De religie van de Saturnusmensen – uit “Saturnus” van Jakob Lorber

Hoofdstuk 42 uit “Saturnus” van Jakob Lorber

De innerlijk-geestelijke religie van de Saturnusmensen. Betekenis van het getal zeven. Zondagsviering. Doop van de pas geborenen. Tempelmaal. Prediking van de oudsten, die wordt verduidelijkt door geestelijk schouwen. Wijsheid van de Saturnusmensen.

1. Wat de religie betreft: deze heeft heel weinig uiterlijke, ceremoniële kenmerken, maar zij is des te meer innerlijk en geestelijk.
2. Het ceremoniële deel bestaat, zoals jullie al weten, uit een goedgeordende, levendige tempel, waarin de Grote Geest bij alle belangrijke aangelegenheden wordt gedankt en er vragen aan Hem worden gesteld.



3. Voor het overige gelden ook bij de Saturnusbewoners de getallen zeven, eenentwintig en verder bijna alle getallen, die in hun geheel deelbaar zijn door zeven, als heilige getallen. Zo wordt ook daar een periode van zeven dagen afgesloten met de zevende dag, die daarom bij hen een feestdag is.
4.  De viering van deze feestdag wordt gevormd door het tweede ceremoniële gedeelte (van de religie van de Saturnusbewoners): dan vindt ook al het religieuze ceremoniëel van deze feestdag plaats.
5.  De ceremonie van de eerste soort is jullie al bekend (dat is in een vorig hoofdstuk beschreven). Het ceremoniëel van de feestdag bestaat er echter uit, dat bijna alle leden van een familie ’s morgens vroeg nog vòòr zonsopgang naar de tempel gaan; voorop lopen de mannen en achter hen de vrouwen. In de tempel stellen de mannen zich aan de rechterkant op en de vrouwen aan de linkerkant. Ter plaatse wordt, o­nder voorbede van de oudste, de Grote Geest tot zonsopkomst dank betuigd; men dankt Hem voor alle o­ntvangen weldaden. Dit gebeurt altijd met de grootste o­ntroering.
6. Als de zon opkomt, verlaat iedereen de tempel en verheugt zich daar bij het zien van het aanbreken van de dag en de uitgestrekte, zeer fraaie landschappen van dit hemellichaam. Als de zon dan al behoorlijk hoog boven de horizon staat, gaat men weer de tempel binnen en dankt men de Grote Geest voor het geschenk van de nieuwe dag.
7. Als iemand een pasgeboren kind heeft, moet hij het naar het erf van het heiligdom brengen. Daar legt de oudste het kind de handen op en spreekt hem toe met de volgende woorden:
8. “Jij kwam als een zwakke en in al jouw krachten beperkte gast naar deze wereld, volgens de wil van de Grote Geest, die heilig is, meer dan heilig, wiens macht en kracht hun weerga niet kennen en die buitengewoon trouw en standvastig is in al zijn woorden en in al zijn beloften; hij is de enige, volmaakte en allerhoogste Heer over alle dingen die deze aarde en het hele o­neindige firmament vervullen. Daarom is het zijn wil, zoals Hijzelf heilig en meer dan heilig is, dat ook jij tot aan jouw einde op deze wereld zult leven op een manier die volkomen overeenstemt met de wil van diegene, door wie jij in deze wereld gekomen bent, om haar dan als een man (of, bij een meisje: als een trouwe echtgenote) in alle waarachtige waardigheid en verhevenheid van de volmaakte deugd te verlaten.
9. Daarom zegen ik jou hier in het heiligdom in de naam van de Grote Geest, die jou, jouw ouders en mij geschapen en gezegend heeft. Moge jij opgroeien in deze zegen en hem in jouzelf vermeerderen door de meest nauwgezette naleving van de allerheiligste en allerhoogste wil. Moge dit altijd, overal en eeuwig geschieden!
10. Jij bent nu nog maar klein; blijf echter ook voortdurend klein tegenover de Grote Geest, tegenover o­ns, jouw familie-oudsten en broeders en tegenover jezelf. Moge ook dat altijd in dit leven en in het hiernamaals geschieden! Amen.“
11. Na deze woorden ademt de oudste het kind aan en laat het door zijn ouders zegenen en vervolgens naar huis dragen. Deze ouders zijn op zo’n feestdag niet meer verplicht om naar de tempel terug te keren, maar mogen thuis hun pas gezegend kind verzorgen. Als ze echter desondanks in de tempel willen blijven, dan mogen zij dat ook doen.
12. Als er géén pasgeboren kind is, begeeft men zich, bij het o­ntbreken van deze kinderzegening, meteen naar de tempel voor het morgenmaal, waarvan de Saturnusbewoners, evenals het middag- en het avondmaal, in alle vroegte, als zij zich naar de tempel begeven, een gepaste en behoorlijke hoeveelheid meenemen. Het spreekt vanzelf dat daarbij altijd vóór en na het eten de Grote Geest wordt gedankt.
13. Na het morgenmaal loopt de oudste het jullie al bekende preekaltaar op en houdt daar een toespraak tot de niet al te grote groep familieleden, die in de bergen bijna nooit het aantal van honderd overschrijdt – in de dalen (van het Saturnusoppervlak) zijn er vaak duizenden bijeen.
14. Wat houdt de redenaar zijn toehoorders nu voor? – Kijk, hij zit nooit om een woord verlegen, maar zijn geest, die hem bij zulke en bij andere gelegenheden altijd terzijde staat, legt hem de woorden die hij moet spreken in de mond.
15. Gewoonlijk gaan deze toespraken over de wonderbaarlijke leiding van de Grote Geest, en wel over de manier waarop deze het menselijk geslacht vanaf het oerbegin op dit hemellichaam heeft geplaatst en tot op dit moment volgens zijn meest wijze, heilige wil heeft geleid. Bij die gelegenheid vertelt de oudste vaak één of ander verhaal uit de voortijd. Vaak legt hij hen uit hoe hun wereld is opgebouwd; menigmaal verklaart hij de structuur van de ring of van de manen. Een andere keer heeft hij het over deze of gene ster of planeet en vertelt hij zijn toehoorders over de manieren waarop de almachtige Grote Geest daar leiding geeft, waarbij hij ook af en toe deze aarde noemt.
16. Als er echter over deze aarde wordt gesproken, vallen alle toehoorders ogenblikkelijk op hun aangezicht. Dit doen zij echter niet uit o­ntzag voor deze planeet, maar omdat zij iets over de o­neindige liefde van de Grote Geest horen. Want de liefde van de Grote Geest én het feit dat Hij door de bewoners van deze aarde ‘Vader’ wordt genoemd en als zodanig wordt aangeroepen, is voor de Saturnusbewoners zó o­nnoemelijk heilig, dat zij daarop altijd in een deemoedige schroom vervallen, vooral wanneer de oudste daarbij de o­ndankbaarheid van de bewoners van deze planeet in herinnering roept.
17. Bij een andere gelegenheid geeft hij hen een uitleg over de geestelijke wereld en het leven in de hemelen.
18. Na zo’n preek brengt hij – vooral als de oudste spreekt over de opbouw van hun wereld, de ring, de manen en andere planeten – zijn toehoorders (soms wat meer en soms wat minder) in een staat van innerlijk schouwen, waardoor zij dit allemaal zó kunnen zien alsof zij overal in levende lijve aanwezig waren.
19. Daardoor komt het dat de Saturnusbewoners, vooral de bewoners van de bergen, buitengewoon wijze en met veel kennis begiftigde mensen zijn. Ja, zelfs één van jullie grootste geleerden zou het nog Spaans benauwd krijgen als hij een wetenschappelijke tweestrijd met één van de geringste Saturnusmensen zou willen aangaan.
20. Zij kennen niet alleen hun eigen hemellichamen (van het Saturnussyteem), voorzover het voor hen noodzakelijk en nuttig is, heel goed tot in de kleinste bijzonderheden, maar ook andere hemellichamen kennen zij beter dan jullie de eilanden van de zee op jullie aarde. De Saturnusbewoners zijn niet alleen op de hoogte van de geschiedenis van hun eigen wereld, maar ook van de geschiedenis van verscheidene andere werelden.
21. Zo is hun geen taal o­nbekend, om welke reden zij ook de geesten, van welk hemellichaam zij ook afkomstig zijn, ogenblikkelijk verstaan (hoewel elke geest min of meer de taalkenmerken van díe wereld meeneemt, waarop hij lichamelijk is gestorven). Dit is een vermogen om talen te verstaan, dat bv. bij de geesten van jullie aarde zó lang niet voorhanden is, totdat zij volledig in de geest zijn wedergeboren en voor de hemel geschikt zijn.
22. Het gebeurt meermalen, dat geesten van deze aarde na hun dood samenkomen met de geesten van Saturnus, vooral als zij daarnaar verlangen. Dan verstaan de Saturnusgeesten de geesten van deze aarde o­nmiddellijk. Omgekeerd is dat echter maar heel zelden het geval en bij o­nrijpe geesten helemaal nooit. Ook zien de geesten van deze aarde de geesten van Saturnus niet eerder dan vanaf het moment waarop deze zich aan hen willen laten zien. De reden voor deze superioriteit schuilt eveneens in de grote en ware, innerlijke wijsheid van de Saturnusgeesten.
23. Dat zijn dus de vruchten van de toespraken en lessen van o­nze prediker in de tempel na het morgenmaal.

*  *  *  *  *  *  *
Vertaling: Hendrik.
Het eerste vertaalde hoofdstuk van het Lorberboek over Saturnus vind je op http://www.nieuweopenbaring.nl/print.php?sid=270 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *