Over de opwekking van de mens uit de dood.

Over de opwekking van de mens uit de dood,
en over het binnengaan in het eeuwige leven.


Het is mij [Emanuel Swedenborg] toegestaan om stap voor stap te vertellen hoe wij vanuit het lichamelijke leven het eeuwige leven binnengaan. Om dit te kunnen zeggen en te weten hoe wij worden opgewekt, werd dit mij niet in woorden getoond, maar door middel van mijn levende ervaring [per vivam experientiam].
Ik werd in een toestand gebracht waarin ik geen zintuiglijke ervaringen meer had. Dus bevond ik mij vrijwel in dezelfde toestand als een stervende. Hierdoor werden echter mijn meer innerlijk [interior] leven en mijn denken niet verzwakt, zodat ik het stervens- en opwekkingsproces kon ervaren [percipere] en in mijn geheugen kon bewaren. Dit gebeurde terwijl ik op een manier bleef ademen die bij het [gewone] leven behoort, maar later [had ik] een adem die nauwelijks meer was waar te nemen.
Er waren hemelse engelen bij mij gekomen die mijn hartstreek in bezit namen, waardoor het leek alsof ik met mijn hart met hen verenigd was. Hierdoor had ik nauwelijks nog iets van mijn eigen leven over, behalve dan mijn gedachten en de ervaringen die daar bij horen. Ik verkeerde vele uren in deze toestand.
Op deze manier werd alles wat ik met de geesten [die zich in de wereld van de geesten bevinden] deelde, van mij verwijderd. Deze geesten beweerden dan ook dat ik het lichamelijke leven verlaten had.
Behalve de hemelse engelen die mijn hartstreek in bezit hadden genomen, waren er nog twee engelen bij mijn hoofd komen zitten. Aldus ervoer ik dat dit bij iedereen gebeurt.
De engelen, die bij mijn hoofd zaten, bleven zwijgen. Zij deelden hun gedachten met hun gezicht mee. Aldus ervoer ik dat ik als het ware door een ander gezicht werd omhuld, en zelfs twee gezichten had omdat er twee engelen waren. Wanneer engelen ervaren dat hun gezicht [door de stervende] ontvangen is, weten ze dat de mens is gestorven.
Nadat zij hun gelaat hadden herkend, brachten zij bepaalde veranderingen rondom de mondstreek aan. Op deze manier deelden zij hun gedachten mee, want het is bij de hemelse [wezens] gebruikelijk dat zij door middel van de mondstreek spreken. Aldus was het mij gegeven de spraak van hun denken te ervaren.
Ik nam een aromatische geur waar als van een gebalsemd lijk. Want als de hemelse engelen aanwezig zijn, wordt de lijkgeur als een aromatische geur waargenomen. Indien boze geesten deze geur ruiken, kunnen zij niet dichterbij komen.
Ik ervoer dat ik ondertussen [nog steeds] door middel van de hartstreek nauw met de hemelse [engelen] verenigd werd gehouden, hetgeen ik ook dank zij mijn polsslag kon waarnemen.
Ik werd doordrongen van het feit dat de vrome en heilige gedachten die wij op het moment van de dood hebben, door de engelen worden vastgehouden. Ook werd ik er van doordrongen dat de stervenden meestal aan het eeuwige leven denken, en maar zelden aan hun [eigen] heil en geluk, omdat de engelen hen in deze gedachte aan het eeuwige leven houden.
De hemelse engelen houden de stervenden tamelijk lang in deze gedachte, voordat zij zich terugtrekken en de stervenden aan de geestelijke engelen worden overgelaten, waarmee ze dan verbonden worden. Intussen weet de gestorven persoon niet beter, zij het op een vage manier, dan dat hij [of zij] nog steeds in het lichaam leeft.
Zodra de meer innerlijke delen van het lichaam koud worden, worden de levenssubstanties van ons weggenomen, waar deze zich ook moge bevinden; zelfs al waren ze in duizenden labyrintachtige windingen verborgen. Want de kracht van de Barmhartigheid van de Heer [die ik daarvoor ervoer], is als een levende en sterke aantrekkingskracht, waardoor niets levends achter kan blijven.
Nadat ik [op deze manier] als het ware was opgewekt, bleven de hemelse engelen nog enige tijd bij mij, terwijl ze op hun verborgen manier spraken. Ik ervoer uit de spraak van hun gedachten dat zij al het verkeerde en onware te niet deden. Dit gebeurde niet doordat zij dit alles tot een voorwerp van spot maken, maar doordat zij er zich [gewoon] niet mee bezig hielden. Hun spraak bevat [net als de gedachten] geen enkele klank. Hiermee spreken zij tot de zielen [anima] waar zij het eerst bij aanwezig zijn.
Wanneer wij door de hemelse [engelen] op deze wijze zijn opgewekt, bevinden we ons nog steeds in een verwarrend leven [vita obscura]. Wanneer het tijdstip is aangebroken dat wij aan de geestelijke engelen moeten worden overgegeven, treden zij terug zodra de geestelijke engelen naderbij komen. Het werd mij getoond hoe deze dan aan het werk gaan om ons [in staat te stellen] het genot van het licht te ontvangen.
Wanneer de hemelse engelen bij de opnieuw tot leven gewekte mens aanwezig zijn, verlaten zij hem niet, want zij houden van iedereen. Indien een ziel echter zodanig is dat zij niet langer deelgenoot kan blijven van het hemelse niveau, verlangt ze er vurig naar om daar van weg te gaan. Als dit gebeurt, komen de geestelijke engelen [bij haar] en laten haar genieten van het geestelijke licht [lucis], want voor die tijd zag zij niets maar was ze voortdurend aan het denken.
Mij werd getoond hoe deze engelen te werk gaan. Het leek alsof zij de huid van het linkeroog tegen de zijkant van de neus oprolden, om zo het oog te openen, waardoor [de overledene] van het geestelijke licht kon gaan genieten. Dit is de enige manier waarop wij dit [proces] kunnen waarnemen, want [in werkelijkheid] is dit slechts een imaginair beeld [apparentia].
Wanneer zij de uiterlijke verschijningsvorm van het vliesje hebben opgerold, toont zich het geestelijk licht. Dit licht is nog zwak. Het lijkt op het zwakke licht dat wij door onze oogleden heen zien als we voor het eerst wakker worden. Dan bevinden we ons in een ontspannen toestand en worden we nog steeds vanuit de hemel beschermd. Vervolgens verschijnt er een schaduw, ongeveer als de kleur die de nachthemel rond een ster heeft. Ik ervoer dat deze kleur vele variaties kan hebben.
Daarna lijkt het alsof er voorzichtig iets van het gelaat wordt afgerold, waardoor er in ons een innerlijke waarneming wordt opgewekt. De engelen zorgen ervoor dat er geen enkel idee [idea] 1 uit ons voortkomt, tenzij het om een subtiel of liefdevol idee gaat. Ons wordt nu het besef gegeven dat we een geest zijn geworden.
Nu begint een leven dat eerst gelukkig en vreugdevol is, want we bemerken dat we in het eeuwige leven zijn aangekomen. Deze toestand wordt in een aards beeld voorgesteld als een zuiver en schitterend geel uitwendig licht [lumen]. Dit betekent ons eerste leven dat zowel hemels als geestelijk is.
Dan worden wij ontvangen in de gemeenschap van de goede geesten. Deze toestand wordt in een aards beeld voorgesteld door een jongeman die op een paard rijdt die hij in de richting van de hel stuurt. Maar het paard is niet in staat om ook maar een stap voorwaarts te doen. Wij worden door een jongeman voorgesteld omdat wij voor het eerst het eeuwige leven zijn binnengegaan en ons temidden van de engelen bevinden. Het komt ons voor alsof wij ons in de bloeitijd van onze jeugd bevinden.
Hij stijgt van zijn paard en hij begint te lopen omdat hij niet in staat is zijn paard van zijn plaats te krijgen. Hiermee wordt in een aards beeld het volgende leven voorgesteld. Hij krijgt de ingeving dat hij moet worden onderwezen in de geestelijke kennis van het ware en het goede.
Vervolgens verschijnen er paden die langzaam omhoog kronkelen. Dit betekent dat hij door middel van de geestelijke kennis van het ware en het goede en door zichzelf te aanvaarden, naar de hemel zal worden geleid. Want zonder die kennis en deze aanvaarding kan niemand daar naartoe worden geleid.
Nadat de geestelijke engelen… de opnieuw tot leven gewekte mens -d.w.z. de ziel- in het genot van het geestelijk licht hebben gesteld, is hij in staat om om zich heen te kijken. De engelen dienen hem in alles wat hij zich in deze toestand ook maar kan wensen. Zij onderwijzen hem over al datgene wat tot het andere leven behoort, voor zover hij in staat is om dit te begrijpen. Indien hij zich in een toestand van het geloof bevindt, tonen zij hem -als hij dit wenst- ook de wonderen en de grootheden van de hemel.
Wanneer hij zodanig is dat hij niet onderwezen wenst te worden, verlangt hij er naar om bij de engelen weg te gaan. Dit ervaren zij zeer duidelijk, want in het andere leven worden alle idee├źn die tot het denkvermogen behoren aan de anderen medegedeeld. Indien hij er naar verlangt om bij hen weg te gaan, maakt hij zich van hen los. Maar het is niet zo dat de engelen hem dan verlaten, want zij hebben iedereen lief en zij verlangen er naar om iedereen te dienen, hen te onderwijzen en hen naar de hemel te dragen. Hieruit bestaat hun grootste genoegen.
Wanneer de ziel zich op deze wijze [van de engelen] afkeert, vangen de goede geesten haar op. Als zij zich dan temidden van hen bevindt, wordt ze ook hier door alle geesten geholpen. Maar als haar leven in de wereld zodanig is geweest, dat ze niet in staat is om temidden van de goede [geesten] te blijven, verlangt ze er naar om ook bij hen weg te gaan. [Dit proces herhaalt zich steeds opnieuw], totdat zij uiteindelijk in een omgeving is terecht gekomen die geheel overeenstemt met [de kwaliteit] van het leven dat zij leidde toen ze nog een lichaam had. Nu zij naar dit soort leven is teruggekeerd, ontstaat er een nieuw begin. Sommige zielen worden na langere of kortere tijd van hieruit naar de hel gebracht. Zielen die echter in de toestand van het geloof in de Heer zijn, worden vanuit dit nieuwe begin stap voor stap naar de hemel geleid.
Sommige zielen worden langzaam, andere zielen juist wat sneller naar de hemel geleid. Ik heb zelf gezien dat sommige zielen zelfs onmiddellijk na hun dood naar de hemel werden gebracht….

Emanuel Swedenborg
.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *