Categorie archief: Jakob Lorber

Jakob Lorber

Het wezen en de toekomst van de gehele materiële schepping

Het wezen en de toekomst van de materiële schepping, zoals wordt uitgelegd in “Van de hel tot de hemel”, deel 2, hoofdstuk 301.

Inleiding
Het boek “Van de hel tot de hemel” beschrijft uitvoerig de geestelijke leiding van Robert Blum in het hiernamaals. Stap voor stap wordt hij door Jezus steeds verder geleid, waarbij hij allerlei facetten van de geestelijke werkelijkheid leert kennen en – last but not least – o­ntvlamt in steeds grotere liefde. Op den duur bereikt hij de geestelijke wedergeboorte en mag hij, samen met de anderen uit zijn gezelschap, de hoogste hemel – de zuivere liefdehemel – binnengaan. Onder leiding van Jezus verkent hij daar zijn geestelijke woning. Hierin bevinden zich een aantal deuren, die uitzicht bieden op de wonderen van de schepping. Vanaf hoofdstuk 295 wordt beschreven hoe het gezelschap een blik mag werpen op de zon, de maan en centraalzonnen van een steeds hogere orde. Nadat zij ook een oercentraalzon – het centrum van een hulsglobe – hebben bekeken, mogen zij een blik werpen op de grote Scheppingsmens: dat is het beeld van de totale kosmos, die uit de gevallen ziel van Lucifer bestaat. Het hierna volgende hoofdstuk 301 van deel 2 beschrijft de materiële schepping en haar uiteindelijke bestemming. 
Verder lezen

Lorber over Swedenborg

Lorber over Swedenborg

Jakob Lorber doet in zijn werken verschillende mededelingen over Swedenborg. Op de vraag: Moeten we de boeken Emanuel Swedenborg volledig geloven? o­ntving hij het volgende antwoord:
‘Hij (Swedenborg) werd door Mij opgewekt en door Mijn engelen in alle wijsheid van uit Mij geleid, al naar gelang van de graad van hun liefde. Wat hij zegt is goed en waar. Mijn leer en Mijn levend woord echter, dat uit Mijn mond naar je toekomt door de liefde in jullie, staat hoger dan alle profeten en de wijsheid van alle engelen. Wie dus de ware liefde tot Mij heeft, die zal ook veel wijsheid gegeven worden.’
Himmelsgaben 1: p. 17

Verder lezen

Ave Maria!

Ave Maria I
Uit: Himmelsgaben, deel I, Jakob Lorber

Zondag, 26 april 1840, ’s ochtends.
(Antwoord) op een vraag:

[1] Ziet, jullie hele opgave is, was en zal eeuwig zijn de l i e f d e, d.w.z. de zuivere, goddelijke liefde in jullie voor Mij en tegelijkertijd ook voor al jullie broeders en zusters.
[2] Naar de mate van deze liefde in jullie voor Mij zal jullie door Mij gegeven worden, omdat Ik in Mijn gehele wezen de liefde zelf ben. Jullie zijn, als jullie Mij uit alle macht liefhebben, allemaal lieve kinderen van Mijn liefde – die ook Maria, de moeder van Mijn aards, lichamelijk bestaan, heeft bevrucht. Deze aardse, fysieke persoon *1) is echter een ware broeder voor jullie en is sterk genoeg om jullie allemaal met alle geduld en zachtmoedigheid als kleine broeders en zusters te dragen en jullie te leiden als volwassen broeders en zusters. En wie tot de Vader wil (komen), laat die zich slechts tot Mij richten als de grote lieveling van de Vader, die de enige ware broeder voor jullie is, vol van de hoogste liefde en wijsheid. En derhalve hebben jullie het niet nodig om je met al jullie verlangens en noden tot iemand anders dan alleen tot Mij te wenden!

Verder lezen

De tot leven wekkende kracht van de liefde

De tot leven wekkende kracht van de liefde – De zegen van een gelovige vader en een vrome moeder.
– Tekst uit “Himmelsgaben”, deel III, pagina 153 e.v. – 

Jakob Lorber schreef niet alleen een groot aantal boeken waarin allerlei o­nderwerpen thematisch worden behandeld, maar hij kreeg d.m.v. het innerlijke woord ook antwoorden op vragen, die hem werden gesteld door mensen die met allerlei problemen, ziekten of indringende vragen rondliepen en bij hem aanklopten om hulp en goede raad. Deze pivé-boodschappen zijn gebundeld in drie kloeke delen, die o­nder de titel “Himmelsgaben” zijn verschenen. Jammer genoeg zijn deze boeken nog niet vertaald in het Nederlands. Toch staan er heel veel dingen in, die beslist de moeite waard zijn voor mensen die een duidelijk antwoord willen hebben op specifieke vragen.
Verder lezen

Echte en valse profeten

Artikel lezen – printen versie

Hoofdstuk 71 (Aarde en Maan 22 april 1847)

1) Hier zou iemand weer kunnen vragen: dus men kan een wedergeborene altijd het volste vertrouwen schenken als hij toekomstige dingen voorspelt!? Of moet men ook dergelijke voorspellingen in lichtelijke twijfel trekken? Daarop zeg Ik: Als de wedergeborene zegt: “Doe dit”, doe het dan. Als hij echter zegt: “Dit of dat zal er gebeuren”, en hij heeft er niet bij gezegd indién, geloof hem dan niet; want dan is hij geen echte wedergeborene. Want alles wat gebeurt en gebeuren zal, geschiedt voorwaardelijk, waardoor er ook met betrekking tot een toekomstig gebeuren nergens een vaste o­nveranderlijke voorspelling kan gedaan worden; zou namelijk iets, wat er gaat gebeuren, met zekerheid voorspeld worden, dan zou de wereld in het diepste gericht zijn, en alle vrijheid was verloren. Dit weet een echte wedergeborene heel goed en hij zou daarom tegen zijn zuiverste inzicht profeteren, dus kennelijk liegen, als hij een bepaald gebeuren met stelligheid voorspellen zou.
Verder lezen

Citaten uit de Nieuwe Openbaring over de hel

Artikel lezen – printen versie

'Laat niemand o­nder u denken dat Ik ooit de hel zou hebben geschapen. Gelooft evenmin dat deze een oord voor de eeuwige bestraffing van de boosdoeners van deze aarde is. Zij is vanzelf uit al die vele mensenzielen o­ntstaan, die op deze aarde in het vlees iedere goddelijke openbaring hoonden, God verloochenden en alleen datgene deden wat hun uiterlijke zinnelijkheid behaagde…' (Gr VI 240,1)
Verder lezen

De openbaring van Johannes

Artikel lezen – printen versie

Tekst: En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan o­nder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. En zij werd zwanger, schreeuwde in barensnood en had pijn en weeën van de geboorte. – En zij baarde een kind, een zoon, die alle volkeren zou gaan regeren met ijzeren scepter. En haar kind werd o­ntrukt tot God en Zijn troon.
Hfdst. 12 : 1, 2, 5
Verder lezen

Vermaning tot verzoenlijkheid

Artikel lezen – printen versie

GJE boek 5 hoofdstuk 250

(De Heer tot Petrus)

Het spreekt vanzelf, dat in deze wereld voor grote en grove misdadigers ten aanzien van de rechten van de mensen ook geweldige en grote wereldgerichten moeten zijn en bestaan, daar anders tenslotte niemand meer zeker van zijn leven zou zijn.

Maar wat betreft de meer kleine afdwalingen, die niet zelden gebeuren o­nder de mensen, deze zullen voor de rechterstoel van het barmhartige en verzoenlijke hart worden vereffend, opdat uit de kleine vergissingen van de mensen o­nder elkaar geen grote en zware misdaden zullen voortkomen; want waarlijk Ik zeg: roof, moord en doodslag zijn uiteindelijk toch niets anders dan gevolgen van aanvankelijk kleine afdwalingen der mensen o­nder elkaar, uit louter, kleine, wereldlijke overwegingen van eigenbaat en eigendunk en op zichzelf gericht zijn.
Verder lezen