Agricola verhoort een tempeloverste

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 7)

«« 7 / 229 »»
[1] Ik had dat nog maar net gezegd of er kwam al een grote groep mensen aan, die de ongelukkige meedogenloos in haar midden voortsleepte.
[2] En Ik zei tegen Agricola: 'Nu gaan wij beiden deze gerechtsdienaren tegemoet, die door een tempeloverste aangevoerd worden!'
[3] Wij troffen henjuist nog bij het verlaten van de grote poort en Ik legde de Romein de woorden in de mond, die hij moest spreken en hij zei met de machtige, diep ernstige stem en gelaatsuitdrukking van een Romein: 'Wat is hier aan de hand?'
[4] De overste zei: 'Wij hebben zowel het oude recht van Mozes als het 'jus gladii' en kunnen dat bij een erg grote misdadiger ook op eigen gezag ten uitvoer brengen!'
[5] De Romein zei: 'Maar ik ben nu als voornaamste keizerlijke gezant lilt Rome hierheen gekomen om het vele misbruik te onderzoeken dat jullie maken van de privileges die jullie door Rome geschonken zijn! Waar is het vonnis van de wereldse rechter?'
[6] Deze vraag kwam de tempeloverste zeer ongelegen en hij zei: 'Laat me eerst maar eens zien of je werkelijk een afgezant uit Rome bent, want - iemand kan zich gemakkelijk als Romein verkleden en ons in naam van de keizer nieuwe wetten voorschrijven!'
[7] Toen haalde Agricola uit een gouden koker een perkamentrol tevoorschijn die van alle officiële kentekenen was voorzien, die de overste er geen ogenblik over in twijfel lieten dat de bezitter van dat document een machtige, voorname Romein was.
[8] Vervolgens zei Agricola ernstig: 'Wel, ik heb je het verlangde document op je wens meteen laten zien; waar heb jij nu het door mij verlangde vonnis van de wereldse rechter over deze misdadiger?'
[9] De overste zei: 'Ik heb je toch daarnet al gezegd dat de tempel op gezag van Mozes het oude recht heeft een erge misdadiger tegen de tempel met de dood te straffen en dit recht is nu ook van Rome uit gesanctioneerd en dus handelt de tempel juist, door als afschrikwekkend voorbeeld zo'n misdadiger tegen God en Zijn tempel te bestraffen met de dood door steniging, die Mozes heeft voorgeschreven!'
[10] Agricola zei steeds ernstiger: 'Stond deze tempel er ook al in de tijd van Mozes?'
[11] De overste zei: 'Dat niet bepaald, maar Mozes was een profeet en in zijn geest wist hij beslist dat Salomo, de wijze, grote koning, voor God een tempel zou bouwen en daarom is een misdaad tegen de tempel en de zeer geheiligde instellingen evenzeer strafbaar als een misdaad tegen God Zelf.'
[12] Agricola zei: 'Waarom heeft Mozes later dan zelf voor dergelijke gevallen eigen rechters aangesteld en gaf hij die jurisdictie niet in handen van de priesters? Hoe zijn jullie dan nu ook rechters over leven en dood van een mens geworden? Mozes heeft jullie alleen maar priesters gemaakt en Rome heeft nu, omdat men zich ten tijde van jullie koning Saul zelf dat recht heeft genomen, jullie allen ook een wereldlijke rechterfunctie gegeven onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat alle misdadigers, en vooral degenen die de dood hebben verdiend, altijd moeten worden overgedragen aan de plaatselijke, wereldlijke rechter en dat geen enkele priester zich er dan verder over heeft te bekommeren wat de rechtbank over de misdadiger beslist. Het komt jullie dus nooit toe ooit iemand te berechten en te veroordelen en uiteindelijk zelfs de hand aan hem te slaan!
[13] Laat daarom nu deze misdadiger ogenblikkelijk vrij! Ikzelf zal hem dan verhoren en aan de hand daarvan beoordelen of zijn misdaad de dood verdient of niet; en wee jullie als ik een onrechtvaardigheid van jullie kant tegen deze man vind!'
[14] Na deze scherpe bedreiging lieten de gerechtsdienaren en knechten van de tempel de misdadiger vrij en brachten hem voor Agricola.
[15] En de overste zei: 'Hier is de booswicht! Onderzoek hem zelf. Ik en al deze knechten zijn hopelijk getuigen genoeg en kunnen tegen zijn hardnekkig ontkennen optreden!'
[16] Agricola zei: 'Heel goed, maar ik heb hier juist een zeer betrouwbare getuige naast mij en verklaar jullie hiermee van te voren dat ik iedere leugen, zowel van de kant van deze misdadiger alsook van jullie kant heel streng zal bestraffen! Maar nog strenger zal ik tegen hen optreden die over deze arme man eventueel een boosaardig en dus zeer strafbaar oordeel hebben geveld!'
[17] Na deze bepaald niet vriendelijke woorden van de Romein overviel de overste en zijn knechten een grote angst en de overste maakte aanstalten om weg te gaan, en ook de knechten zeiden: 'Wat moeten wij daarbij? Wij hebben geen wil, maar wij moeten zelfde wil van de tempel volgen. De overste moet deze zaak met u, hoge gebieder, zelfmaar uitzoeken en afhandelen! Als er een misdadiger bestraft moet worden, zijn wij de fysieke voltrekkers van het oordeel; waarom iemand eigenlijk veroordeeld is, daarvan weten wij zelf niets anders en niets meer, dan wat ons door de rechters altijd slechts in 't kort is meegedeeld. Hoe zouden wij dan nu tegen of voor deze misdadiger kunnen getuigen? Hoge gebieder, laat ons daarom gaan!'
[18] Daarop zei Agricola: 'Dat gaat hier beslist niet op en jullie blijven hier vanwege de overste, zoals ook hij hier moet blijven tot ik de misdadiger verhoord heb!'
«« 7 / 229 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.