Martinus' tweede bezoek aan de dieren onder leiding van de hemelse Meester - De redding van de verdwaalden

Jakob Lorber - Bisschop Martinus

«« 36 / 204 »»
[1] Wij gaan nu snel weer het vertrek binnen en vinden het gezelschap van de dertig nog dicht op elkaar gehurkt in de hoeken en wel in dezelfde dierlijke gedaante.
[2] PETRUS roept ze als volgt toe, zeggend: 'Aanhangers van Calvijn, keer je om, want de Heer wacht op jullie! Beken je niet tot Luther, Calvijn, de Bijbel, ook niet tot Petrus en Paulus of Johannes, maar alleen tot Jezus, de Gekruisigde! Want Hij alleen is de Heer van hemel en aarde; buiten Hem is er geen Heer, geen God en geen Leven meer!
[3] Deze Heer Jezus die de ene ware Christus in eeuwigheid is, is hier en wil jullie aannemen, als jullie dat willen, opdat jullie allemaal zalig worden in Zijn allerheiligste Naam!'
[4] IEMAND UIT HET GEZELSCHAP die het uiterlijk van een ezel heeft, zegt: 'Wie ben jij dat je het waagt in dit verlichte tijdperk met het oude Jezussprookje aan te komen? Zie je dan mijn schatten niet, waarmee ik voor de hele eeuwigheid hoop uit te komen? Ik ben volkomen tevreden met mijn toestand. Wat moet ik verder dan nog met de mythische Jezus die nooit was, nooit is en nooit zal zijn? Wanneer zal men dan eens beginnen om de oude, mythische wijzen uit te roeien en hun plaats in te laten nemen door de werkelijk wijze mannen van de huidige tijd?
[5] Moet Homerus dan altijd de grootste dichter zijn, Orpheus de officiële god van de toonkunst, Apelles de grootste schilder, Apollodorus de eerste beeldhouwer, Dzjengis-Khan de grootste held en veroveraar, Socrates, Plato en Aristoteles de grootste filosofen, de farao's Ramses, Sesostris en Meuris de grootste bouwkoningen, Ptolemeus de eerste astronoom, Mozes de grootste en meest wijze wetgever, David en Salomo de meest wijze koningen en tenslotte Jezus de grootste en meest wijze moralist?
[6] Hebben wij Duitsers niet mannen genoeg, bij wie al deze ouden niet in de schaduw kunnen staan? En toch bouwt men offeraltaren voor deze ouden, terwijl men niet zelden de wijzen van tegenwoordig laat verhongeren! Wanneer, wanneer zal aan deze onzin ooit een eind komen?'
[7] PETRUS zegt: 'Ik ben, die ik ben, soms Simon Jona, soms alleen maar Petrus! Wat jouw verlichte tijden betreft, die hebben werkelijk niet al te veel te betekenen. Het oude Jezussprookje is duidelijk meer waard dan de schatten van je ezelsvel. De oude wijzen zijn daarom ook meer waard dan de jonge melkmuilen, omdat ze wisten wat ze deden. Daarom werden zij leraren van de volkeren van alle tijden, terwijl alle zich zeer wijs dunkende geleerden van deze tijd niet weten wat zij doen. Zij kennen zichzelf niet en daarom nog minder iemand anders en al helemaal niet de puur goddelijke natuur en het wezen van de Heer Jezus Christus. Om welke reden zij er hier in het aangezicht van de Heer dan ook uitzien als jullie, namelijk in de gedaante van ezels, ossen, schurftige schapen en opgejaagde hazen die op aarde, als ze wegens hun soms te zonderlinge wijsheid voor het gerecht moesten verschijnen, uit louter moed voor hun zogenaamde goede zaak liever het hazenpad kozen, dan zichzelf moedig te verdedigen, en pas dan tegengeluiden lieten horen, als ze het vege lijf in een of andere schuilhoek veilig wisten.
[8] Keren jullie je maar eens om en bekijk elkaar en jullie zullen de waarheid van mijn woorden aan jullie zelf zien. Waarom hadden jullie dan voorheen zo'n grote vrees voor Jezus en smeekten jullie, dat Hij niet bij jullie zou komen en bekijken jullie Hem nu, nu Hij werkelijk bij jullie kwam, slechts als een mythologisch figuur?'
[9] De ezelachtige van het gezelschap is nu stil en zegt niets. Maar BISSCHOP MARTINUS maakte deze opmerking: 'O Heer, werkelijk, Uw geduld is groot en oneindig Uw liefde! Maar als ik deze echte ezel eens een paar flinke stokslagen kon toedienen, dan zou me dat bijzonder goed doen! Nee, is me dat een echte ezel! Daarmee valt helemaal niet te praten. De katholieken zijn ook wel dom; maar zo'n domme kerel als deze calvinistische ezel heb ik nog niet meegemaakt.'
[10] IK zeg: 'Mijn lieve vriend en broeder Martinus, weet je niet wat Ik vroeger eens tegen onze broeder Petrus zei, toen hij een knecht van de hogepriester, Malchus genaamd, met een zwaard een oor afhakte? Zie, datzelfde geldt ook hier! Waar de liefde, gepaard met alle zachtmoedigheid en geduld, niets vermag, daar vermogen ook geen zwaard noch een andere macht iets!'
[11] De almacht kan wel alles veroordelen en doden en vernietigen door het gericht. Maar helpen, oprichten, het leven behouden, het verlorene teruggeven, de gevangen geest weer vrij maken, zie, dat kan alleen maar de liefde, gepaard met alle zachtmoedigheid en geduld. Waar deze ontbreekt, daar is niets dan dood en verderf.
[12] Wij echter willen dat er niemand ten gronde zal gaan, maar dat allen die aan Mij geloven het eeuwige leven zullen hebben! Daarom is het aan ons, voor allen slechts die middelen te gebruiken, die het alleen maar mogelijk maken ieder naar zijn aard te helpen.
[13] Probeer jij het met deze ontembare, geleerde calvinisten en zie, wat jij als vroegere bisschop met hen kunt aanvangen!'
[14] BISSCHOP MARTINUS zegt: 'O, liefste Heer, mijn allerliefste God en Vader Jezus, dat zou allemaal goed zijn. Maar als de eerwaardige Petrus naar het schijnt zonder wonderen met hen niet veel kan uitrichten, dan weet ik werkelijk niet, hoe ver ik dan met hen zal komen.
[15] Ik ben echter van mening, daar U, Heer, hier persoonlijk bent in Uw volste goddelijke Wezen, aan wie alle middelen eeuwig ten dienste staan, zou het wel onvergeeflijk van mij zijn, wanneer ik als volslagen onbeduidend wezen in Uw bijzijn iets zou willen uitrichten, terwijl U alles in alles bent en de minste gedachte van U al meer vermag dan ik, wanneer ik een eeuwigheid zo wijs als mogelijk zou blijven praten. Daarom vraag ik U dit voorstel dat U mij hebt gedaan, weer genadig terug te nemen.'
[16] IK zeg: 'Dat niet, Mijn lieve broeder Martinus! Zie, ook jij behoort nu tot Mijn middelen! Als Ik nu meteen persoonlijk op dit half dode gezelschap zou inwerken, dan zou dat een gericht voor hen zijn. Zij weten nu wel, dat Ik hier ben en enkelen van hen geloven ook half en half, dat Ik wel de ware Heer zou kunnen zijn.
[17] Daarom draag Ik dit werk, waarvoor broeder Petrus nu voor jou al de weg heeft gebaand, aan jou op. Zelf is hij ook nog te sterk voor deze zwakke broeders. Daarom moet nu iemand die niet te sterk is hen eerst hulp bieden, opdat hij deze onmachtigen niet teneerdrukt. Want muggen kunnen en moeten eerst alleen maar door muggen gezoogd worden, opdat ze niet te gronde gaan. En kleine kinderen kunnen de eerste tijd geen mannenkost verdragen, doch alleen een lichte en zoete melk. Ga er daarom naar toe en voer Mijn opdracht bij deze dertig zwakken uit. Zo zij het!'
[18] Ik, Petrus en de nu zeer deemoedige boekhandelaar gaan nu weer de kamer uit en laten onze Martinus alleen bij het dertigtal.
[19] BISSCHOP MARTINUS kijkt nu een tijdlang naar deze kudde en richt zich dan met de volgende woorden, die overeenstemmen met zijn eigen toestand en die van deze kudde, tot hen, zeggend: 'Jullie arme, zwakke broeders die er in het zuivere licht van de almachtige, eeuwige God als waarlijk domme dieren uitzien, luister geduldig naar mij en neem de betekenis van mijn woorden in je op!
[20] Ik was op aarde een roomse bisschop en was een fel tegenstander van alles wat met het protestantisme te maken had, hoewel ik voor mezelf Rome nog minder waardeerde dan de leer van Mohammed. En zoals ik op de wereld was, zo kwam ik ook hier naar toe als een weerspannig rund tegen al het goede en heilig ware. Nog geen haar was er goed aan mij en mijn hart was een ware Augiasstal. Ik zeg jullie, dat er van iets wat men met enige reden een christelijke verdienste had kunnen noemen, bij mij totaal geen sprake was!
[21] Het enige dat op zichzelf echter helemaal niets te betekenen heeft, was dat ik mij soms in een soort luchtige fantasie Jezus de Heer zo voorstelde, als Hij beschreven werd en daarbij dacht: 'Ja, als ik Hem zo zou kunnen hebben en met Hem gemeenschappelijk zou kunnen werken in het overtuigend bewustzijn, dat Hij eventueel werkelijk het allerhoogste Godwezen zou zijn, dan zou ik vanzelfsprekend het gelukkigste wezen in de gehele oneindigheid zijn. Want ten eerste zou dat toch de allerhoogste eer zijn, ten tweede de beste verzorging en levensverzekering voor de eeuwigheid, ten derde de hoogste en machtigste bescherming, en tenslotte zou ik in zo'n gezelschap immers wonderbaarlijke dingen te zien krijgen die tot nu toe geen menselijke gedachte zich heeft kunnen voorstellen.
[22] Zie, deze gedachte, mijn fantasie, ja deze heerlijke luchtkastelen van mij op aarde waren hier mijn enige redders van het eeuwige verderf. Ze waren een verborgen liefde tot God in mij, die ikzelf niet kende. En zie, lieve broeders, hoe moeilijk ik het ook had, toch ben ik door deze liefde zo ver gekomen, dat juist deze aardse fantasieën in mij - wat voor jullie zeker nog moeilijk te geloven is de meest evidente werkelijkheid zijn geworden. Ik ben nu werkelijk bij Jezus, de enige Heer en Meester van de geestelijke en stoffelijke wereld en ben op deze manier allerheerlijkst voor de hele eeuwigheid verzorgd.
[23] Broeders, vrienden, als jullie niet je eigen grote vijanden willen zijn, volg dan mijn voorbeeld en ik wil alles voor jullie zijn, als het jullie eeuwig ooit zou berouwen! Geloof mij, de Heer is hier in dit heerlijke huis en is oneindig goed, beter dan de beste engelen en mensen van alle werelden en van alle hemelen bij elkaar! Veranderen jullie daarom van gedachte en heb vertrouwen en het zal er onmiddellijk anders voor jullie uitzien dan nu. Verkies mijn lering die op ervaring berust boven jullie verkeerde vermoedens, en word levende werktuigen van de Heer!'
[24] Na deze werkelijk heilzame woorden van onze Martinus wendden ALLE DERTIG zich nu tot hem en antwoordden hem bijna eenstemmig: 'Vriend, wat je nu zegt bevalt ons beter dan de vroegere woorden die je tot ons hebt gericht; hoewel wij er meteen aan toe moeten voegen, dat het ons bepaald niet goed bevalt, dat jij dieren in ons ziet. Men kan een domme kerel wel voor een ezel of een os uitschelden; maar hem in zekere zin aan het verstand willen brengen, dat hij tevens echt een os - en ezelgedaante heeft, zie, broeder, dat gaat toch wel wat te ver!
[25] Maar hoe het ook zij, jij hebt door je woorden bewezen, dat je een verstandige en goede kerel bent en met jouw Jezus zul je er dan ook niet ver naast zitten. Het enige wat hier een beetje vreemd is, is dat je hier geen engelen ziet. Ook met de hemelse schoonheid van deze omgeving lijkt het ons magertjes gesteld te zijn, evenals met de hemelse kledij. Want jij bent nog altijd een aardse boer en bovendien ook nog zonder kiel. Ook jouw Heer Jezus heeft bepaald geen hemels kleed aan en Petrus ziet er eerder armoedig dan hemels uit. Alleen de mij welbekende boekhandelaar uit N. heeft een iets beter kleed, dat echter voor de hemel ook niet de juiste snit heeft.
[26] Zie, vriend, dat is nu echt een zwakke kant. Als jij deze bedenkingen uit de weg kunt ruimen, dan zullen wij je helemaal op je woord geloven, wat je ons ook zult zeggen en wij zullen alles doen wat je zegt.'
[27] Hier schrikt MARTINUS een beetje van, want aan deze dingen heeft hij zelf nog niet gedacht tijdens zijn geestelijke vooruitgang. Maar hij vermant zich meteen duidelijk en spreekt verder tegen deze al half bekeerde kudde: 'Vrienden, geloof mij, het komt er hoofdzakelijk op aan, hoe iemand het hebben wil! Ik wilde het tot nu toe zo en daarom is het ook zo; wil ik het echter anders, dan zal het er ook meteen anders uitzien!
[28] Engelen heb ik weliswaar nog niet gezien. Maar wat is er gelegen aan alle engelen en aan alle hemelse pracht, als men maar de Heer van alle engelen en hemelse heerlijkheden heeft! Hij kan alles wat hier nog ontbreekt in een oogwenk - zoals men pleegt te zeggen - te voorschijn toveren. Eigenlijk heb ik nog helemaal geen behoefte aan dit alles in mij bespeurd, niet eens aan een beter kleed, want voor mij is de Heer nu alles in alles, ja, alles boven alles!
[29] Als jullie op mijn niveau staan, dan zullen ook jullie zo denken en voelen als ik. De eeuwigheid is nog zo lang en er zal aan de zijde van de Heer, de eeuwige Meester van de oneindigheid, nog heel wat te zien en te beleven zijn. Daarvan ben ik van te voren al ten volle overtuigd.
[30] Ik zeg hier echter ook hoe ik het levendig in mij voel: Heer, als ik alleen U maar heb, dan vraag ik niet naar alle andere heerlijkheden zonder maat en naam. Want het heerlijkste van alle heerlijkheid blijft eeuwig en alleen de Heer, ja onze Heer Jezus! Hem alleen zij alle eer, alle lof en al mijn liefde voor eeuwig! Amen.'
[31] Na deze woorden verheft DE HELE KUDDE zich als uit een stofwolk in een reeds volledig menselijke gedaante en zegt eveneens luid: 'Amen! Broeder, je hebt gelijk, wij geloven je nu allemaal. Je hebt nu werkelijk meer dan wijs gesproken en daardoor in ons hart een licht aangestoken, dat nooit meer uit zal gaan. Dank zij daarom de Heer Jezus, jouwen nu ook voor eeuwig onze God!'
[32] Op dat ogenblik kom Ik met Mijn beide begeleiders weer het vertrek binnen en allen vallen aan Mijn voeten neer en roepen: 'O Heer Jezus, U heiligste Vader, U drie-enige God, wees ons arme zondaars genadig en barmhartig! U alleen zij alle eer in eeuwigheid!'
[33] IK zeg echter: 'Sta op, Mijn kinderen, zie, niet met het oordeel maar met de grootste liefde komt jullie Vader je tegemoet. En omdat jullie Hem hebt opgenomen in je hart, neemt Hij jullie ook duizendvoudig op in Zijn eeuwig Vaderhart. Kom daarom nu allemaal tot Mij, die zwaar belast en vermoeid waren en Ik zal jullie voor eeuwig volop verkwikken!'
[34] Hierop staan allen op en vallen, waar het maar even kan, aan Mijn borst. Ze huilen voor de eerste keer tranen van oneindige vreugde en volgen Mij, nadat zij aan Mijn borst zijn uitgehuild, met de grootste vreugde naar de grote eetzaal, waarheen ook het vroegere gezelschap door Petrus ontboden werd.
«« 36 / 204 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.