Aankomst in Nazareth

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 7)

«« 224 / 229 »»
[1] (De Heer): 'Daarmee was ook Jozef het eens en wij gingen toen rusten en reisden de volgende morgen, door Cyrenius en enkele dienaren van hem begeleid, naar de woning van onze Griek; want Cyrenius wilde zich overtuigen van Mijn wonderbaarlijke bouwwerk bij de Griek.
[2] In een paar uur waren wij ter plaatse en zagen al van verre het geheel nieuwe woonhuis en de eveneens nieuwe en grote varkensstal. Aan de verbazing van de Griek en Cyrenius kwam geen einde en ook de mensen uit het huis van de Griek waren hoogst verbaasd en wisten niet hoe dat 's nachts gebeurd kon zijn.
[3] Maar ik gebood allen het niet te verraden voordat er tien jaren voorbij waren.
[4] Allen beloofden dat ten stelligste.
[5] Toen overhandigde Cyrenius aan Jozef dertig pond goud en de Griek overhandigde hem honderd pond zilver .
[6] Jozef nam het aan ter ondersteuning van de armen, van wie er altijd velen grote barmhartigheid bij hem vonden.
[7] Daarop vertrokken we en kwamen de volgende dag tamelijk vroeg weer in Nazareth aan. We hadden weliswaar diezelfde dag nog tot Nazareth kunnen komen, omdat de Griek ons met zijn goede lastdieren naar huis liet brengen; maar Ik wilde dat niet, omdat Ik daar een goede reden voor had. Webleven daarom weer in die herberg waar we op de heenreis varkensvlees hadden gegeten.
[8] Toen we de volgende dag 's ochtends in Nazareth aankwamen, vroegen allen onmiddellijk hoe het ons was vergaan, wat we hadden gedaan en of er voor ons bij een heiden ook een flinke verdienste aan had gezeten.
[9] Maria dacht dat het loon voor anderhalve dag werk nu niet bepaald groot uitgevallen zou zijn.
[10] Maar Jozef zei: 'Wees allen rustig en zwijg tegenover al het volk hier en ook elders; want het volk is vol afgunst over het geluk van zijn naaste! Ik zal daarom mijn hart voor de waarachtig armen nooit sluiten en de naam die ik al sinds lang bij iedereen heb, moet blijven zoals hij is: Wie nergens meer hulp kan vinden, wordt altijd nog geholpen door de oude, arme Jozef met het weinige dat hij zelf eerlijk en door hard te werken verdient. Maar zeg daar vooral niets van tegen het volk - en al helemaal niet tegen de priesters! Maar des te meer zal hier nu gelden: De oude jozef helpt de armen nog steeds meer!'
[11] Toen alle aanwezigen deze woorden van Jozef hadden gehoord, namen ze die ter harte en Maria, uit wie Mijn lichaam was geboren, zei daarop: 'O jozef, jouw woorden zijn goed en waar en zullen door ons worden nagevolgd alsof ze een gebod van God zijn; maar jullie drie├źn kunnen ons toch wel meedelen wat jullie in die korte tijd bij die heiden voor een wonderbaarlijk werk hebben uitgevoerd, dat jullie daar zoveel goud en zilver voor hebben gekregen!'
[12] Jozef zei: 'Lieve moeder, ik heb je toch gezegd dat God deze keer op wonderbaarlijke wijze met ons was! Maar wat er zich precies allemaal heeft afgespeeld, zullen jullie als het uitkomt nog wel op het juiste moment te weten komen. Maar zorg nu dat we iets te eten en te drinken krijgen; want we hebben vandaag nog niets genuttigd, terwijl we toch al in de vroege ochtendschemering op weg waren!'
[13] Nu ging Maria snel met haar helpsters naar de keuken om meteen aan het werk te gaan voor een goed ochtendmaal. En Jozefborg intussen het vele geld veilig op .
[14] Toen het maal was toebereid en wij aan tafel hadden plaats genomen om het te nuttigen, kwam er een oude rabbi uit de stad om te informeren waar wij geweest waren, wat voor werk wij hadden gedaan en hoeveel we verdiend hadden. De hebzuchtige rabbi wilde dat weten omdat hij recht had op een offerpenning van onze verdienste, een dom gebruik dat in heel Galilea van kracht is.
[15] Dat ergerde Jozef en hij zei: 'Je kent me genoeg om te weten dat ik mijn plicht nog altijd trouw ben nagekomen en dat zal ik ook deze keer doen; maar het maakt me werkelijk boos dat je uit hebzucht niet thuis kunt wachten tot ik, zoals altijd, zelf naar je toe ben gekomen. Wie heeft je eigenlijk verteld dat ik met Jezus en Jacobus weg was voor een opdracht?'
[16] De rabbi zei: 'Je was nog maar nauwelijks vertrokken, of ik kwam je een vriendschappelijk bezoek brengen, zoals ik dat al sinds lang doe; toen werd me verteld dat jij met je twee zoons een heel eind weg was voor een opdracht, en dat je na drie dagen weer thuis zou komen, omdat het werk niet al te groot was. Wel, zo ben ik dan nu ook gekomen om je weer te zien en me door jou te laten vertellen hoe het er overal aan toe gaat en wat voor nieuws en bijzondere dingen je daarover hebt te vertellen! Want als je amper anderhalve dag hebt gewerkt, zul je wel niet zoveel verdiend hebben, dat er een offerpenning van betaald moet worden die een beetje de moeite waard is. En als je daar toch iets van aan de synagoge wilt laten toekomen, hoef je ons immers geen contant geld te betalen, omdat wij nog steeds geld aan jou verschuldigd zijn voor je laatste werk! Dus, oude vriend, hoef je helemaal niet boos op me te worden omdat ik je vandaag vroeger dan gewoonlijk heb bezocht!'
[17] Jozef zei: 'Dat is het werkelijk niet waarom ik op jou of iemand anders boos ben; maar alleen omdat je me anders niet gauw bezoekt, tenzij je aan de weet bent gekomen dat ik weg ging voor een opdracht of er weer van thuis kwam. Maar voor het werk dat ik voor jullie heb gedaan zijn jullie me een aardig bedragje schuldig en in ruil voor de offerpenningen die ik jullie iedere keer moet betalen, zouden jullie mij het liefst zo gauw mogelijk niets meer schuldig zijn; daarom informeren jullie ook zo ijverig wat ik voor werk had en hoeveel ik verdiend heb. En als ik nu wellicht een hele maand lang geen werk buitens huis zal hebben, zul je zeker geen enkele keer naar mij toe komen!
[18] O, geloof me, ik weet altijd precies wat ik van mijn vrienden moet denken! Maar dat geeft niets, want daarom zal ik toch nooit arglistig zijn tegenover een van mijn vrienden. En daarom zeg ik je ook deze keer dat ik met dit werk precies zoveel heb verdiend dat de offerpenningen, die ik jullie daarvan moet betalen, net zoveel zijn als hetgeen jullie mij schuldig zijn volgens mijn altijd zeer schappelijke rekening; en daarom kun je thuis de hele schuld schrappen!'
[19] Toen de rabbi dat vernomen, had keek hij heel vrolijk en zei: 'O, dat is goed! Als overste van de synagoge is me nu een zware steen van het hart gevallen! Er is nu weer een heel groot werk op komst en ik zal je er vandaag nog nadere mededelingen over doen. Maar nu wil ik je geen ogenblik langer meer storen!'
[20] Daarop stond de rabbi ook onmiddellijk op en ging snel weer naar de stad terug.'
«« 224 / 229 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.