Klein dodenboek
Als God ’t uur van uw afscheid heeft bepaald
doorsnijdt de doodsengel ’t levenskoord
dat uw ziel met ’t lichaam verbindt;
onherroepelijk spreekt hij het laatste woord.
Zodra het ‘Effatha’ weerklinkt, lost de ziel
in een lichtende nevel op, van ’t lichaam bevrijd,
en stijgt naar de sfeer die ginder bij haar past;
dan bijkt waaraan ge uw hart hebt gewijd!
Eenmaal ontwaakt over de drempel van de dood
als u veilig in het avondland bent aangekomen
ontdekt u in het tussenrijk andere gestalten
omwolkt door herinneringen en aardse dromen.
Een engel wenkt u, neemt u bij de hand
voor een terugblik op ’t aardse leven, een déja vu.
U voelt wat uw woorden teweeg hebben gebracht
bij anderen, en tal van scènes passeren de revue.
Bont wervelen de beelden door elkander heen:
dit was uw bestaan, dit is uw levensoverzicht –
en uit de diepten van uw ziel welt als een oude zweer
de pijn, de spijt, maar ook het milde liefdeslicht.
Tussen de wereld waaruit we zijn voortgekomen
en de voleinding in de geest, ons eigenlijke domein,
is de aarde niet meer dan een een doorgangshuis,
een wereld vol illusies, onbegrip en venijn.
De lichtende verte die ieder van ons wacht
is vervuld van beloften van een goddelijk bestaan
als we de drogbeelden van ’t ego hebben afgelegd
en alle angst en schijn in liefde is opgegaan.
Vanaf de oudste tijden heeft men dit geweten
maar in deze tijd waant men zich liever verlicht.
God en de eigen geest heeft men vergeten,
voor ’t ego en de materie is een altaar opgericht.
Hendrik Klaassens, 2 januari 2010.