Tweede scène van de beproeving der Jezuïeten en de verklaring ervan door Borem

Jakob Lorber - Bisschop Martinus

«« 70 / 204 »»
[1] Bisschop Martinus kijkt nu weer en ziet, hoe een karavaan pelgrims die veel schatten en rijkdommen met zich meevoert, onze Jezuïeten nadert.
[2] De paters merken dat en als de karavaan in hun nabijheid komt, wordt ze door hen aangehouden en gevraagd, waar ze heen trekt en wat ze met zich meevoert.
[3] De KARAVAAN zegt: 'Wij komen van de wereld, hebben daar enkele kloosters geplunderd en vooral de allerrijkste kloosters van de Jezuïeten, omdat die zelf de grootste rovers en bandieten van de wereld zijn.
[4] Want om de mensen door valse toespraken, kwezelarij, huichelarij en door allerlei erge voorspiegelingen van hel en verdoemenis hun dikwijls moeizaam verworven have en goed af te troggelen, en zelfs met allerlei geweld afhandig te maken, is nog erger dan openlijk roven en stelen. Tegen rovers en dieven heeft ieder het recht van noodweer en verdediging, maar tegen dergelijke dieverijen en berovingen door Jezuïeten en andere monniken kunnen maar heel weinig mensen zich beschermen.
[5] En dus is hun bezit in hoge mate onrechtmatig. Daarom is het rechtvaardig en billijk, dat we deze eerder aangeduide kloosters hebben geplunderd. Nu dragen wij deze geroofde goederen voor Gods troon en willen daar net zo lang om wraak roepen, tot de Heer God ons zal verhoren en dit kwaadaardig en meest oneerlijk gespuis met wortel en al zal uitroeien!'
[6] Als de Jezuïetenpaters dit vernemen, beginnen ze letterlijk te gloeien van woede en gramschap.
[7] BISSCHOP MARTINUS die dit alles mede had aangehoord, zegt tegen Borem: 'Broeder, nu ziet het er pas echt slecht uit voor onze Jezuïeten, tenminste voor de dertig die al bij het eerste gevecht betrokken waren. Ik zie ook wel alle anderen van deze groep, maar die houden zich niet met deze dertig op, doch vormen een apart groepje, dat er veel lichter uitziet dan deze dertig.'
[8] BOREM zegt: 'Deze anderen zijn al zo goed als gered, maar die dertig staan nog heel wankel in hun schoenen. Let maar op, wat daar zal gaan gebeuren.'
[9] BISSCHOP MARTINUS let nu heel aandachtig op en zegt na een poosje: 'Nee maar, broeder, ik smeek je om Gods wil, hier moeten wij toch ingrijpen! Ach, dat zijn immers echte dui...God sta ons bij! Nee, zoiets had ik van deze orde toch nooit vermoed!
[10] Luister naar me, als je misschien het verschrikkelijke oordeel van de Jezuïeten niet hebt gehoord: Toen de karavaan met haar antwoord en uitleg klaar was, werden de paters witgloeiend en schreeuwden als uit één mond:
[11] 'O jullie gemene Godmoordenaars, die je zo misdadig aan het heiligdom Gods hebt vergrepen! Jullie zijn regelrecht in handen gevallen van de rechtvaardige wraak! Die Jezuïeten die jullie zo schandelijk hebt beroofd en over wie jullie de wraak Gods wilt afsmeken, zijn wij! God heeft ons vast en zeker hier naar toe gestuurd, opdat wij jullie wegens deze onuitsprekelijk grote misdaad meteen ter plekke aan de diepste en vreselijkste hel kunnen uitleveren. Naar beneden jullie, verschrikkelijke duivels, naar de allerergste duivels!
[12] Kom naar boven Lucifer, naar boven jij Satan, naar boven jij Leviathan; neem deze goddeloze, slechte, ketterse en daarbij ook meest vervloekte, vermaledijde, duivelse booswichten in ontvangst en martel en folter ze eeuwig en smijt ze daarheen, waar de hel op zijn gloeiendst is!
[13] Mijn broeder, dat is toch zeker ongehoord! Wat hebben deze kerels het goed voor met de arme karavaan! Ik denk, broeder, dat zulke zielen zich wel nooit meer zullen beteren?
[14] O,o, kijk nu eens, daar komen werkelijk drie afschuwelijke gedaanten uit de diepte! Er sproeit vuur uit hun verschrikkelijke muilen die ze zo ver opensperren, dat ze hele huizen zouden kunnen verslinden!
[15] De karavaan raakt bij die aanblik in grote angst en vertwijfeling. Men legt zijn bundels voor de Jezuïeten neer en smeekt om vergeving en medelijden.
[16] Maar de Jezuïeten duwen ze zonder mededogen terug en schreeuwen nu nog harder, terwijl ze gloeien van toorn en gramschap. 'Weg met jullie, hier is geen medelijden en in eeuwigheid geen vergeving meer voor! De verschrikkelijkste, eeuwige kwelling in een altijd durende vergeefse, brandende wroeging zal jullie lot en loon zijn voor jullie werk! Grijp ze, jullie drie grootste en ergste duivels en vergeld hun eeuwig, wat ze ons tijdelijk hebben aangedaan!'
[17] De karavaan smeekt nog luider, maar vergeefs. De drie duivels naderen de karavaan. Deze roept nu nog meer ontzet om medelijden, maar het is tevergeefs. Met groot leedvermaak kijken de Jezuïeten naar de oneindig bange wezens. Ah, dat zijn toch werkelijk vervloekte kerels, ja dat zijn de duivels der duivelen!
[18] De drie echte duivels nemen nog de tijd en kijken bedenkelijk naar de verschrikkelijke begeerte van de Jezuïeten. Maar deze liederlijke kerels willen de arme schepsels zonder enige genade en zonder pardon in de hel hebben.
[19] Maar zie, nu spreken de drie duivels echt en merken op, dat het oordeel van de Jezuïeten te streng is en zelfs onrechtvaardig tegenover deze slechts kleine zondaars.
[20] Maar de Jezuïeten zeggen luid: 'Ons oordeel is Gods oordeel en daarom terecht. Dus weg met hun, naar omlaag ter kwelling!'
[21] De duivels roepen echter terug: 'Jullie begeren te veel! Zo heeft God nog nooit geoordeeld. Welnu, we zullen het doen zoals jullie willen, maar voor jullie rekening, als jullie wens niet van God afkomstig is.'
[22] O broeder, luister, een verschrikkelijk geschreeuw stijgt op uit de ongelukkige karavaan en ze verdwijnt nu met de duivels. De Jezuïeten echter juichen met vrolijke gezichten! Wat zeg je daarvan? Broeder, zijn dat duivels of niet?'
[23] BOREM zegt: 'Trek je van dit alles maar niets aan. Want dat is allemaal, zoals al eerder is gezegd, niets anders dan een schijnbeeld, dat door toedoen van de Heer voor ons aanschouwelijk wordt, wanneer een dergelijk schijnbeeld uit het gemoed van deze nog zeer dwaze paters genoodzaakt wordt naar buiten te treden.
[24] Want niet zelden bestaat het afleggen van het kwaad daarin, dat dit kwaad in zijn ware gedaante uit het gemoed naar buiten wordt gestoten als een werkelijk gebeuren; maar het geheel is toch meer een loze vertoning dan werkelijkheid.
[25] Daarom moet je je van wat je hier hebt gezien niet te veel aantrekken. Alles wat je hier ziet gebeuren, ontspruit alleen uit de allerdiepste liefde en de allerhoogste wijsheid van de Heer en heeft grote overeenkomst met het verschijnen van de velerlei ziekten bij de mensen op aarde.
[26] Die ziekten zijn weliswaar een kwaal van het lichaam, maar daarentegen een grote weldaad voor de ziel en niet zelden ook voor het lichaam zelf, omdat daardoor een slechte stof met geweld uit het lichaam wordt verwijderd.
[27] Dus zijn ook deze verschijnselen niets dan meegebrachte ziekten van de ziel, die allemaal naar buiten moeten worden gedreven en wel door geestelijke medicijnen, zoals de lichamelijke ziektes door stoffelijke specifieke geneesmiddelen. Anders zou de ziel nooit gezond kunnen worden en de geest in haar nooit ontwaken.
[28] Of ligt bij een mens op de wereld de ziel niet net zo lang ziek ter neer en heeft geen lust tot welke activiteit dan ook, zolang het lichaam ziek is? Is het lichaam echter gezond, dan is ook de ziel weer lustig en monter.
[29] Zie broeder, precies zo gaat het ook hier: al deze wezens hebben heel zieke zielen. Deze ziekte komt nu los en wordt naar buiten - en weggedreven door het woord van God, dat het enige, meest krachtige medicijn is. Als dit eenmaal zijn werk helemaal heeft gedaan, dan komen wij pas aan de beurt en zullen we de herstellenden laven en sterken met de liefde van de Heer.
[30] Nu, lieve broeder, zul je deze scènes zeker beter begrijpen en zul je in het vervolg niet meer zo erg ontsteld zijn, als je nog ergere dingen zult zien dan je tot nu toe hebt gezien. Want bij iedere ziekte is de laatste stof die door medicijnen naar buiten wordt gedreven de ergste, omdat deze de eigenlijke hoofdoorzaak van de ziekte is. Zo zal ook hier pas op het laatst het grootste kwaad uit de ziel worden gedreven.
[31] Daarom moet je ook niet meer zo bang zijn, als je dit kwaad zult zien zodra het tevoorschijn komt. Kijk nu maar weer, dadelijk zal de derde akte beginnen, die waarschijnlijk ook de laatste zal zijn voor deze dertig Jezuïeten.'
«« 70 / 204 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.