Over de noodzaak van de vergankelijkheid van de materie

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 6)

«« 154 / 248 »»
[1] EEN VAN DE JOODSE GRIEKEN zei: 'Maar Heer, nu U toch weer zo bezig bent om ons zulke buitengewoon belangrijke zaken te onthullen, wilt u dan ook zo goed zijn ons te vertellen waarom nu eigenlijk niets stoffelijks voor eeuwig als zodanig kan blijven bestaan! Rotsen verweren, reusachtige bomen die vaak zo'n tweeduizend jaar alle stormen getrotseerd hebben, zoals in ieder geval de oerceders op de Libanon, sterven, vermolmen en er blijft niets van over. Ook meren en zee├źn drogen uit, kortom, men ziet op de hele aarde niets dan een voortdurend ontstaan en vergaan! Alleen aan de sterrenhemel blijft het steeds nog heel aardig bij het oude; want dezelfde sterren die Adam gezien heeft, staan er nog steeds even onveranderlijk en onvergankelijk op dezelfde plaats. Wanneer U echter zegt dat ook zij eenmaal zullen vergaan, kom je natuurlijk tot de uitermate belangrijke vraag: Als die, volgens Uw zeggen ontzettend grote hemellichamen al gedurende zo'n onuitsprekelijk lange reeks aardse jaren bestaan, zouden zij toch net zo goed ook eeuwig kunnen bestaan. Hoe lang geleden zijn zij ontstaan, wie kan die tijd meten en in jaren of zelfs in tienduizenden jaren becijferen? Voor ons menselijk verstand bestaan zij zo goed als eeuwig en kunnen ook net zo goed verder de hele eeuwigheid door blijven bestaan. Waarom moeten zij dan tenslotte toch vergaan?'
[2] IK zei: 'Vriend, dat komt omdat zij eigenlijk niet uit materie bestaan, maar alleen maar uit geest die gericht is. Ik heb jullie toch al bij een andere gelegenheid gezegd, dat al het zichtbaar geschapene niets anders is dan een gedachte van God, vastgehouden door de almachtige wil van God.
[3] Zolang een belangrijke gedachte van God door Zijn wil wordt vastgehouden, zolang verschijnt deze ook als iets wat bestaat, en is daardoor in zekere zin afgescheiden van de talloos vele andere gedachten opdat hij zich consolideert en voor altijd een zelfstandig ik wordt. Waarom zou de gedachte van God als hij deze taak heeft volbracht en zich naar alle kanten vrij en zelfstandig heeft gemaakt, dan nog langer door de macht van de goddelijke wil vastgehouden en volledig van alle andere belangrijke gedachten van God gescheiden worden gehouden?
[4] Waarom zou een mens, zodra hij de innerlijke, geestelijke levensrijpheid volledig bereikt heeft -waarvoor hij een stoffelijk lichaam nodig had -, dan nog verder en langer en ook steeds moeizamer dat lichaam moeten rondslepen? Zal iemand, die een huis helemaal heeft afgebouwd zodat het volledig bewoonbaar is, de bouwstellingen om het voltooide huis laten staan?! Of laatje vlees, datje in een pan flink gaar gekookt en eetbaar gemaakt hebt, zo in de pan staan? Zeker niet,je zult het met het kookvocht uit de pan halen en de lege pan wegzetten! Kijk, daarom heeft alles zijn tijd op deze wereld!
[5] Stel dat je in het voorjaar een boom ziet die helemaal in knop staat. Zeg je dan soms ook: 'Wat heb je aan die vergankelijke knoppen?' De knoppen zwellen, ontvouwen zich steeds meer, en er komen bladeren en mooie, lieflijke, geurende bloemen te voorschijn. je bewondert ze, omdat ze je erg bevallen. Maar al gauw beginnen zij te verwelken en vallen af. Dan vraagje weer boos: 'Waarom wordt die prachtige, verheven schoonheid van de boom nu bedorven?' ja, je hebt gelijk, bloeiende bomen zouden altijd heel lieflijk zijn om te zien; maar van zien alleen wordt geen mens verzadigd, en daarom moet dus de bloesem, die dient om de vruchtkiem levend te maken, na haar volbrachte dienst weer weggenomen worden, opdat vervolgens de echte vrucht zich vrij, zelfstandig kan ontwikkelen. En je ziet daarna al gauw een heleboel zoete vruchten aan de takken van de boom, die je erg bevallen. Wel, moeten die vruchten soms ook eeuwig aan de boom blijven hangen?'
[6] Toen zei DE JOODSE GRIEK, die burger van Jeruzalem was: 'Dat, o Heer, besef ik allemaal best. Het een komt uit het ander voort, en dat gaat zeker zo ver en zo lang door tot via de vele ontwikkelingen een bepaald hoofddoel is bereikt. Maar waarom moet dan de boom, die vaak gedurende vele jaren goede vruchten voor de mensen heeft gedragen, uiteindelijk sterven, verrotten en volledig te gronde gaan? Hij verrichte immers goede dienst, maar moet toch plaats maken voor een andere!'
[7] IK zei: 'Kijk, alle materie is een tijdelijk vat om een bepaalde mate van het geestelijk levenselement in op te nemen! Ieder jaar ontwikkelt zich daarvan een bepaald deel, maakt zich vrij en gaat in een hogere levenssfeer over. Na een groter of vaak ook geringer aantal aardse jaren is echter de laatste vonk van het levenselement uit de reeds harde en onbruikbaar geworden boom verdwenen en in een hogere levenspotentie overgegaan, en de boom bezit dan geen leven meer.
[8] Moet je dan nieuwe levenselementen in de oude, harde, onbruikbaar geworden boom brengen om door de reeds te grof geworden materie van de boom bedorven te worden, zoals zelfs ook de beste wijn bedorven wordt als men zo dom is om die in een oud onrein vat te gieten? Is het dan niet verstandiger om nieuwe wijn in nieuwe, schone vaten te doen en de oude weg te werpen, vooral als men een onuitputtelijk aantal nieuwe vaten heeft? -Wat denk jij daarvan?'
[9] DE JOODSE GRIEK zei: 'Heer, ik geef me gewonnen! U alleen bezit de hoogste wijsheid en weet alles van de hele schepping, en U alleen heeft daarom ook in alle dingen volledig gelijk. Wij kunnen U slechts vragen stellen en alles wat U ons zegt, gelovig aanvaarden. Alles is zoals U, o Heer , het ons genadig uitlegt. Dat is echter tevens het grootste en overtuigendste bewijs voor het feit dat juist U in Uw geest alles wat er ook maar in de hele oneindigheid is, van eeuwigheid zo geordend en geschapen heeft.
[10] Uw leerling Johannes heeft in zijn inleiding over wat U gezegd heeft, van U het meest juiste en waarachtigste getuigenis gegeven, door te zeggen: 'In den beginne was het Woord, het Woord was bij God, en God was het Woord. Het Woord is vlees geworden en woonde onder ons. Hij kwam tot de Zijnen en zij hebben Hem niet herkend. ,
[11] Kijk, Heer, zo is het ook! U kwam naar ons, mensen, en hoe weinigen hebben U herkend, en hoe velen herkennen U ondanks alle grote tekenen en meest wijze lessen ook nu. nog niet! Het is toch wel merkwaardig, hoe verschrikkelijk dom en verblind de mensen zijn!'
[12] IK zei: 'Het is nu eenmaal zo, en je kunt er toch niets tegen doen; want de vrije wil mogen wij hun niet ontnemen, omdat zij dan zouden ophouden mensen te zijn. Hun nog meer tekenen geven, zou vergeefse moeite zijn; want WIJ zouden daarmee niets anders bereiken dan alleen dat, wat Ik jullie al duidelijk uiteengezet heb toen jullie meenden dat Ik ook hier hetzelfde als aan de Eufraat moest doen.
[13] Wij hebben voor dit volk alleen maar woorden; wiens ogen daardoor niet geopend worden, diens ogen gaan ook niet open door tekenen. Maar zij zullen nog wel tekenen te zien krijgen, -echter niet voor hun behoud, maar voor hun zekere ondergang.
[14] Ik zeg jullie: Het laatste teken dat hier in Jeruzalem gedaan wordt, zal vrijwel gelijk zijn aan dat van de profeet Jona voor Ninive, toen hij drie dagen in de buik van een grote vis doorbracht. En vanwege dit teken zal dan het grote gericht over hen losbarsten, dat deze bedrijvers van alles wat slecht is verzwelgen zal, zoals een vurige draak zijn ellendige prooi. -Maar nu houden we er over op en gaan nog wat naar buiten, voor de zon ondergaat!'
[15] Daar waren allen het mee eens, en wij stonden op van tafel en klommen onze heuvel weer op van waaruit men ook een deel van Jeruzalem kon overzien.
«« 154 / 248 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.