De overste en Hebram.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 3)

«« 155 / 246 »»
[1] De aanwezige dertig jonge Farizeeën met daarbij Hebram en Risa zagen dat ook en verheugden zich er bijzonder over dat het Cyrenius gelukte ook de vijftig hardnekkigen om te vormen voor de goede zaak.
[2] HEBRAM ging daarop naar overste Stahar en zei: "Kijk, wij zijn hier met dertig man, net als u door de tempel het land ingestuurd om heidenen voor de tempel te werven; een moeilijke zaak! In ontwikkeling zijn de heidenen de huidige tempeljoden echter overal tweehonderd jaar vóór. Moeten wij dan de zienden blind maken en ze in de macht brengen van het vervloekte water van de tempel!? Dat gaat niet en iets anders gaat ook niet! Dat zei ons ons verstandige hart en daarom zijn wij allen Romeinen geworden, en ons getuigenis tégen de tempel zal voor veel mensen erg verhelderend werken. Maar wij kregen hier nog een groot, heilig getuigenis, dat een stralender licht geeft dan duizend zonnen tegelijk. Het is een eeuwig licht, dat reeds vóór de schepping van alle werelden heeft geschenen voor alle engelen, die levende vlammen waren uit de eeuwige vlam in God die liefde heet.
[3] Dit oerlicht van al het licht, deze eeuwige liefde, vonden wij hier en jullie hebben het voor een groot deel ook gevonden en zullen het nog veel meer vinden.
[4] Het schenkt ons echter erg veel vreugde dat jullie hier ook dat hebben gevonden, wat wij hebben gevonden. Jullie kostte het weliswaar je uiterlijke, prettige bestaan. AI jullie bezit heeft het vuur verteerd en het lekt er nog aan. Net als wij bezitten jullie nu niets meer! Maar de wil van God is eens en voor al deze: Als wij mensen God werkelijk willen naderen en de oprechte wens en wil in ons hart koesteren in alles helemaal door God verzorgd te worden, moeten wij eerst uit grote liefde tot en in het sterkste vertrouwen op -de almachtige Vader, de gehele wereld de rug toekeren en alles wat ons op de wereld als deel van de wereld lief en dierbaar was, tot op het laatste atoom verliezen. Dan pas is God de Heer en Vader bereid ons -die door de wereld verlaten en uitgestoten zijn -als Zijn kinderen aan te nemen en geheel voor ons te zorgen, zodat we dan pas echt voor eeuwig verzorgd zijn.
[5] Als God eenmaal voor ons zorgt, zien we pas goed in hoe ontzettend slecht wij door de wéreld werden verzorgd!
[6] Wat baten de mens alle schatten der aarde, die hij niet kan meenemen, wanneer hij voor eeuwig van deze aarde moet scheiden?! Zal hij ze kunnen meenemen? Maar Gods schatten, die Hij geestelijk voor ziel en geest heeft geschapen, nemen wij ook met ons mee in het grote hiernamaals en voor ons zullen zij alles in alles zijn: spijs, drank, woning en kleding en het volkomen eeuwige leven vol klaarheid, vol licht en vol van het hoogste geluk!
[7] Treur daarom niet om al datgene wat jullie sinds gisteren tot op dit uur hebben verloren, want de Heer heeft al voor jullie gezorgd nog voor je Hem, zoals nu, als zodanig herkende. Laat jullie liefde voor Hem graag dat offer brengen, want Hij zal jullie geestelijk duizendvoudig vergoeden wat jullie in het stoffelijke hebben verloren!"
[8] STAHAR zegt: "Ik dank je uit naam van al mijn trouwe collega's en broeders voor deze voortreffelijke troost en ik zie daar op de tafel de grote en gedegen klomp zilver, die de engel voor ons uit de lucht heeft getoverd! Dat zou al een kleine vergoeding voor onze schade zijn, maar ik en wij allen hechten nu al heel weinig waarde aan deze schadevergoeding. Want dat wat wij waren, zullen wij nooit meer worden, want ik denk zo bij mijzelf dat de wijze opperstadhouder met ons allen een heel andere regeling zal treffen. Maar er zal zeker in zoverre voor ons gezorgd worden, dat wij niet zullen verhongeren en het lichaam desnoods kunnen kleden, al het andere vinden wij nu niet meer belangrijk! Ook deze tweehonderd pond zware zilverklomp zullen wij hier voor gastheer Marcus achterlaten, ten dele als verschuldigde betaling voor de spijzen en de drank die hij ons heeft gegeven en verder nog zal geven.
[9] Slechts één ding zouden wij hier te weten willen komen en dat is: of de reeds in de wereld zijnde, lang beloofde Messias Zich soms hier ergens in de buurt van deze plaats ophoudt! Die te zien en misschien zelfs een woord van Hem te horen, zou nu voor ons een grote stap vooruit betekenen!
[10] Onder ons gezegd: Wij hebben enig vermoeden in de richting van iemand van wie wij al heel veel ongelofelijks hebben gehoord, dat ons echter nu niet meer ongelooflijk voorkomt sinds wij de daden van de engel hebben gezien!
[11] Wel, deze mens, eigenlijk God Zelf in menselijk gewaad, schijnt ons die Nazareeër, Jezus genaamd, te zijn, waarover zich opeens zulke wonderbaarlijke geruchten van plaats tot plaats onder het volk hebben verbreid. Reeds lang raakten wij in grote verlegenheid als de mensen ons om uitleg vroegen van datgene wat zij met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord hadden.
[12] De opperstadhouder heeft mij zelf daarover een zeer netelige vraag gesteld die maakte dat ik bij het beantwoorden daarvan het erg benauw.d kreeg! En daarom vermoed ik nu niets meer of minder dan dat die wonderbare Jezus uit Nazareth onmiskenbaar de ons door de engel aangeduide Messias is, die nu op aarde moet zijn. Deze Messias is misschien zelfs een van de vele aanwezigen hier, die Zich om heel wijze redenen met eerder aan ons kenbaar wil maken dan wanneer wij Hem wat meer waardig zullen zijn dan tot op heden helaas het geval was!
[13] Daarom ben ik van mening en dat zeg ik heel openlijk tegen jullie allen: Als de zaken zó staan, keren wij de tempel en zijn waardeloze heiligdommen voorgoed de rug toe en sluiten ons met iedere vezel van ons leven aan bij de Messias der Joden! -Wat is jullie mening daarover?"
[14] De ANDEREN zeggen: "Zeker, daar hebben wij niets tegen in te brengen! Wat jij als onze overste doet, doen wij ook. Wij kennen het wezen van. de tempel en weten dat binnen zijn muren geen heil meer te vinden is, omdat er geen waarheid, geen liefde en geen trouw, maar slechts heerszucht, hoogmoed, toorn, wraak, allerlei leugens, vraatzucht en zwelgzucht en allerlei ontucht en hoererij en echtbreuk heersen! Dat zijn nu de elementen van het wezen van de tempel! Welk heil kan men van zo'n instelling verwachten? Vloek en verderf, ja, zoveel wij maar willen, maar van heil kan er eeuwig geen sprake meer zijn!
[15] Tijdens jouw toespraak hebben wij alles heel diepgaand doordacht en wij keren met jou de tempel voor eeuwig de rug toe. Dat gebeurt volkomen terecht, want wij hebben niet goedgelovig iets nieuws aangenomen. Wij hebben alles van tevoren intensief onderzocht, zelfs de grootste wonderen konden ons niet als een blad aan een boom doen omkeren.
[16] Nu wij ons echter geheel van de volle waarheid hebben overtuigd, kunnen wij er ook met meer omheen, de waarheid, die uit de hemelen kwam, aan te zien voor wat zij is, -en dat des te meer omdat tijd, omstandigheden en de oppermacht van Rome daarbij gunstiger voor ons zijn dan wij ooit hadden kunnen verwachten!
[17] Wij zijn nu alleen erg nieuwsgierig naar de Messias, die vrijwel zeker uit Nazareth afkomstig is! Zou het misschien diegene zijn uit het grote gezelschap, die een rozekleurig gewaad draagt met daarover een Griekse lichtblauwe merinosmantel en zeker de mooiste haren heeft die wij ooit bij een man hebben gezien?!"
[18] STAHAR zegt: "Ja, daar zouden jullie best eens gelijk in kunnen hebben, want op hem had ik ook allang mijn oog laten vallen! Ik zag ook, dat zowel de engel als Cyrenius tijdens hun spreken en handelen steeds naar hem omkeken en hem als het ware vroegen, of het wel in orde was wat zij zeiden en deden!
[19] Ook alle anderen geven hem een zekere verborgen hoogachting, die mij echter niet ontging! Als dat eventueel geen keizerlijke prins uit Rome is, dan zou ik nu al zweren dat déze mens de Messias is en geen ander!"
[20] De ANDEREN zeggen: "Ah, met zulke mooie, blonde haren kan dat nooit een Romein zijn! Maar wat kan ons dan gebeuren als wij naar hem toegaan en hem het een en ander vragen?!"
[21] STAHAR zegt: "Dan kunnen wij ons toch nog eerder tot de engel richten en tot de opperstadhouder. Wij zijn nu Romeinse burgers en hebben daartoe het volste recht."
«« 155 / 246 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.