Een blik op Saturnus

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 5)

«« 201 / 276 »»
[1] HIRAM zegt: 'Mes zou nu wel heel goed in orde zijn, omdat wij van u, o grote, verheven wijze, nu alles op uw woord geloven. Maar omdat u wel alles mogelijk lijkt te zijn, zou het voor u toch ook niet onmogelijk moeten zijn om ons een nadere blik te laten werpen op zo'n totaal andere aarde, -maar dan ons beiden tegelijk, opdat we daarna de anderen een geldig getuigenis kunnen geven!"
[2] IK zeg: 'O, niets is gemakkelijker dan dat! Maar met jullie lichamelijke ogen alleen zou dat welonmogelijk zijn. Daarom zal Ik de ogen van jullie geest, jullie ziel en jullie lichaam voor een korte tijd verenigen, en jullie allen dan boven aan het firmament een tamelijk grote en matig sterk lichtende ster, -het is juist de zogenoemde planeet Saturnus. Richt nu jullie ogen recht daarop, dan zullen jullie hem snel groter en groter zien worden, en dat net zo lang tot het is alsof jullie je volledig daar bevinden! Dan kunnen jullie elkaar vertellen wat je gezien hebt! Doe dat nu!"
[3] Hier begonnen ze allebei de ster te fixeren en snel wordt hij groter en groter. Ze zien zelfs reeds een gedeelde ring en enkele van zijn manen. Weldra worden de manen zo groot als de aardse maan en ook snel groter; en de planeet zelf staat reeds in ontzagwekkende omvang en majesteit voor hun ogen. Hun luide verwondering begint al alle grenzen te overschrijden; want terwijl ze dit allemaal steeds completer zien, spreken ze met hun mond alles luid uit wat ze zien.
[4] Ze zijn nu vlak bij de eerste maan, die in feite het verst verwijderd is van de planeet, en HIRAM roept luid uit: 'O, dat is een hele grote, maar helaas zeer verlaten aarde! Er zijn daar werkelijk mensen, dieren en planten; maar alles maakt een zeer verkommerde indruk en uit de mensen straalt weinig geest, -ze zijn ook absoluut niet mooi. De dieren zijn ook zeer zwak vertegenwoordigd en zien er heel vreemd uit. De plantenwereld ziet er ook zeer eentonig en sterk verkommerd uit. Neen, daar bevalt het ons al helemaal niet!
[5] Ah, daar komt nog zo'n wereld op ons af. O, die betekent nog minder! Daar een derde, die betekent ook niets, -dat zou een echte wereld voor de wijze Diogenes zijn! Nu, die hebben we wel gezien! Hé, daar is een vierde en die ziet er ook al niets beter uit! Daarom maar weer verder! Daar komt reeds een vijfde, het is allemaal wel op zeer kleine schaal; maar het bewoonde deel ziet er toch wel iets beter uit dan bij de vorige. De kleintjes springen werkelijk als apen vrolijk rond! Van een woning is echter nergens een spoor te bekennen. ook het dierenrijk schijnt hier zeer eenvoudig en zeer spaarzaam vertegenwoordigd te zijn, evenals de lieve plantenwereld! Maar daar komt reeds een zesde en nog kleinere wereld, en daar zelfs een zevende! O, deze zijn ontzettend onooglijk!
[6] Maar nu, o alle bliksems, hagel en donder! Nu komt er een enorme wereld op ons af O, die heeft helemaal geen einde! (n.b.: het is de buitenste ring.) O, die lijkt wel geheel zonder einde in een rechte lijn eeuwig voort te duren! O, daar ziet het er wel heel prachtig uit! Geweldig lange bergreeksen lijken zich eeuwig voort te zetten, en er is een groot aantal meren en rivieren zichtbaar, en mensen en planten vertonen meer gelijkenis met de onze. Maar van een merkbare cultuur lijkt ook daar geen spoor aanwezig te zijn. De mensen, die er zeer vreemd uitzien, lijken geen vrolijkheid te kennen en ze zijn reusachtig groot. Maar er zijn geen huizen en al helemaal geen steden.
[7] Aha, daar komt ons alweer zo'n grote wereld tegemoet, de tweede! Het ziet er net zo uit alsof die ene buitengewoon grote wereld in de andere steekt! Maar verder is er niet veel verschil tussen deze en die vorige grote aarde, -en daar, daar komt alweer een derde, bijna helemaal hetzelfde! Nou, nou, hoeveel werelden steken hier dan in elkaar?! Maar daar lijken de iets kleinere mensen erg spookachtig, en alles is zeer verlaten, - en bijna helemaal geen cultuur! Neen, op deze wereld zouden wij ook niet willen wonen!
[8] En daar komt ons alweer zo'n soort wereldje tegemoet! Wel, nu we vlak in de buurt zijn, ziet het er toch wel heel aanzienlijk uit; maar er is geen schepsel te bekennen! Maar, o alle elementen! Nu komt er ons een aarde tegemoet waar men pas respect voor moet hebben!"
[9] Hier duurde de met alle mogelijke verwonderde uitroepen gepaard gaande beschouwing bijna een half uur, en Ik riep de beiden nu weer in hun natuurlijke toestand terug en liet hen de volle herinnering aan wat ze gezien hadden in hun ziel en zelfs hun hersenen behouden en vroeg hun toen, hoe Saturnus hun bevallen was. * (* Zie: 'Der Satum', Lorber-Verlag, Bietigheim)
«« 201 / 276 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.