Gesprekken over oude en nieuwe tijden. De mensheid was nooit goed, maar wel waren er altijd enkele uitzonderingen.

Jakob Lorber - Van de hel tot de hemel (deel 2)

«« 107 / 153 »»
[1] We begeven ons weer verder bergafwaarts en bereiken de plaats Spital aan de voet van de Semmering.
[2] Keizer Karel treedt andermaal naar voren en zegt: 'O Heer en Vader, U die heilig bent, heilig boven alles! In mijn tijd was deze plaats werkelijk een asiel voor arme, lijdende mensen. Tijdens mijn reizen naar het zuiden heb ik haar zelf meermaals bezocht en van gaven voorzien, maar na mijn tijd is spoedig alles verloren gegaan en de liefdadige gezindheid van de bemiddelde Stiermarkers is maar al te gauw veranderd in winstbejag. De mensen wilden rijk worden en vergaten maar al te graag dat de arme niets heeft en zodoende ook niet kan leven. Dat heeft het land echter weinig zegen gebracht. In mijn tijd was het een van de rijkste gebieden van het hele rijk en nu zal het spoedig tot de armste behoren.'
[3] Daarop zeg Ik: 'Ja, daarin heb je niet helemaal ongelijk. Er zijn wel enkelen die voor een goed doel nog iets over hebben, maar over het algemeen zullen er in een land niet vaak zoveel zelfzuchtige mensen zijn als juist hier het geval is. De streek in het hoogland is nog het beste gedeelte, maar het laagland is er slecht aan toe: winstbejag, ontucht en ongeloof aan de ene, en het ergste bijgeloof aan de andere kant! Eigenbelang, vaak totale ongevoeligheid ten opzichte van de arme mensheid, gierigheid, afgunst en voortdurende minachting voor de naasten zijn zo ongeveer de voornaamste hoofdkenmerken van dit land. Juist daarom bezoeken wij dit zieke volkje, om het zo mogelijk een beetje gezonder te maken. In de stad van dit land zullen we het niet uithouden, daarom zullen we dan ook voor de korte tijd van ons oponthoud ergens buiten de stad een verblijfplaats zoeken.'
[4] Karel zegt: 'Heer, donder en bliksem zouden deze stad moeten treffen! Dat moeten wel echte duivels van mensen zijn! Zijn er dan geen beambten, militairen, of politieagenten in die stad?'
[5] Ik zeg: 'O genoeg, maar er zijn weinig echte mensen onder hen! De beambten willen maar al te gauw hoge heren zijn om meer geld te krijgen. Daardoor zijn hun harten ook meestal van steen en oefenen zij hun ambt vaak onverbiddelijk streng uit, opdat men hen bij een eventuele bevordering voor bekwame mannen mag houden. Slechts weinigen zijn tevreden met wat ze zijn en met wat ze hebben. De meesten willen steeds maar hogerop en kijk, dat is een groot kwaad; het getuigt van ontzettend weinig liefde en van nog minder waarachtige gerechtigheid.
[6] Zou er in deze stad niet zoveel militaire macht aanwezig zijn, dan zou het met de ambtenaren over het algemeen slecht zijn gesteld, want zij zijn beslist niet geliefd. Wil een ambtenaar voor een rijk een zegen zijn, dan moet hij veel liefde bezitten. Heeft hij die niet, dan zaait hij slechts onkruid en distels en roept haat en minachting op bij zijn ondergeschikten. '
[7] Rudolf van Habsburg zegt: 'Maar Heer, kijk daar eens, die twee brede straten! De ene voor de voertuigen en de andere voor de ijzeren wagens. Wat nemen ze veel mooi land in beslag, terwijl in mijn tijd alle wegen maar smal mochten zijn en slechts over landstroken mochten lopen die voor andere doeleinden ongeschikt waren. Ik had geen staatsschulden en had toch ook menige oorlog te voeren, maar zij, die nu over zulke brede wegen rondrijden en hun goederen snel vervoeren, hebben overal schulden. Werkelijk, ik begrijp dat niet!'
[8] Ik zeg: 'Dat komt eenvoudig hierdoor: zij hebben geen liefde, en daarom kunnen ze ook onmogelijk het juiste licht hebben. Als de mensen slechts overeenkomstig hun behoeften leefden, hadden ze allemaal genoeg. Maar omdat ze voor luxe leven en hoogmoedig zijn, lijden ze gebrek en ellende en staan bij iedereen in het krijt. Begrijp je deze eenvoudige grondwaarheid?'
[9] Rudolf zegt: 'O Heer, ik begrijp haar maar al te goed! Het zal nu wel op aarde die tijd zijn waarvan U hebt voorspeld dat dan de liefde zal bekoelen en er geen geloof meer zal bestaan. Uit alle voorzieningen die ik tot nu toe heb gezien, blijkt dat maar al te duidelijk. Niets dan ijdele pracht, hovaardij en luxe! Eenieder wil de ander overtreffen.
[10] In mijn tijd, bestond er nog een zekere hiërarchie in de klederdracht. Iedereen moest zich kleden volgens de voorschriften van zijn stand en daardoor werden de hoogmoed en de verspillende luxe goed in de hand gehouden. Nu echter hebben de wederzijdse hoogachting, de liefde, het geloof en de barmhartigheid opgehouden te bestaan en het koude, gevoelloze verstand beheerst de harten van de mensen overal, waarheen men zijn ogen ook wendt.
[11] In mijn tijd stonden er langs de wegen vrije herbergen, waarin arme reizigers gratis verzorgd werden. Iedereen kon wettelijk aanspraak maken op de gastvrijheid van zijn geloofsbroeders. Alleen joden en heidenen moesten de waard een kleine vergoeding betalen. De herbergier had het recht om naar de naburige gemeenten inzamelaars te zenden, die hem rijkelijk van alles voorzagen. Dat was toch zeker een goede voorziening, maar nu is daarvan niets meer overgebleven. Heeft de reiziger geen geld, dan is hij aan de hongerdood overgeleverd. O mensheid, hoe ver heb je je van de weg naar Gods hemelrijk verwijderd!
[12] O Heer, ik geloof dat er met deze tegenwoordige mensen niet veel meer valt te beginnen, want het gericht des doods staat toch reeds bij bijna iedereen op het voorhoofd geschreven. Waar niemand meer omziet naar de nood van zijn naaste, waar het luide klagen van ellende wordt overstemd door het lawaai van de pronkzuchtige wereld, daar is alle moeite vergeefs! Daarom ben ik van mening, dat men voor deze geestelijk bijna dode mensheid geen speciale moeite meer zou moeten doen, maar haar door allerlei epidemieën heel natuurlijk moet laten uitsterven. Alleen de enkele goede mensen, die hier en daar verspreid leven, zou men moeten behouden, opdat door hen de aarde dan toch weer betere bewoners zou krijgen.'
[13] Ik zeg: 'Beste vriend, je hebt helemaal gelijk; het is werkelijk een ellende zoals het er nu op aarde uitziet! Ik zeg je, het is heel wat erger dan in de tijden van Noach en Lot. Wat kan men echter anders doen dan geduld en nog eens geduld hebben? Laat hen vandaag allemaal sterven, dan zullen ze in het geestenrijk geen haar beter zijn dan op aarde; laat je hen echter op aarde een tijd lang aan hun lot over, zodat zij door hun domheid echt ellendig worden, dan zullen er toch velen tot inkeer komen.
[14] Hier en daar zijn er echter ook nu nog wel liefdadige mensen, die voor hun arme broeders en zusters heel veel goed doen. In jouw tijd, mijn beste Rudolf, waren er wel enkele goede voorzieningen, maar daarnaast ook weer behoorlijk slechte; dat is ook nu nog het geval.
[15] Ik zeg je: de wereld was nooit goed, uitgezonderd steeds slechts enkele, weinige mensen in haar! Wat eenmaal slecht is, dat is en blijft slecht. Aan doornen en distels groeien geen druiven en vijgen; van wijnstokken en vijgenbomen zul je echter altijd edele vruchten oogsten. Laten we ons daarom helemaal niet om de wereld bekommeren. Hoe bonter zij het maakt, des te erger zal zij zichzelf tenslotte straffen. Aan hem die hoog klimt, zullen de rotspunten zelf spoedig vertellen hoe hoog en levensgevaarlijk ze zijn. Wij bezoeken nu alleen maar zieke mensen; laten we daarom maar weer verder gaan!'
«« 107 / 153 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.