op de proef stellen! Heb je deze gelijkenis begrepen?'
[11] De franciscaan zegt: 'Tamelijk goed, maar wat moet ik ermee? Moet ik daarom soms die onbekende vriend voor een verklede Heer van hemel en aarde aanzien? Of is het misschien iemand anders hier? Is het uiteindelijk die met die stralende hoed? Maar die ken ik, omdat hij op aarde van mijn stand was. Hij moet hier pas deze uitstraling van zijn hoofd hebben gekregen, want op aarde was er zeker niets dat minder straalde dan zijn hoofd. Zeg mij dus, waar is dan die verklede, opdat ik erheen ga, voor Hem neerval en Hem op gepaste wijze kan aanbidden!'
[12] Miklosch zegt: 'Vriend, ik heb je al bijna te veel gezegd en zeg nu geen woord meer. Daar is de graaf met onze grote vriend; wend je tot hen en vraag naar de verklede! Maar dat staat vast: een paap is op aarde gewoonlijk het hardnekkigste wezen en in de geestenwereld wil hij de Heer niet herkennen, ook al loopt hij tegen Hem op! Weet je wie er in Jeruzalem het meest blind en verstokt waren? Kijk, dat waren papen! En wil je weten welke mensen op aarde het minst geneigd zijn een waar geloof te aanvaarden? Dat zijn wederom de papen, vooral de rooms-katholieken, waartoe ook jij behoort. Nu heb ik je genoeg gezegd; God geve, dat het je mag baten! Ga nu maar naar hen toe en praat met hen.'
«« 147 / 150 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.