Nood als middel tot opvoeding

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 5)

«« 158 / 276 »»
[1] (DE HEER:) 'Mes wat dus eenmaal bestaat en toegelaten is, moet er zijn als drijfveer voor de mensen om beter te worden. iedere ontwikkeling vereist werkzaamheid en voor werkzaamheid is een beweegreden nodig en een stimulans, die natuurlijk wel altijd geheel moet beantwoorden aan de aard van de werkzaamheid.
[2] Daarom moet alles wat men in strijd met de morele wet acht en wat men daarom ook boos en slecht noemt, slechts als een hefboom gezien worden welke Ik heb toegelaten, en op die wijze is voor de zuivere mens alles zuiver en goed. Voor een zwak en onzuiver mens is dat anders en dat moet ook wel zo zijn, omdat hij nog menige stimulans nodig heeft om tot werkzaamheid aangespoord te worden.
[3] Toen de kinderen van Abraham ten tijde van Mozes, Aäron, Jozua en ook nog tijdens de eerste richteren een zichtbare goddelijke leiding, onbeperkte wijsheid, en bovendien de grootste aardse welvaart genoten, werden ze lui en traag zoals de poliepen en oesters op de zeebodem. Ze werden van Mij uit door de mond van de profeten vaak tot werkzaamheid en waakzaamheid aangespoord en zelfs aangemaand; maar hun antwoord was: 'Als wij iets doen, dan kunnen wij ook een zonde begaan die dan alles wat we goed gedaan hebben teniet doet; maar als we niets doen, kunnen we ook niet zondigen en staan dan vrij van zonde rechtvaardig voor U, o Heer! ' - Door op deze manier te filosoferen, vervielen ze steeds meer in allerlei traagheid. Dit had een groeiende nood tot gevolg en op den duur fysieke en tenslotte ook morele zwakheid.
[4] In zo'n toestand richtten ze zich dan toch weer tot Mij en beloofden Mij werkzaam te zijn in de juiste levensorde. Een tijd lang ging het dan ook weer echt goed en gingen ze goed vooruit; maar als er dan weer als vrucht van hun werkzaamheid een gezegende welvaart ontstond, begon de oude traagheidsdans meteen weer van voren af aan. Men had alles in overvloed en wilde schitteren en wilde een aardse koning hebben als representant van hun fysieke rijkdom en welvaart.
[5] Hun werd een koning gegeven en deze werd gezalfd. Maar ook het verdrag tussen koning en volk had zijn uitwerking, en zo was het euvel dat het volk verlangde en kreeg, wederom niets anders dan een pijnlijke stimulans voor het volk om noodgedwongen opnieuw en in hogere mate werkzaam te zijn.
[6] Toen al gauw daarna de koning en ook het volk in lethargie verviel, was het ook noodzakelijk om haar van buiten zeer dreigend uitziende vijanden, namelijk de ruw en machtig geworden Filistijnen, te bezorgen. Toen drong de oorlog het land van Mijn volk binnen met allerlei daarmee gepaard gaande noodtoestanden; hierdoor werd het wakker geschud, werkzaam gemaakt en daardoor sterk.
[7] In de grote nood en ellende vond het weer de weg naar Mij en nam in nauwelijks voorstelbare mate toe in genade, wijsheid en welvaart. Deze veroorzaakte echter reeds tijdens de regeringsperiode van Salomo een sterke vermindering van de vroegere werkzaamheid en het rijk viel letterlijk uiteen in de tijd van de eerste nakomelingen van Salomo. En zo moest dit volk steeds weer door allerlei ellende en nood belaagd worden om enigszins werkzaam te blijven.
[8] Nu bevindt het zich over het algemeen weer diep onder het niveau van het dierenrijk, vooral de priesters en de leraren. Maar daarom ben Ik Zelf in het vlees gekomen, om juist het traagste deel van het volk in de grootste verlegenheid en verwarring te brengen; zij proberen Mij daarom ook gevangen te nemen en te doden omdat ze bang zijn hun luie boterham te verliezen door Mijn zeer grote activiteit. Maar hun moeite is natuurlijk tevergeefs.
[9] De kiem van algehele traagheid is in hen al te diep geworteld. Daarom moet het traagheidsgevoel eerst van hen weggenomen worden, en ze moeten zich in alle windrichtingen verspreiden en een zwervend bestaan lijden of toetreden tot het nieuwe, door Mij nu gevestigde levens en werkzaamheidsverbond, waarbij niemand zijn handen lui in de schoot zal mogen leggen, als hij wil kunnen leven.
[10] Wie het niet doet, zal honger en dorst lijden en in waardeloze vuile lompen, steunend op een bedelstaf, rond moeten gaan en men zal hem de harde woorden toeroepen: 'Wie niet werkt hoeft ook niet te eten! ' Want iedere arbeider is zijn loon waard.
[11] O, dan zal iedereen wel zijn best doen om zo hard mogelijk te werken! En als iemand dan toch nog traag en lui wordt, dan zal hij, tot voorbeeld voor vele anderen, meteen voor ieder zichtbaar de tuchtroede te dragen krijgen.
[12] En Ik zegje: leder traag en week geworden volk zal, zoals ook ieder mens afzonderlijk, de blijvende tuchtroede op zijn rug te dragen krijgen en zijn naam zal voor altijd verdwijnen uit het boek des levens, en zijn grootheid, macht en aanzien zal verloren gaan! Dat zal de mensen steeds meer dwars gaan zitten en hen aansporen tot allerlei flinke daden, wat goed zal zijn. -Heb je dit nu allemaal goed begrepen?"
«« 158 / 276 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.