De weduwe en haar giftige sfeer.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 4)

«« 154 / 263 »»
[1] MATHAËL buigt en begint meteen het volgende gedenkwaardige sterfgeval te vertellen: "In een klein plaatsje tussen Bethlehem en Jeruzalem leefde een zonderlinge weduwe. Zij was getrouwd geweest met twee mannen. De eerste man ontviel haar reeds na een jaar. Van hem kreeg zij een dochter, die echter vanaf de geboorte doof en stom was, maar, wat bij doofstommen zelden het geval is, zij was levendig en opgewekt.
[2] Nadat zij een jaar weduwe was geweest, dong een tweede, heel energieke man naar haar hand en trouwde met de weduwe, die toentertijd heel mooi geweest moet zijn. Maar de man verging het met deze vrouw nauwelijks beter dan zijn voorganger, want hij leefde maar twee jaar en een paar maanden, en stierf net als de eerste aan algehele uitputting.
[3] Dat schrikte daarna alle andere mannen af, zodat verder niemand meer om haar hand durfde te vragen. Van de tweede energieke man had zij echter helemaal geen kind, terwijl de doofstomme dochter flink groeide en op haar vijfde jaar al zo groot en sterk was als anders nauwelijks een meisje op haar twaalfde. Daarbij had zij een heel prettig uiterlijk, en iedere man keek met veel genoegen en vaak reeds erg begerig naar dit doofstomme meisje.
[4] Deze weduwe leefde daarna nog twintig jaar, bleef steeds mooi en zelfs zeer aantrekkelijk, en haar dochter betoverde iedere man; want iets mooiers en aantrekkelijkers was er in die tijd in het hele Joodse land niet te vinden! Het meisje was ook nog in hoge mate intelligent en goed opgevoed en wist zich door gebarentaal heel goed aan iedereen verstaanbaar te maken, en dat deed zij altijd op zo'n echt kunstzinnig sierlijke manier dat iedere man zich gelukkig prees met dit doofstomme meisje geconverseerd te hebben. Velen deden het meisje een huwelijksaanzoek, maar omdat volgens de wet, doofstommen van het huwelijk uitgesloten zijn, waar ik absoluut geen enkele aanvaardbare reden voor zie, was daar beslist niets aan te doen.
[5] De weduwe was ook erg bemiddeld en had uitgestrekte bezittingen en zodoende veel knechten en dienstmaagden, en zij deed veel goeds voor de armen. De vrouw zou graag nog een keer getrouwd zijn, maar omdat niemand meer om haar hand vroeg en de vrouw ook niemand meer durfde te vragen uit angst en tevens uit goede wil om niet zonder erg ook nog een derde man te doden, bleef zij ongehuwd, leidde een heel zedig en ingetogen leven en was de troosteres voor veel noodlijdenden.
[6] Ook kwam er eens een Griekse geneesheer, die haar wilde genezen van haar vreemde, merkwaardige eigenschap; maar zij wees hem af en zei -zoals zij dat later precies aan mijn vader vertelde, en wel, als mijn overigens goede geheugen mij niet bedriegt, met de volgende woorden -: 'Mijn ouders waren goede en godvruchtige mensen en ik stond als meisje bekend als een toonbeeld van ingetogenheid. Voor mijn eerste huwelijk heb ik nooit een man bekend. Hoe dan zo'n kwade eigenschap in mijn goedgevormde lichaam kan huizen is mij een raadsel; ik ben echter -Jehova alleen zij alle lof! - verder kerngezond en daarom wil ik geen geneesmiddel. Het is dus Gods wil, die ik mij graag laat welgevallen! Jij, pseudo-Aesculapius, kunt echter gaan, anders adem ik in jouw richting en dan ben je misschien ook reddeloos verloren ondanks dat je geneesheer wilt zijn en mij graag wilt helpen, maar zoals ik zie niet eens je eigen verschrikkelijke struma kunt verhelpen, en ook niet het hinken van je linker voet! Een dokter moet toch eerst zelf als mens zonder gebreken en kerngezond zijn, wil hij een zieke kunnen helpen! De blakende en algehele gezondheid van de dokter moet de zieke toch een zeker vertrouwen inboezemen, zodat hij geloven kan dat de dokter iets kan; als de dokter er echter als een kreupele bij staat en dan een gezonde wil helpen, is hij immers uitermate belachelijk, en als hij te opdringerig wordt, moet hij meteen weggejaagd worden!'
[7] Toen de dokter deze aanbeveling gehoord had, verliet hij brommend en morrend het huis, maar kwam na een jaar terug, vroeg naar de gezondheid van onze mooie weduwe en begon naar haar mooie hand te dingen.
[8] Toen werd de weduwe ongeduldig en ademde op een afstand van drie passen in de richting van de dokter en zei: 'Ga weg en kom niet dichter bij mij! Als mijn adem je raakt, ben je een kind des doods; nog binnen een jaar zul je verrotten onder de aarde!'
[9] Toen lachte de dokter en hij zoog de uitgeademde lucht met vreugde en gretig naar binnen om de mooie weduwe te tonen hoe weinig hij gaf om haar zogenaamde giftige adem, omdat hij ervan overtuigd was dat daar niets mee aan de hand was. Het mooiste aan het geheel was echter dat de weduwe er zelf niet in het minst in geloofde, maar zich alleen maar van deze bedreiging bediende omdat de mensen dat gerucht verspreidden en zich daarom niemand dicht in haar buurt waagde.
[10] Maar het volk had toch niet helemaal ongelijk. Als onze weduwe zich niet opwond over het een of ander, dan was er niets aan de hand met haar adem; maar zodra zij ook maar enigszins door iets driftig werd, was het bij haar niet uit te houden. Wie dan te veel van haar adem inademde, leefde geen jaar meer en was een kind des doods. Hij teerde op een bepaalde manier weg en alles wat hij daartegen gebruikte, ook al kwam het van een betrouwbare dokter die letterlijk wonderen kon verrichten, was voor niets; met ijzeren hardnekkigheid ging de kwaal verder en de zieke ging er onherroepelijk aan te gronde! En zo verging het ook werkelijk onze Griekse dokter; hij werd weldra ziekelijk en veranderde binnen acht maanden in een miserabel en totaal uitgeteerd lijk, waarbij vergeleken een ongeveer drieduizend jaar oude Egyptische mummie nog heel doorvoed was!
[11] Weldra hoorde onze weduwe daarvan, en men fluisterde haar van verschillende kanten in het oor dat zij voor het gerecht moest komen. De weduwe trok zich dat erg aan; zij begon tenslotte zelf ziekelijk te worden en liet weldra mijn vader halen, die natuurlijk mij, als zijn onontbeerlijke ziener, meenam om door mijn zienersgave iets bij deze merkwaardige vrouw te ontdekken. Wij gingen een beetje voorzichtig het huis van deze vreemde vrouw binnen en vonden haar vermoeid en uitgeput in bed liggen. Haar doofstomme, maar verder werkelijk hemels mooie dochter en een paar andere jonge vrouwen waren bij haar en verzorgden haar.
[12] Wel moet hier opgemerkt worden dat haar eigenaardige adem alleen voor mannen, maar nooit voor vrouwen en meisjes gevaarlijk was. .
[13] Mijn vader zei, toen hij met enigszins ingehouden adem de kamer binnen ging: 'Hier is de bestelde dokter uit Jeruzalem; wat wenst de bekoorlijke weduwe van mij?'
[14] Toen zei de weduwe: 'Wat zal een zieke anders van een dokter verlangen dan dat zij gezond wordt?! Help mij als u kunt!'
[15] Mijn vader zei: 'Sta mij toe dat ik u enige tijd observeer, dan zal ik wel zien of u nog te helpen bent, of niet! ,
[16] De weduwe antwoordde: 'Doe wat u goed.dunkt!'
[17] Toen zei vader in het Romeins tegen mij: Let op of je hier Iets kunt ontdekken; want haar ziekte moet een heel speciale oorzaak hebben! '
[18] Ik spande mij nu meteen in om iets te zien, maar kon aanvankelijk niets ontdekken, dat wil zeggen niets geestelijks en onheilspellends. Maar na ongeveer een uur ontdekte ik een blauwachtige damp die zich boven het bed van de weduwe verspreidde, en vroeg mijn vader of hij daar ook iets van zag. Hij ontkende dat en concludeerde daaruit dat dit al iets buitengewoons was. Ik zette mijn observatie met de grootste opmerkzaamheid voort en ontdekte in deze blauwe nevel weldra een groot aantal ongeveer vingerlange klapper- en ringslangen, die in de blauwe nevel als vissen in het water rondzwommen..Deze beesten kronkelden ontzettend en vormden de ene ring na de andere en blikkerden vreselijk met hun stalen tongen; maar boven de in zekere zin gefixeerde nevelkring bewoog zich geen van de vele beesten. Ik maakte mijn.vader daar meteen op attent en gaf hem als mijn mening te kennen, dat het in leder geval niet erg aan te bevelen was om te dicht bij het bed te komen. Mijn vader deelde meteen mijn mening, maar hij vroeg mij ook of ik niet het een of andere middel te weten kon komen waarmee de weduwe te helpen zou zijn.
«« 154 / 263 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.