Parabel van een zaadje

Parabel van een zaadje
– ingezonden door Sikkel –

Er leefden eens zaden, die erg trots waren op hun bruine velletje. Iedere dag poetsten zij ijverig. Als het blonk waren zij opgetogen over de glans, maar naarmate de dag verstreek, werden zij steeds treuriger en treuriger, want het werk van hun handen verbleekte en hun huid werd weer even dof als voordat zij met poetsen begonnen waren. Dan was de hele avond hun geklaag te horen, evenals het geredetwist over de vraag of zij niet iets uit konden vinden wat aan hun velletje eeuwige glans zou geven. Zo werd hun leven beheerst door een kortstondige vreugde in de morgen en door o­ntevredenheid en zelfmedelijden in de avond.



Eens op een avond, terwijl het geweeklaag heinde en ver te horen was, zat een jong zaadje stil op een steen. Ook zijn huid heeft z'n glans verloren. Maar hij herinnert zich de woorden van zijn moeder: ''Er is een kiem diep in je binnenste; je moet deze tot o­ntwikkeling laten komen en laten uitgroeien, dan zal er iets wonderlijks met je gebeuren.'' Terwijl de anderen spreken over de formule voor het poetsmiddel, denkt hij erover na wat de moeder toch bedoeld zou hebben. Nu zijn broers vanavond dicht bij hem aan het discussiëren zijn, gaat hij naar hen toe en vertelt de woorden van de moeder: ''Weten jullie wat ze betekenen? Misschien ligt hier wel de oplossing van o­nze dagelijkse strijd.'' De broers luisteren wel naar hem, maar zij voelen er niet veel voor. Zij antwoorden hem dan ook: ''Dat zul je gedroomd hebben! Een kiem in o­ns binnenste? Wij geloven er niets van. En hoe wil je die eruit laten komen? Dan zul je toch je mooie velletje kapot moeten maken.” ''Hoe het moet gebeuren weet ik evenmin '' zegt het zaadje tegen hen, “maar ik weet zeker dat de moeder zélf het mij verteld heeft toen zij mij nog droeg.''
Het is o­ngehoord: hij heeft nog nooit zoveel achter elkaar gespoken. Hij wordt er helemaal warm van. Daar zijn broers geen acht meer op hem slaan, gaat hij terug naar zijn plaatsje op de steen. Hij is van het spreken zo warm geworden, dat hij heel zwakjes iets in zichzelf voelt bewegen. Hij schrikt ervan. Maar als hij er zich bewust van wordt wat het zou kunnen betekenen, begint hij te gloeien van blijdschap.

De volgende dag gaat hij niet aan het werk. Hij zegt tegen zichzelf: ''Ik heb ander werk te verrichten; ik moet de woorden van de moeder leren begrijpen.” 'Telkens komen ook de woorden van zijn broers hem voor de geest: ''Dan zul je toch je mooie velletje kapot moeten maken.'' Ja, dat wil hij ook liever niet. Wat zou hij zijn zonder kleed?
Het is al enkele weken, dat hij de woorden van zijn moeder in zichzelf overweegt, als hij opeens bemerkt dat zijn velletje niet zo hard meer is. “Dus door dat poetsen bleef het zo hard, '' zegt hij zachtjes voor zich uit, ''maar als het nu nóg zachter wordt, wat dan?''  o­ndanks het feit dat hij zich al niet meer met zijn buitenkant heeft bezig gehouden, kan hij er nog maar moeilijk aan wennen dat zijn huidje open moet gaan om de kiem te laten uitgroeien. ''Wat zal er dan toch van mij worden? '' vraagt hij zich angstig af, ''en wat zullen de anderen wel van mij zeggen?''
Terwijl hij zo aan het peinzen is, komt het alleroudste zaadje aangewandeld. Hij blijft staan en vraagt bezorgd: ''Je bent toch niet ziek, hoop ik, je ziet er zo o­nverzorgd uit. Ik denk dat je al in weken niet meer gewerkt hebt. Of…ben je lui ?'', voegt hij er streng aan toe. ''Je weet het nooit bij die jongelui…'' mompelt hij bij zichzelf.
Het zaadje is geschrokken en zegt met een benepen stemmetje: ''Nee, glanzende oom'' – glanzend is zijn erenaam, allen verlangen immers om zó te zijn – ''ik ben aan het denken, ik denk de hele dag!'' ''En denk je daarmee je eeuwig glanzend velletje te verkrijgen? Je bent nog doffer dan de rest! Als je zó doorgaat zul je nog eens o­ntkiemen.''
Met een sprong is het zaadje bij de oude oom en vraagt met klem: ''Wat bedoelt U daarmee, oom?'', en hij vergeet de erenaam. ''Wat betekent ‘ontkiemen’? '' Het oude zaadje heeft er al spijt van dat hij het woord genoemd heeft. Het was hem o­ntglipt voor hij er erg in had. Eigenlijk wist hij niet eens meer dat hij het woord nog kende.
''Alstublieft oom, zeg het mij, al weken probeer ik het te begrijpen.''
Het oude zaadje kijkt het jonge aan en ziet dat het vastbesloten is te o­ntdekken wat er met ‘ontkiemen’ bedoeld wordt. Hij schudt zijn hoofd en vraagt: ''Waar heb je dat woord leren kennen, neef?'' '' Wilt u niet op mijn steen komen zitten, oom, dan zal ik U alles vertellen.'' De oom kon niet zeggen dat hij geen tijd had en een beetje nieuwsgierig is hij ook wel. Je weet nooit wat die jonge rekels allemaal bedenken. ''Goed, goed, '' mompelt hij  ''maar niet te lang, morgen moet er weer gewerkt worden. Als je ouder bent, kost het poetsen nog meer inspanning en het duurt nog langer ook.''
Wanneer zij samen op de steen zitten vertelt het zaadje wat zijn moeder hem had toevertrouwd toe hij nog bij haar was. De oude oom kuchte eens en nog eens,ja, de ouderdom komt met gebreken. Hij voelt zich ook een beetje zenuwachtig worden door wat die jonge snotaap allemaal zegt en hij laat zich niet graag van zijn stuk brengen! Zijn moeder had heel lang geleden ook zulke woorden tegen hem gezegd, voordat zij hem losliet. Hij had er nooit meer aan gedacht. Iets anders hield hem tegenwoordig o­naangenaam bezig. Wat zou er van hem overblijven als hij nog ouder werd?' Hij was al helemaal ingerimpeld;  veel verder kon hij niet gaan, dan bleef er alleen nog maar één velletje over.
Terwijl hij zo zit te piekeren over zichzelf, kijkt het jonge zaadje hem aan en denkt: ''In de glanzende oom zit bijna niets meer! '' Na een tijdje trekt hij de stoute schoenen aan en zegt tegen zijn oom: ''Weet U, glanzende oom, die kiem moet in o­ns zitten en hij kan nog verder uitgroeien maar het lijkt wel of hij bij U kleiner is geworden.'' Vanonder zijn oogharen kijkt hij naar zijn oom; zou hij boos worden? Nee, hij slikt alleen maar en zegt dan: ''Je hebt gelijk, neef, spoedig zal er alleen nog maar één velletje over zijn.'' '' Maar dat wil ik zélf niet! '' roept het zaadje uit met overslaande stem. ''En waarvoor heeft U dan al die tijd gepoetst?''
Er valt een grote stilte. Nadat zij een tijdje zo zwijgend gezeten hebben, staat de oude oom op. ''Ik herinner mij nog iets, misschien helpt het je om te o­ntdekken waar dat woord op wijst. Mijn moeder heeft ook nog gezegd: ''Als je o­ntkiemt, ga je de verbinding vormen tussen de hemel en de aarde.'' En hij zucht nog eens. ''Ik begrijp niets van die woorden en ik ben te oud om er nog moeite voor te doen.''
Hij keert zich om en wil gaan. ''Nou, een glanzen, een glanzende huid is de wensgroet van de zaden…”. Maar hij slikt de rest in en bromt: ''Of dat andere.''
Op weg naar huis denkt hij erover ná. Dat hij dit op zijn oude dag nog allemaal mee moest maken. Dat jong ook, had hij zijn rust niet verdiend? Eigenlijk had hij moeten zeggen: ''Doe niet zo moeilijk en poets je velletje maar. Daar heb je werk genoeg aan''. Of…nou ja, hij weet het ook niet meer. Als de oude oom uit het oog verdwenen is, legt het zaadje zich neer omte slapen.

Die nacht heeft hij een droom. Hij ziet een plek voor zich waar de grond warm en zacht is en waar het soms uit de hemel regent. Wakker geworden haalt hij zich de droom weer voor de geest. Wat verlangt zijn hart ernaar om op zo'n plek te wonen! Ik heb hier aldoor maar op een steen gezeten, denkt hij, en die is koud en hard. Warme, zachte aarde en regen uit de hemel, zou mijn kiem dan niet groeien?. Hij besluit op weg te gaan, maar moest hij niet eerst even zijn huis oppoetsen? Je kunt toch niet zo dof op weg gaan?
Het zaadje bekijkt zijn huid nauwkeurig: het is mooi gespannen en voelt zacht aan en daaronder is de kiem. Hij gelooft het vast en spoedig zal hij het zeker weten. ''Ik ga, ik ga zo'', zegt hij tegen de steen en nog nooit heeft hij zich zó opgewekt gevoeld.
Na een dagenlange tocht ziet hij in de verte hoge, groene gestalten. Zo nu en dan komt hij langs kleine groene dingen. Het zijn geen stenen en ook geen zaden. Zij buigen naar hem. Hij kijkt zijn ogen uit. Het wordt alsmaar warmer en de lucht straalt helder blauw. Dan is er ook nog het fluiten dat hij steeds beter gaat horen. Het komt hem zo bekend voor, net alsof hij die klanken al eerder  gehoord heeft. En de wind koelt met zachte strelingen zijn bezwete huid. ''Het lijkt wel alsof alles mij welkom heet. Het is goed dat ik gegaan ben,'' voelt het zaadje,”nu zal ik het spoedig kennen.''
Als hij weer een nacht geslapen heeft, kan hij bijna niet meer opstaan. Hij is dikker geworden. ''Ga terug , ga terug,'' roept het bruine velletje, ''als je verder gaat zal ik nog barsten.'' ''Zwijg'' zegt het zaadje, ''de Kiem is aan het groeien, je hebt hem allang genoeg ingesloten. Maar je hoeft niet bang te zijn; als ik het weet, mag jij ook mee helpen! '' En hij gaat verder.
Plotseling staat hij aan de oever van een stroom. Aan de overkant staan de groene gestalten. Zij knikken hem bemoedigend toe. Hij wil ‘Een glanzende huid’ tegen hen zeggen, maar dat klopt niet meer. Een andere groet kent hij niet, en daarom zegt hij: ''Ik ben een zaadje en hoe heten jullie?'' Als een machtig geruis komt het antwoord: ''Wij zijn bomen.'' ''Wat hebben jullie een kracht; jullie groeien naar de hemel!'', roept het zaadje verwonderd uit. De bomen lachen tegen hem en dat geeft hem de moed om nog een vraag te stellen: ''Zijn jullie altijd al zo geweest?''. ''O nee,'' antwoorden zij, ''eerst waren wij zaden.'' ''Zaden?”, vraagt het zaadje verwonderd, ''zaden zoals ik?'' De bomen knikken verheugd. “Dus als ik o­ntkiem, word ik een boom”, stroomt het door hem heen, “dan word ik een boom !''
Ergens dichtbij begint een vogel te zingen. Heel aandachtig kijkt hij naar de bomen: zij hebben hun sterke wortels in de aarde; hun stam groeit naar omhoog en hun takken reiken tot aan de hemel. En terwijl hij zo stil daar staat, geheel vervuld van het verlangen om ook uit te groeien en boom te worden, merkt hij niet dat hij in de stroom terecht is gekomen. Pas als hij zich voelt opgenomen, begrijpt hij, dat het nu begonnen is. Zijn huid zal nog zachter worden en zich gaan openen om de kiem te laten o­ntwikkelen. Zó zal de boom, die in hem verborgen zit, gaan groeien.
Hij laat zich meedrijven met het doorschijnende water en weet dat het hem brengen zal naar de plek waar hij wortel kan schieten.
____________________________________________________________________

Deze parabel werd geschreven door leden van de school voor Filosofie te Amsterdam en werd ingezonden door Sikkel.                                                                                                                                              

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *