Over honger en dorst van onrijpe geesten - Martinus in licht benevelde toestand na zijn vespermaal - De ontnuchtering van de ondernemende Martinus door de vertoornde bewoner van Jupiter

Jakob Lorber - Bisschop Martinus

«« 55 / 204 »»
[1] Na deze woorden valt bisschop Martinus meteen op een goed stuk brood aan en eet het met grote smaak op. Want als een geest zich een poosje van Mij heeft afgewend, dan zal hij al gauw erg hongerig en dorstig worden. En krijgt hij dan, als hij weer een beetje in zichzelf keert, iets te eten, dan werkt hij dat met grote gretigheid naar binnen, evenals de drank. Deze gretigheid laat echter ook zien, hoe leeg de geest in zijn binnenste is en dat er daarom nog lang niets vruchtbaars van hem te verwachten is - wat bij onze Martinus dadelijk zal blijken.
[2] Nadat hij nu het brood heeft opgegeten en vervolgens ook een goede fles wijn heeft gedronken, wordt hij heel vrolijk, maar ook nog zinnelijker. Want ook geesten kunnen zich, als ze niet uit Mij en door Mij zijn wedergeboren, bedrinken, in welke toestand ze dan dikwijls uitbundig worden op een domme, zinnelijke manier en hun vrijheid daarbij heel erg misbruiken.
[3] Als onze bisschop Martinus de fles heeft leeggedronken, doet hij de wandkast dicht, opdat zijn voorraad naar zijn idee niet zal bederven. Dan gaat hij naar buiten, de frisse lucht in en zegt tegen zichzelf:
[4] (BISSCHOP MARTINUS:) 'God zij dank, nu heeft mijn hongerig geworden maag eindelijk ook weer wat te doen. Ik wil nu echter in mijn tuintje een beetje ronddrentelen en wat frisse lucht inademen.
[5] Ja, frisse lucht na een maaltijd is veel beter dan de domme zwarte koffie, en ik moet zeggen, de geur van deze tuin is werkelijk nog de beste eigenschap ervan.
[6] De wijn was ook al zo'n echt tongstrelertje! Sapristi! 't Is eigenlijk toch maar een klein halfje geweest, maar ik voel het wel - wat toch wel heel wat wil zeggen, als ik zo'n halfje voel! Ik ben weliswaar niet aangeschoten, maar ik voel het toch wel degelijk!
[7] Als er in dit tuintje nu maar een bankje zou staan, waarop ik een poosje kon gaan zitten. Als de voeten je een beetje onvast beginnen te worden, dan is zo'n tuintje toch niet te versmaden. Maar er is niets van dien aard en de grond ziet er ook niet erg aantrekkelijk uit.
[8] Ik zal naar de omheining van de tuin gaan en daar een beetje tegenaan leunen en eens kijken, wat ik eigenlijk voor buren heb en ├│f ik die wel heb! Want van een of ander landschap is hier geen spoor te ontdekken, maar de hele omgeving lijkt op een zandwoestijn en dan ook nog een grauw bewolkte hemel daarboven, die een heel donker en onvriendelijk aanzien geeft. Dus maar naar de omheining; wie weet wat daar aan de andere kant allemaal te zien zal zijn.
[9] Sapristi, sapristi! Ik zei het al, het wijntje voel ik. Maar nu naar het hek!
[10] Aha, ik ben er al. O, het uitzicht is prachtig! Je ziet helemaal niets! Deze tuin samen met mijn koninklijk paleis lijkt een soort schip te zijn, dat op de golven van de oneindigheid ronddrijft, waar het met een nabuurschap heel slecht gesteld is. Ik ben dus helemaal alleen, volkomen alleen ben ik en dat betekent een beetje vervloekt zijn en verdoemd bovendien!
[11] Zo, zo, zo - dat is niet slecht! Ik kan dus werkelijk nergens heen, nog geen duimbreed van dit tuintje vandaan. O, dat is toch wel heel vervloekt. Ik ben dus stiekempjes weg vervloekt? Vandaar al dergelijke spreuken op het witte bord? Vandaar terecht het 'dies irae, dies illa'*.(* 'Die dag, de dag des toorns' ) Ik zal daar moeten rondzwerven tot op de jongste dag - requiescam in pace**.( ** ik zal in vrede rusten) En dan zal de geweldige eeuwige verdoemenis over mij komen! O wee, o wee, mij arme!
[12] Als ik nu maar zou kunnen bidden, de ene rozenkrans na de andere en de ene heilige litanie van Loreto na de andere die grote kracht en uitwerking heeft, dan zou ik misschien toch nog geholpen kunnen worden. Maar ik kan niet bidden en het komt mij ook voor alsof ik het niet zou willen, ook als ik het wel zou kunnen! Ik kan er hoogstens nog uitbrengen: 'Heer, ontferm U over mij, Christus ontferm U over mij, Heer ontferm U over mij.' Verder gaat het in geen geval!
[13] Ja, wat sta ik hier dan ook in het domme niets te kijken? Terug naar huis jij! Dan ga ik weer naar de zonnedeur, van waaruit je tenminste de mooie zon kan zien. Of - wacht! Ik ga nog een keer naar de deur van de maan. Misschien tref ik daar mijn wijze man van de maan; die moet me aanwijzingen geven wat ik moet doen, om als dat mogelijk is misschien toch een beetje beter lot te krijgen. Dus nu vlug naar binnen en naar de deur van de maan!
[14] Ik ben er al weer. Zie, het interieur van dit huis ziet er nog heel mooi uit; het blijft gelijk! Dan blijf ik van nu af aan maar ononderbroken in huis, het is hier echt heel aangenaam. En nu naar de deur van de maan!
[15] Hola, daar zou ik bijna gevallen zijn! O, jij wijntje; dat is nog steeds niet helemaal uit mijn hoofd, maar dat geeft niet. Daar is de maandeur al en ze is nog open ook. Maar - o jij hopeloos maanwezen - wat sta je hier ver vandaan. Zo zal er met de wijze van de maan niet veel gesproken kunnen worden! Het is weliswaar juist volle maan, maar hij staat hier nog verder van af dan van de aarde, dus dat is ook niets!
[16] Ik zal dan maar eens naar Jupiter gaan. Misschien is die niet zo bedeesd als de kuise maan?
[17] Daar is de poort al naar de grote Jupiter. Kijk, die is dicht. Ik zal proberen hem open te maken. Ephata (open je)! Zie nu eens, die ging gemakkelijk open. En, God zij dank, deze grootmogol onder de planeten is echt heel dichtbij; ja, hij komt nog steeds dichter bij! O, God zij dank, dan zal ik misschien toch ooit bij een respectabel gezelschap van mensen terechtkomen!
[18] Goed zo, goed zo, daar komt al iemand recht op mij af, en nu is de planeet er ook helemaal. O God, o God, wat zijn dat verschrikkelijk ver uitgestrekte landerijen. Het lijkt nu wel, alsof zelfs mijn huis op de grond van deze reus onder de planeten staat!
[19] Die mooie, grote man staat nu zelfs recht tegenover me en het is een reus. Maar hij schijnt mij niet op te merken, omdat hij helemaal niet naar mij omkijkt! Ik zal eens een stap in zijn sfeer doen - misschien zal hij mij dan wel zien?'
[20] BISSCHOP MARTINUS treedt nu in de sfeer van de Jupiterbewoner. Deze ziet hem en vraagt hem meteen:
[21] (JUPITERBEWONER:) 'Wie ben jij, dat je het waagt om mij te naderen vol vuil en drek, vol bedrog en hoererij: louter schandelijkheden die op mijn aarde totaal onbekend zijn. Mijn aarde is een zuiver land en zou geweldig toornig worden, als het nog langer door jou zou worden betreden. Trek je daarom weer terug in je snerthuis, waar je kunt zwelgen en hoereren tot het toppunt van je schandelijkheid - of ik verscheur je!'
[22] BISSCHOP MARTINUS doet nu een sprong terug in zijn huis, gooit ijlings de deur achter zich dicht en zegt bij zichzelf: 'Uw gehoorzame dienaar - die kerel komt me nog juist van pas als toegift op mijn ellende! Vaarwel, heer van Jupiter, wij staan voor eeuwig quitte! Nee, dat ontbrak mij nog juist! Verscheuren? Uw gehoorzame dienaar! Daar heb ik voor de laatste keer naar buiten gekeken:'
«« 55 / 204 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.