De Heer spreekt met de aanvoerder van de Nubiërs.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 4)

«« 181 / 263 »»
[1] De rit verliep vlot en onze kommandant van de wacht bracht de hele karavaan bij ons, terwijl wij allen nog welgemoed aan tafel zaten.
[2] Toen Mijn JARAH de pikzwarte gezichten met de letterlijk bloedrode lippen en zeer witte ogen zag schrok zij behoorlijk en zei: "O Heer, doen deze wezens niemand kwaad? Zij zien er toch wel ontzettend zwart uit! Ik heb al wel Moren gezien, maar zo ontzettend zwart als deze nog geen! Wat een sterk gebit hebben ze! Waarlijk, Heer, als ik niet bij U was, zou ik ontzettend bang worden! Van zo'n zwarte man houden, zou een opgaaf zijn voor een teergevoelig meisjeshart!"
[3] IK zeg: "Het is al goed, Mijn allerliefste dochter, - wees verstandig, Mijn kindje! Wie is er nu bang voor een kleur? Nu doe je toch wel wat kinderachtig, -maar dat geeft niet! Let nu maar goed op alles, want er zullen heel belangrijke zaken behandeld worden!"
[4] JARAH zegt: "Maar daar zal ik vast niet veel van begrijpen, want de Oud-Egyptische taal is mij volkomen duister en een andere taal kennen deze zwarten niet!"
[5] IK zeg: " Alles zal vertaald worden, maak je dus niet druk; spreek niet, maar luister!"
[6] Daarop wordt Jarah stil en Ik Iaat meteen de aanvoerder en ziener bij Mij komen en vraag hem waarom hij en zijn metgezellen de verre reis hierheen gemaakt hebben. Daar wist Ik natuurlijk al1es van, maar Ik moest hem dat toch vragen om hem de gelegenheid te geven iets te zeggen en zijn wensen kenbaar te maken.
[7] Op Mijn vraag, die Ik in de Joodse taal gesteld had, gaf de AANVOERDER ook in onze taal het volgende antwoord: "U, die voor mij de meest naamloze en verhevenste mens van deze aarde bent, vergeef mij, arme, zwakke halfmens, dat ik het waag om schuchter op te merken, dat ik in u dezelfde persoon herken, die ik vier maanden geleden in zeven overeenkomstige visioenen in een onbeschrijfelijk stralend licht heb gezien, en die ik ook bijna tot aan het einde van de wereld zocht, en die ik met een diep bewogen hart nu ook geloof in werkelijkheid te hebben gevonden! Zeer verhevene, zou u mij niet willen vertellen of deze herkenning van mij juist is?"
[8] IK zeg: "Het zou je weinig helpen als Ik ja of nee zou zeggen; je moet het zelf ontdekken! Zoek, dan zal het je wel duidelijk worden! Nu je zo ver bent gekomen, zul je ook wel verder komen; maar je moet het zelf ernstig en vastberaden willen! Iedere les van buitenaf heeft geen zin als zij niet tegelijkertijd van binnenuit wordt verkregen. Kijk, je spreekt nu goed Joods! Kun je je herinneren datje ooit ergens deze taal geleerd hebt? Vraag ook aan je metgezellen, die nu ook deze taal goed verstaan, of zij deze taal ooit hebben geleerd! Ga en overtuig je!"
[9] De aanvoerder stuurt zijn kameel meteen naar zijn metgezellen en spreekt hen in het Joods aan. Allen verstaan hem en geven hem ook antwoord in onze taal. Daardoor raakt de aanvoerder buiten zichzelf van verbazing en het is hem een raadsel hoe hij en al zijn metgezellen de Joodse taal hebben geleerd; want hij weet met dat Ik dat kan bewerkstelligen.
[10] De AANVOERDER komt, nog steeds op zijn kameel zittend, daarna bij Mij terug en zegt: "Verhevenste mens van de aarde! Voor mij, met mijn zwarte huid, is dit iets vreemds, want dit is de eerste reis die ik ooit maakte! Ik ben nooit met talen en eigenschappen van andere landen in aanraking gekomen en mis iedere ervaring, en bij mij thuis gaat het er heel eenvoudig aan toe. Het land is weliswaar goed en mooi, maar ons biedt het niets nieuws. Het is dus mogelijk dat dit land de eigenschap heeft dat een vreemde, zodra hij het land betreedt ook de geest van de taal van het volk in zich opneemt en meteen met de inheemsen net zo kanspreken alsof hij daar zelf geboren is. Of zoiets mogelijk of onmogelijk is, kan ik niet beoordelen; weest U daarom zo vriendelijk mij dat uit te leggen! In mijn land heb ik zoiets immers nooit kunnen onderzoeken omdat daar nog nooit een vreemde is binnengedrongen!"
[11] IK zeg: "Laad eerst jullie kamelen af, breng ze op de wei bij de zee opdat zij hun zeer noodzakelijke rust nemen, om jullie dan gemakkelijker weer naar jullie land te kunnen brengen; want de weg terug is niets korter dan hierheen naar ons! Doe dat en kom dan terug; dan zal meteen duidelijk worden hoeveel licht jullie allen tesamen kunnen verdragen! "
[12] De AANVOERDER buigt en zegt: "Verhevenste mens der mensen! U heeft absoluut gelijk, maar wij kunnen de moed niet opbrengen met onze zeer onheilige voeten deze heilige aarde te betreden; want volgens mijn visioenen moet deze bodem onmetelijk heilig zijn.'
[13] IK zeg: "Als hij voor de voeten van jullie kamelen niet te heilig is, zal hij voor jullie mensenvoeten toch ook wel niet te heilig zijn!"
[14] De AANVOERDER zegt: "Ja waarlijk, waarlijk, waarlijk! O verhevenste mens der mensen van de aarde, u bent buitengewoon goed en zeer wijs!"
[15] Daarop stuurt hij zijn kameel weer naar zijn metgezellen en brengt hun Mijn wens over. Meteen liggen de kamelen op de knieën en hun berijders stijgen af. Dan gaan deze goed afgerichte dieren weer staan en worden naar de wei aan de zee gebracht waar zij beginnen te grazen en zich daarbij behaaglijk goed laten. verzorgen. Tien negers krijgen opdracht om op de kamelen te passen, het overige deel keert echter meteen met de aanvoerder naar Mij terug.
[16] Als zij bij Mij komen, vraag Ik de AANVOERDER eerst naar zijn naam, en hij zegt.: "Mijn naam is gelijk aan wat ik ben; in onze taal luidt hij Ou bratou vishar. Bij ons heeft niemand een naam behalve die van zijn beroep; verder heten wij allemaal Slouvi."
«« 181 / 263 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.