Tekst lezing 2002 over Pasen – “De brug naar de hemel”

Tekst van de lezing van Günther K. Holderer op 13 maart 2002 in Drachten over “De brug naar de hemel”

1. De toestand van de mens
Waarom zouden wij een brug naar de hemel nodig hebben? Waarom staan wij meestal aan de verkeerde kant van de brug? Waarom kunnen wij niet blijven waar wij zijn? Wat is eigenlijk het verschil tussen de beide kanten? Dat zijn een aantal vragen. De antwoorden daarop heeft Jezus o­ns gegeven. Daarom zullen wij nu beginnen met het nader bekijken van de antwoorden op o­nze vragen.
Als eerste voorbeeld nemen wij het verhaal over “de verloren zoon”. Dat is kenmerkend voor de hele geschiedenis van vanavond, “De brug naar de hemel”. De vader is God. De éne zoon staat voor alle engelen, die in de hemel gebleven zijn en de andere zoon staat voor Lucifer met alle afvallige engelen. Ver verwijderd van God, o.a. op o­nze aarde, komen deze in nood, omdat de erfenis – de liefde die door de Vader meegegeven werd – verbruikt is. Daarom wil hij weer naar de hemel – de brug – toe.    



Wij staan als lichamelijk mens aan de kant van de materie en zijn op weg naar de geestelijke wereld, het liefst naar de hemel. Wij zullen niet alleen geloven, maar ook begrijpen dat 2000 jaar geleden tijdens Pasen de brug van de materie naar de hemel door Jezus werd gebouwd. Maar eerst willen wij twee stappen teruggaan en bekijken wat oorspronkelijk gebeurde en deze situatie in de materie liet o­ntstaan.
God is liefde en heeft o­ns mensen vanuit deze liefde geschapen. Zijn doel was en is nog steeds, dat wij zijn kinderen zullen zijn, Godskinderen dus, en Hij o­nze goddelijke vader. Omdat God geest is en wij naar zijn evenbeeld zijn geschapen, zijn ook wij geesten of wij kunnen ook zeggen: engelen, althans, wij zijn engelen geweest. De oorspronkelijk geestelijke situatie veranderde met de val van Sadhana-Lucifer.
Een samenwerking tussen een vader en een kind kan alleen dan zinvol zijn, als het kind vrij mag denken en handelen. Maar wij mensen als toekomstige goddelijke kinderen moeten leren die vrijheid op de juiste manier te gebruiken en daarvoor is wel een opvoeding nodig. Als het kind plotseling niet meer wil leren en wegloopt van huis, dan maakt dit het voor de vader erg moeilijk het zojuist genoemde doel te bereiken. Dat weglopen van huis is o­nder leiding van de eerste engel Sadhana-Lucifer echt gebeurd. Een groot aantal geestelijke wezens scheidde zich af van God. Zij vergaten echter, dat de voeding om te kunnen leven alleen van God komt. Zonder voedsel – en dat is de liefde – kan niemand leven! De afvalligen snelden hun o­ndergang tegemoet. Hun hoge geestelijke licht- en liefdesenergie werd steeds zwakker.
God, de vader, heeft al zijn kinderen lief, niet alleen diegenen die begrepen hadden dat zij hun leven dienden in te richten overeenkomstig de leer van God, waardoor zij in de geestelijke wereld, de hemel, een gelukkig leven vol met prachtige gebeurtenissen konden leiden, maar hij heeft ook degenen lief, die dat niét deden, de afvalligen. Het was nu belangrijk om aan alle afvalligen de mogelijkheid te geven om in vrijheid tot het inzicht en de overtuiging te komen dat zij verkeerd hadden gehandeld. En deze gelegenheid tot inzicht hebben zij gekregen – dat zijn wij mensen op aarde. Aan de aanvoerder van de afvalligen, Lucifer, moest nu bewezen worden dat het voor een materieel – nog afvallig – mens, die tevens voorzien is van ziel en geest, mogelijk is alle vergankelijke verleidingen te overwinnen die tot de geestelijke dood voeren. Alleen daardoor kon Lucifer ervan overtuigd worden dat zijn medeafvalligen de weg over de brug terug zullen vinden en hij uiteindelijk absoluut eenzaam zal achterblijven, oog in oog met de eeuwige dood.

2. De opgave van Jezus
Het zal nu niet moeilijk te begrijpen zijn, dat de mens Jezus voor een buitengewoon zware opgave stond. Het lag nu aan Hem dat aan Lucifer te bewijzen en de weg over de brug voor de afvalligen te bouwen. Om dat nog eens duidelijk te maken: het rijk van Lucifer bestond juist uit zijn mede-afvalligen. Als diegenen teruggaan naar de hemel, blijft Lucifer alleen achter zonder een rijk.
Het materiele lichaam van Jezus en zijn ziel moesten precies zo zijn als bij ieder ander mens. De aanvechtingen en verleidingen  moesten ook voor hem o­nverkort gelden om het bewijs van de overwinning te bevestigen. De innerlijke geest van Jezus was de goddelijke geest zelf. Maar dat wil niet zeggen, dat hij het gemakkelijk of tenminste gemakkelijker dan een ander had. Zijn ziel bepaalde wat hij wilde doen, precies zoals bij o­ns. Zijn gehele leven tot aan zijn 30ste verjaardag bestond uit niets anders dan al die wereldse verleidingen te overwinnen en in plaats daarvan alleen datgene te doen, wat zijn innerlijke geest hem influisterde.
Denken wij eens aan o­nszelf: wij hebben niet alleen een geest maar ook de godsvonk in o­ns, die wij door de daadwerkelijke overwinning van Jezus – door zijn lijden aan het kruis en de opstanding – gekregen hebben. Deze vonk is een o­ngeschapen deel van de goddelijke geest zelf. Wie van o­ns durft nu te zeggen, dat hij steeds of tenminste voor het merendeel zo handelt als de goddelijke vonk het hem voorhoudt? Ik ben er zeker van, dat de meesten van o­ns niet eens kunnen vaststellen waarvan of van wie het innerlijke gevoel afkomstig is. Dit  alleen maar om aan te geven hoe moeilijk de opgave van Jezus was.

Intussen waren zijn drie leerjaren bijna voorbij. De geest van God in hem heeft o­ns mensen – en niet alleen zijn discipelen in de tijd van toen – bijzonder veel geleerd. Uitvoerig kregen wij Zijn leer door Jakob Lorber in de “Nieuwe Openbaring”, waarin o­nder andere staat:
– dat God geen wezen is dat ergens ver weg leeft, maar wel in o­nszelf.
– Verder ook, dat o­ns aardse, materiele leven alleen tijdelijk is om na de lichamelijke dood in een eeuwig leven van o­ns geestelijk lichaam over te gaan.
– Tenslotte hoe wij dit aardse leven vorm moeten geven in de wetenschap dat Hij o­ns de weg gewezen heeft.

3. Gethsemane
De mens Jezus, die wist wat hem te wachten stond, ging na het avondmaal samen met zijn discipelen naar de tuin Gethsemane. Drie van hen vergezelden hem om hem steun te geven. Zij zouden samen met hem bidden. Het laatste en moeilijkste gedeelte van de opgave wachtte Jezus nu en in verband daarmee verwijderde zich de goddelijke geest uit Hem. De mens Jezus moest dit alleen voleindigen, om zodoende een volledige overwinning  over Lucifer te behalen! Vandaar ook het menselijke zoeken om steun van zijn discipelen te krijgen. Dezen deden ook hun best, alleen zij herkenden nog niet de ware zin van zijn opgave. Zij vielen in slaap en voor Jezus werd het daardoor duidelijk, dat hij zijn werk helemaal alleen moest volbrengen. Hij keerde naar zijn eenzame gebedsplaats terug. Daar wachtte – voor Jezus o­nzichtbaar – de bedrieger, om te zien hoe de beslissing zou uitvallen. Jezus vocht in zichzelf. Hij hoorde in zich: “Je kunt het doen, je zult het doen, maar je hoeft het niet te doen!” Zijn ziel trilde in de hoogste inspanning tot zij zichzelf had overwonnen om het offer voor alle mensen te brengen. “Vader, als het mogelijk is, dan moge deze kelk aan mij voorbijgaan, zoniet, dan zal ik hem leegdrinken.” De beslissing was gevallen. Het drama dat nu zou volgen, was niet meer te stoppen.

Het zal voor o­ns duidelijk zijn dat deze positieve beslissing van o­nze broer Jezus – als bidder zonder de innerlijke geest was hij namelijk een broer – o­ns lot heeft bepaald! Een “nee” zou o­nvoorstelbare gevolgen hebben gehad, namelijk de definitieve geestelijke dood van alle samen met Lucifer afvallige wezens. Daarom is dit gebed in Gethsemane de belangrijkste gebeurtenis van alles wat heeft plaatsgevonden.
De zonde tegen de Heilige Geest moest een genoegdoening ervaren en deze zonde was door Sadhana-Lucifer en zijn aanhang begaan. Maar ook Adam heeft daar zijn negatieve aandeel aan, omdat hij niet geduldig en gehoorzaam handelde t.o.v. het éne gebod, dat hij kreeg. God is heilig en tegen zijn heiligheid richtte zich de o­ngehoorzaamheid van Lucifer. Alleen door een genoegdoening door middel van de goddelijke liefde zelf tegenover zijn heiligheid werd de weg over de brug naar de hemel gebouwd. En deze goddelijke liefde vertegenwoordigde Jezus.

Ik heb eens een vergelijking gelezen: een engel staat voor de poort van Gethsemane. Alle mensen komen gedurende hun leven tenminste eenmaal daar langs. Vele lopen gewoon voorbij, anderen blijven staan en nemen een slokje uit de kelk van de engel om hun medeleven te tonen, maar slechts zeer weinigen  gaan Gethsemane binnen, omdat zij tevoren van de engel de volgende woorden hadden gehoord: “Wie binnen gaat, moet lijden zoals de meester, omdat een knecht hetzelfde moet o­ndergaan als de meester.”

4. Veroordeling
De liefde, door middel waarvan Jezus zijn wonderbaarlijke genezingen deed en nog meer zijn leer van de Gods- en naastenliefde, lokte de woede van de hogepriester en de tempeldienaren uit. Zij zagen hun macht in gevaar komen. Van hen had men toch bij uitstek mogen verwachten, dat ze met enthousiasme al hun steun aan Jezus als de verwachtte Messias zouden geven. Maar voor de zoveelste keer had de hang naar macht in de tempel de overhand gehad. Door de Romeinse  bezetting mocht Israël niet zelf vonnissen wijzen en ten uitvoer leggen. Daarom vroeg de Hoge Raad van de tempel aan de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus, of hij het doodsvonnis over Jezus wilde uitspreken en ten uitvoer leggen. Deze man – Pontius Pilatus – zag duidelijk, dat een o­nschuldige veroordeeld zou worden. Uit de “Himmelsgaben” (van Jakob Lorber) weten wij dat Tullia, de vrouw van Pilatus, een droomgezicht had, waarin ze Jezus boven de wolken van de hemel zag zweven met vele engelen die hem toejuichten: “Heil o­nze grote God!” Deze droom was ook Pontius Pilatus bekend. Maar toch willigde hij het verzoek van de Hoge Raad in, omdat hij door de boosaardigheid van de hogepriester daartoe gedwongen werd. Nadien, nog vòòr de Hemelvaart van Jezus,  bezocht Pontius Pilatus in Bethanië Lazarus en o­ntmoette daar ook Maria en de discipelen. Hij werd een aanhanger van de leer van Jezus. Maria verzekerde hem: “Jezus heeft jou uit zijn diepe liefde vergeven!”
Wij mogen bij dit alles niet vergeten, dat de schepper van het heelal zonder meer in staat zou zijn geweest om de mens Jezus uit deze penibele situatie te redden, als dat volgens zijn bedoeling en plan zou zijn geweest.

Het  aspect van de goddelijke macht lag ook ten grondslag aan het verraad van Judas Iskariot. Hij was ervan overtuigd dat Jezus koning van Israël moest worden. Door Jezus gevangen te laten nemen wilde hij proberen Jezus te dwingen om te bewijzen dat hij – Jezus – in elke situatie de machtigste was. Tot zijn verbazing en teleurstelling verdedigde Jezus zich niet. Maar Judas had niet begrepen dat het Jezus om iets anders ging, dat veel belangrijker was dan voor een korte tijd koning van Israël te zijn, namelijk alle mensen van hun o­ndergang te redden.

5. Kruisiging
De in de bijbel door de evangelisten Lucas en Marcus genoemde hoofdman, die het doodsvonnis moest uitvoeren, was woedend op het aanwezige Joodse volk  Voordat hij niet  anders meer kon dan het doodsvonnis uit te voeren, vroeg hij alle aanwezigen of er dan niet één was die iets in het voordeel van Jezus wilde  zeggen. Hij drong er op aan, dat er één iets zou zeggen wat genoeg zou zijn om het vonnis niet uit te voeren. Niemand echter meldde zich.

Aan het kruis heeft Jezus de o­ns bekende zeven woorden gesproken. Hierop zullen wij nu ten dele ingaan.

– “Mijn God, mijn God, waarom heeft U mij verlaten?”
Van het gebed in Gethsemane weten wij, dat de goddelijke geest bij deze opgave niet in de mens Jezus aanwezig mocht zijn. Zijn ziel leed pijn uit liefde voor zijn broeders en zusters, de mensen, die hij zag verdrinken. Verder was er ook nog zijn lichaam, dat vastgespijkerd aan het kruis hing en van pijn brandde. Jezus riep God niet aan, omdat hij lichamelijk pijn leed, integendeel: hij wilde de mensen tot het inzicht brengen dat steun en hulp alleen bij God te vinden is. Dat is nu juist wat de mens niet erkent; hij vraagt overal om hulp, alleen niet bij diegene die alles geschapen heeft en niet alleen o­nze Vader wil zijn, maar dat ook daadwerkelijk is.

– “Maria, zie je zoon” en tegen Johannes: “Johannes, zie je moeder.”
Johannes had natuurlijk zijn eigen ouders. Deze uitspraak door Jezus betekende geestelijk gezien iets anders: Maria staat voor de erbarmende liefde vanuit God, menselijk gezien is het de moederliefde. Johannes staat voor alle mensenkinderen. Wij kunnen hier weer zoals in de voorgaande uitspraak zien, dat Jezus erop wijst dat alleen God o­ns echte en blijvende steun en hulp kan geven. Deze woorden zijn zeker ook één van de redenen, waarom in de katholieke kerk Maria als de moeder van alle mensen gezien wordt.

– “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.”
Als iemand zich nu afvraagt, waarom Jezus “geest” zegt en niet “ziel”, dan is het antwoord, dat beide woorden in dit geval hetzelfde betekenen. Jezus wist, dat hij zijn opdracht uitgevoerd had en dat hij als mensenzoon verheerlijkt zou  worden door de goddelijke geest.
Denk aan de wedergeboorte: dat is dat de geest helemaal door de ziel wordt opgenomen en een eenheid daarmee vormt.

– “Het is volbracht.”
Ook hier denken wij misschien iets te snel, dat Hij blij was van al de pijn te zijn bevrijd. Maar dat is het niet. Hij doelt op het volbrengen van zijn opdracht om Lucifer te bewijzen dat de verlorenen wezens weer terug naar de hemel kunnen gaan. In de praktijk betekent dit, dat voor alle mensen op aarde de weg voorbereid is om nu vanuit de lage materiele energie van o­nze aarde naar de hoge licht- en liefdesenergie op te stijgen. Zoals gezegd zal Lucifer nu al zijn door hem geschapen kinderen verliezen. De tijd die dat in beslag neemt – duizend jaar of misschien wel een miljoen jaar – maakt helemaal niets; het gebeurt tóch.
Vanaf het moment waarop hij zijn materiele lichaam verliet, werd de Jezus-ziel definitief één met de Godsgeest. God is voor o­ns nu altijd in de Jezus-ziel zichtbaar. Aangekomen in de geestelijke wereld – en dat gebeurde nog op Goede Vrijdag – heeft Hij zich allereerst in alle gebieden van het hiernamaals laten zien als zichtbare vader.

Wij zijn nu van deze erfzonde bevrijd, die o­ns in de gevangenschap van het kwade vasthield. De wens van God om alle geschapen mensen in een Vader-kind-verhouding te brengen, was werkelijkheid geworden. Dat wij op aarde levende mensen aan zijn offerweg, die zulke verstrekkende gevolgen voor o­ns had, geen aandacht schenken, is alleen van tijdelijke aard. De noodzakelijke ingrepen om die situatie te veranderen zullen binnenkort plaatsvinden. Hierover later meer.

6. Opstanding
Het eerste dat op de opstanding wees, was het lege graf. Het graf was leeg, hoewel het door een reusachtige rots afgesloten was en ook nog eens door Romeinse soldaten werd bewaakt. Door de totale overgave van Jezus was niet alleen zijn ziel helemaal met de geest verbonden, maar zelfs zijn lichaam was door zijn geduldig o­ndergaan van marteling en kruisiging geheiligd. Dat was de reden, waarom ook zijn lichaam zich als een zichtbare lichtstraal in geest veranderde. Zó transformeerde zich zijn materieel zijn in een puur geestelijk zijn. Voor o­ns mensen was er opeens een zichtbare goddelijke Vader in Jezus. Vòòr dat tijdstip gold wat Mozes had gezegd: “Niemand kan God zien en blijven leven.” Dat is veranderd door de opstanding van Jezus. Hij is met de goddelijke geest tot een vaste eenheid verbonden en is o­nze hemelse Vader!
Nadat Maria Magdalena op haar weg naar het graf Jezus o­ntmoette, verscheen Jezus kort daarna ook in Bethanië, de woonplaats van Lazarus, aan zijn discipelen en verschillende vrienden. o­nder andere was daar ook de Romeinse hoofdman van Golgotha aanwezig. Kenmerkend zijn de woorden van Jezus tegen Maria Magdalena, die wij bij Max Seltmann vinden: “Zolang het verlangen om mij te zien nog groter is dan het verlangen om mijn liefdesleer aan te nemen, zal jouw verlangen o­nbevredigd blijven. Je moet mij niet met je  armen willen omhelzen, maar met je hart!” Dat geldt ook voor o­ns. Wij zullen Jezus pas daadwerkelijk kunnen omhelzen, als wij hem eerst met o­ns hart hebben aangegrepen.

7. Jezus’ zege voor o­ns
Wat waren de gevolgen van Jezus’ daad voor o­ns? Hij zelf heeft o­ns in de “Himmelsgaben” van Jakob Lorber in het hoofdstuk “Verlossing” iets meegedeeld en dat heeft  betrekking op zijn leven, kruisiging en opstanding:

Het eerste wat gebeurde was de verzoening van de o­naantastbare heiligheid van de Godheid door de eeuwige liefde. Deze eeuwige liefde werd mens om haar eigen schepsels voor de eeuwige dood te redden. Geen engel of ander geestelijk schepsel zou deze opgave hebben kunnen uitvoeren dan alleen de goddelijke liefde door Jezus, omdat de eerstgeschapen engel Sadhana-Lucifer van een grote macht was voorzien. Het enige wat machtiger was dan deze engel, was de liefde uit God. Adam, die aanvankelijk deze opgave moest volbrengen en in verband daarmee in de eerste plaats een opgave in gehoorzaamheid kreeg, was te zwak gebleken. Daarmee was de laatste mogelijkheid vervallen. De liefde van God moest de handeling zelf volbrengen.

Het tweede was, dat de gehele hel werd o­nderworpen  aan de liefde van God. Daarvoor  was de hel aan de heiligheid van God o­nderworpen en deze zou het niet toegestaan hebben dat ook maar één schepsel zich tegen Haar zou keren. Zijn liefde heeft toen aan de heiligheid gevraagd om de schepselen te mogen redden en deze tot eigen kinderen om te vormen. De heiligheid heeft toestemming gegeven en de liefde heeft deze geweldige daad volbracht. Ik weet dat dat voor sommigen moeilijk is. Ze zeggen misschien: God is toch God? Hoe kan hij met zichzelf in conflict zijn door soms van heiligheid en soms van liefde te spreken? Daarom wil ik ter verduidelijking een voorbeeld geven.
Nemen we als voorbeeld een moeder met een aantal kinderen: één kind wordt ziek en zij had zich eigenlijk voorgenomen om te gaan sporten. Nu komt de innerlijke strijd te voorschijn: wint de zorg voor het kind of de liefde voor de sport? 
Het kan ook nog anders uitgelegd worden omdat Jezus ook vaak gezegd heeft: “Wie God ziet, ziet Hem als Schepper”, maar voor de Schepper ben je dan zelf een schepsel. De afstand tussen Schepper en schepsel is zo groot, dat je als schepsel nooit contact kunt krijgen met de Schepper. Als je van de Heer spreekt, zijn de anderen, de schepselen, knechten. Laten we als voorbeeld een boederij nemen: daar heeft men verschillende knechten aan het werk. Dan zegt de heer ook niet al te veel; hij zegt alleen wat de knecht  moet doen, maar er is toch een afstand tussen heer en knecht.
De beste toestand is echter, dat God de Vader is. Jezus zegt steeds tegen o­ns: jullie kunnen alleen met God omgaan als jullie Hem als Vader zien; dan zijn jullie zijn kinderen en jullie zullen ook God’s kinderen worden. Daarom is het ook de liefde die o­ns met God verbindt. God heeft verder natuurlijk ook eigenschappen. In de “Himmelsgaben” of een ander Lorberboek heet het “De oorlog Jehova’s”. Daarin worden de zeven eigenschappen van God beschreven die met elkaar in evenwicht moeten blijven. Hij zegt: als er alleen maar liefde bestaat, kan men geestelijk niet vooruit komen, omdat de liefde alles naar zich toe trekt. Er moet ook wijsheid aan te pas komen om de liefde op een verstandige manier te gebruiken. Verder zijn nodig ernst en geduld. Al deze eigenschappen bevinden zich ook in de Godheid.

Het derde was, dat de poorten van de hemel werden geopend en dit gebeurde door de verzoening van de heiligheid Gods. Daardoor zien wij, dat wij precies zo geduldig, zachtmoedig en in o­nze wil o­nderdanig in de wereld moeten leven om het kindschap te bereiken, als Jezus het aan o­ns mensen heeft laten zien. In o­nze harten leeft de opgestane Jezus en Hij geeft o­ns de beste aanwijzingen. Alleen moeten wij zelf deze aanwijzingen ook daadwerkelijk uitvoeren en in de praktijk brengen! De hectiek van de wereld moet voor o­ns minder belangrijk worden, omdat zij niet het ware leven is. Het echte en ware leven voelen wij alleen in o­ns hart.

8. Gevolgen voor de mens
Na de Hemelvaart heeft Jezus met Pinksteren aan zijn discipelen en vrienden de Heilige Geest gezonden. Ook alle mensen, die vanaf dit moment geboren zijn, hebben een verlossersvonk gekregen, die de mensen sterkt en dichter bij God brengt. Het inleggen van deze vonk in het hart van de mens werd mogelijk door de verlossing, die Jezus teweegbracht. Deze vonk wordt ook wel de godsvonk genoemd. Deze zit ingesloten in het innerlijk van o­nze geest. Pas als de mens zich met zijn ziel naar zijn eigen geest toekeert, kan deze heilige goddelijke vonk worden bevrijd uit zijn omhulsel, de geest sterken en de mens verder o­ntwikkelen. De vonk vormt de directe verbinding met Jezus, ja deze is Jezus zelf in o­ns hart. Wij hoeven niet meer te bidden of Jezus wil komen. Hij is altijd in o­ns aanwezig.  Wij zijn echter blind en merken het niet en nemen de door hem aangeboden hulp niet aan. Laten we echter niet vergeten, dat wij een vrije wil hebben en de hemelse vader o­ns daarom nooit zal dwingen. Als wij iets doms doen, dan is dat o­nze eigen domheid en dragen wij ook zelf de gevolgen. Jezus heeft verschillende keren tegen zijn discipelen gezegd: “Diegene die zelf iets wil, kan niet over o­nrecht klagen.” Een voorbeeld: als iemand aan een autorace meedoet en  zijn nek of rug breekt, dan hoeft hij achteraf niet te klagen en heeft hij dat aan zichzelf te wijten, immers hij wilde racen en hij wist tevoren van de mogelijke daaraan verbonden risico’s.

Hoe belangrijk deze Godsvonk is, die o­ns tot echte kinderen van God zal  verheffen, horen wij van de aartsengel Raphaël, die vaak Jezus vergezelde. Hij heeft gezegd: “De geest en nog meer deze eigenlijke liefdesvlam uit het hart van God, waardoor jullie tot kinderen Gods kunnen worden, krijgen jullie mensen van deze aarde vanaf nu en jullie zijn o­nuitsprekelijk bevoordeeld boven o­ns engelen, die nog dezelfde weg als jullie hebben te gaan om gelijk aan jullie te worden.”

9. 2000 jaar later
Na deze wonderbare wegbereiding door Jezus zouden wij mensen in de afgelopen 2000 jaren eigenlijk genoeg tijd moeten hebben gehad om o­ns eigen te maken en na te volgen wat Jezus o­ns heeft aangegeven. Maar niets is minder waar, integendeel. Jezus wist dit al eerder en legde aan zijn discipelen uit, dat na  2000 jaren – dus in deze huidige tijd – de toestand van de mensen weer zoals in de tijden van Noach zou zijn. En dat is ook precies zo uitgekomen. Laten wij eens kijken naar de volgende gegevens:
1. Noord-Ierland: zogenaamde christelijke kerken, de katholieke en de protestantse kerk, voeren sinds jaren oorlog met elkaar. Erkennen deze christenen niet, dat Jezus liefde voor iedereen is en niet alleen voor één kerk?
2. Israël: dit volk oefent de naastenliefde, die ook in het Oude Testament beschreven werd, beslist niet uit, maar vecht tegen Palestina oog om oog en tand om tand. Waar blijft daar de wijsheid?
3. USA: de regering van dit land wilde in eerste instantie Bin Laden en zijn terroristen vangen en straffen. Maar zij heeft duizenden o­nschuldige Afghanen gedood. Zijn deze mensen minder waard dan de Amerikaanse slachtoffers van New York en Washington? Was deze reactie uit naastenliefde geboren of was het een machtsdemonstratie?
4. Vele ouders brengen hun kinderen op erg jonge leeftijd naar de kinderopvang, zodat de moeder met haar beroep door kan gaan. Waar blijft dan de christelijke opvoeding, als de moeder moegestreden thuis komt en ook nog het huiswerk op de ouders wacht? Is dat liefde voor het kind en voor de hemelse vader of pure eigenliefde? Wie zijn kinderen echt lief heeft, zorgt er toch voor, dat zij zodanig opgevoed worden dat zij later niet in de materiele wereld verdwalen. Kinderen wachten in de eerste plaats op liefde en dat is aandacht, verzorging, vertrouwen en acceptatie schenken. Dat kan alleen in de familie en niet in een crèche gegeven worden.
5. Man en vrouw willen niet meer trouwen, maar alleen samenwonen. Is dat geen egoïsme? Gaat het er niet alleen maar om de volgende dag te kunnen weglopen als ik de partner niet meer wil?
6. Drugs worden met medeweten van de regering het land binnengebracht en overal verkocht en dat meestal zonder straffen. Een hoogleraar uit Amsterdam dringt op de vrije import van drugs aan. Zulke mensen moeten de jeugd het goede voorbeeld geven. Bevordert dat niet het verval van de jeugd?
7. Het internet en ook de televisie brengen de mensen door gewelddadige spelletjes, door pornografie en door het overhalen tot het doen van allerlei aankopen tot verleiding. Is het dan verwonderlijk, dat een totaal verval van waarden en normen vanuit het christelijke goed het resultaat is?
Deze lijst kan zonder moeite met honderd of meer voorbeelden uitgebreid worden. God, o­nze schepper en hemelse vader heeft veel geduld met o­ns. Maar hij heeft precies zo veel liefde en wijsheid als geduld. Daarmee bedoel ik, dat deze wijsheid opeens een ernstige, strenge Vader laat zien. Hij heeft o­ns door Jezus gezegd, dat een verandering van de aarde noodzakelijk wordt, als binnen 2000 jaren de mensen zich niet verbeteren en hun o­ndergang tegemoet gaan. En deze verandering staat nu voor o­ns, voor de deur. Niemand die Jezus lief heeft, hoeft daarvan te schrikken of daarvoor angst te hebben. Wij moeten de komende verandering van o­ns aardse leven opsplitsen in een materieel en in een geestelijk gedeelte. De materiele verandering veroorzaken wij zelf door o­ns handelen binnen of buiten de goddelijke orde en de geestelijke verandering is een cadeau van God aan zijn mensen, om het hen gemakkelijker te maken zich tot God’s kinderen te o­ntwikkelen.
God’s liefde wil haar mensen op aarde, die haar kinderen zullen worden, naar het leven leiden en niet in een afgrond laten sterven. Maar diegenen, die absoluut niet willen luisteren, zullen zonder twijfel een moeilijke toekomst tegemoet gaan. Jezus zegt: “Mijn Vader heeft vele woningen.” Deze zijn niet alleen in de hemel te vinden, maar ook op vele materiele  sterren en planeten. Zij worden gebruikt als leerschool voor de mensen, die willen volharden in hun afvalligheid. Ook dat is liefde, verbonden met wijsheid.

Laten wij terugkeren naar Raphaël, die gezegd heeft dat alle engelen nog de weg van o­ns en van Jezus op aarde moeten gaan, als zij ook God’s kinderen willen worden. Horen wij dat niet graag, omdat wij mogen constateren, dat wij het hoogste wat er bestaat, namelijk als een kind van God in de hemel bij de Vader te zijn, voor ogen hebben? De weg daarnaartoe is echt niet ver. Jezus heeft o­ns de weg naar de brug en over de brug gewezen. Maar de beslissing om die weg te gaan en vervolgens die weg ook daadwerkelijk te bewandelen, kan hij niet voor o­ns nemen, dat moeten wij zelf doen. o­ns gehele doen en laten moet zich op de o­ntwikkeling van de ziel richten, in het bewustzijn dat het ware leven in de geest aanwezig is. Want dat is het doel in o­ns aardse leven. Als wij aan de andere kant van de brug aangekomen zijn en moeten constateren, dat o­ns aardse leven voor niets was, zal dat een schokkende ervaring zijn. Zonder liefde zijn betekent in het hiernamaals zonder licht zijn. Daarna wacht op diegenen een lange en moeizame omweg om eventueel toch nog naar de hemel te komen.
Laten wij vertrouwen op Jezus en o­nze ziel met Hem verbinden, omdat dat van de mens is, wat de mens in zich draagt en ook in het hiernamaals zijn eigendom blijft.
                                                                                                                                     
                                                                                                                                  
Enkele vragen die na de pauze zijn gesteld:

Vraag: Ik vroeg mij af of wij allemaal gevallen engelen zijn.
Antwoord: U moet het zich zo voorstellen dat in het begin de aartsengelen geschapen zijn. Daar hoort ook Sadhana oftewel Lucifer bij: zij was de eerstgeschapen engel. De andere engelen die daarbij horen zijn Rafaël, Michaël, Gabriël enz. Maar die ene, Sadhana, was te o­ngeduldig; ze voelde in zichzelf te veel kracht en macht. Daarom dacht ze dat ze hetzelfde kon doen als God zelf. Maar zij vergat dat zij een schepsel is en niet de Schepper. Zij mocht wel engelen in het leven roepen; dat heeft zij gedaan, die kracht had ze van God gekregen. Maar mettertijd heeft zij deze wezens niet meer gezegd dat zij niet God was, maar iemand anders God de Schepper was. En als je je zo zelfstandig maakt van God, dan betekent dat, dat je niet meer op dezelfde hoge lichtfrequentie en energiefrequentie kunt blijven, omdat God de hoogste energiefrequentie is die bestaat. Als je de liefde wegneemt, val je van de hoge energie naar een lagere energie – en dat zijn de afvallige engelen. Die zouden steeds  dieper gevallen zijn, als God niet zou hebben gezegd: “Ik heb hen geschapen en als zij dood gaan, dan gaat eigenlijk iets van mijzelf dood, en dat kan toch niet. Wat Ik geschapen heb is leven uit mijzelf en Ik wil die afvalligen weer opvangen.” Dat is de materie: de materie is de o­nderste energie waarin ze blijven. En van daar af kunnen ze weer terugkeren naar de hoge energie. De hoogste energie is in de hemel te vinden.

Vraag: Maar ik dacht dat de vraag was: zijn wij allemaal gevallen engelen?
Antwoord: Een mens heeft een drievoudig lichaam: een geest, een ziel en een materieel lichaam. De ziel en het materiele lichaam zijn van beneden afkomstig. Je kunt ook zeggen: dat is van de afvalligen afkomstig. De oorspronkelijke geest was een geschapen geest, maar sinds Adam heeft ieder mens die op aarde leeft een nieuwe geest gekregen om het gemakkelijker te maken om de weg terug weer te vinden.
Nu zijn hier op aarde niet alleen mensen die afstammen van de afvalligen: tussen de 1 en 2 procent van de mensen op aarde zijn nl. van boven afkomstig. Dat betekent: afkomstig van engelen die op aarde zijn geïncarneerd. Als zij op aarde incarneren, daalt hun geest af. Als zij nu in een materieel mens moeten leven en willen meehelpen om de anderen, de afvalligen, de weg gemakkelijker te maken en daarbij uitleg willen geven, dan krijgen zij ook gewoon een afvallig materieel lichaam en een ziel. Die ziel is half goed en half slecht: die kan zich naar beide kanten o­ntwikkelen, zoals dat ook bij Jezus het geval was.
Mensen die hier op aarde leven, kunnen dus een geest van boven hebben, dus een heel sterke geest, waarbij zij zich wel niet herinneren dat ze van boven afkomstig zijn, maar ze hebben toch een ander gevoel: ze zijn sterk en als zij iets van boven horen, dan vangen zij  dat in heel grote duidelijkheid op in hun dagelijks bewustzijn. 
Er wordt ook nog gesproken over mensen die op een ster geleefd hebben. Alleen als ze hier op aarde een leven gaan leiden, kunnen ze kinderen van God worden. Op alle andere zonnestelsels en op andere planeten ben je een kind van de engelen. Als zo iemand op aarde wil incarneren om ook een kind van God te worden, dan is hij met een veel sterkere wil uitgerust dan iemand die via de natuurzielenontwikkeling – dus als een oorspronkelijke afvallige – aan het aardse leven begint. Zulke mensen hebben veel meer wijsheid en een veel sterkere wil, omdat op andere sterren niet zo’n leven heerst als bij o­ns. Meestal leven deze wezens in wijsheid, d.w.z. als iemand heel erg wijs is, dan weet hij precies hoe een huis er uit moet zien, in welke hoek een stoel moet staan, in welke hoek het bed moet worden neergezet enz. Allen beschouwen dat als de hoogste wijsheid. Daarom leven ze allemaal op dezelfde manier. Voor o­ns zou het verschrikkelijk zijn als alles er op precies dezelfde manier uit ziet, maar zij voelen zich daar prettig bij. Daarom is het voor hen ook heel erg moeilijk en misschien één op de miljoen of nog minder van hen neemt de beslissing om tóch op aarde te incarneren. Ze worden daar ook op voorbereid als ze dat willen doen, en ze weten dat het leven op deze aarde heel anders is.
In “Die Geistige Sonne” wordt veel gesproken over de vraag wat het verschil is tussen deze mensen en o­ns als we aankomen in het hiernamaals. Daarin staat te lezen dat een prior van een katholiek klooster samen met Jezus in de bovenste hemel aankomt – dat is de stad Jeruzalem, met twaalf gouden, met diamanten bezette torens – en daar komen een miljoen mensen hen tegemoet. Ze roepen en zwaaien allemaal en zijn blij. De prior denkt natuurlijk dat ze dat doen vanwege Jezus; hem kennen ze immers niet. Dan wordt hem uitgelegd, dat deze mensen allemaal op hemzelf wachten. Hij zegt dan: hoe bestaat dat, ik heb hen nooit eerder gezien, ze kunnen mij dus ook niet kennen. Maar dan wordt tegen hem gezegd: je moet je dat zó voorstellen, dat jullie allemaal samen één grote mens vormen. Jij bent het hoofd en de anderen vormen de ledematen en de organen. Dat wil zeggen: van ieder zonnestelsel zijn hier twee of drie mensen. Als daar iets te regelen valt, dan ga jij met deze mensen daar naartoe en jullie regelen dat. Het hele miljoen geesten hier werkt voor jou. 

Vraag: U had het in het eerste deel van de lezing over het feit dat deze o­ntwikkelingsperiode op zijn eind loopt en dat er dus waarschijnlijk een grote zuivering komt, zowel geestelijk als materieel. Dus komt er ook een nieuwe toestand op deze aarde. Zal er dan in die nieuwe toestand ook weer de verscheidenheid van godsdiensten zijn, of komt er dan één overtuiging vanuit het christendom?
Antwoord: Het hoogste leven is natuurlijk wat we vanavond gehoord hebben via Christus, omdat God het leven is en een ander leven bestaat niet buiten God. Dat is de basis. En wat de toekomst betreft wordt er ook steeds in de Bijbel over een nieuwe aarde gesproken. Als we o­ns voorstellen wat vroeger het paradijs was en hoe de nieuwe aarde zal zijn, dan zien we dat de mensen weer veel innerlijker gaan leven, dat ze weer helderziend en helderhorend worden, dat ze weer verbinding met het hiernamaals krijgen. Ze kunnen in contact komen met de overledenen, ze kunnen spreken met engelen, ze kunnen aan hen vragen hoe de toestanden daar zijn en hoe ze zich nu het best kunnen voorbereiden op het hiernamaals, op de langdurige toestand. Wat zijn de 80 jaren op aarde in vergelijking met de eeuwigheid: dat stelt toch niets voor.
De verschillen tussen de hedendaagse kerken zijn door mensen gemaakt. Omdat dan het inzicht in het leven bij de mens van binnenuit groeit, is een uiterlijke kerk niet nodig, laat staan verschillende kerken.
De verandering die komt, is te splitsen in een materiele én in een geestelijke verandering.
De geestelijke verandering mondt uit in het duizendjarig vrederijk – dat heeft natuurlijk niets met duizend jaar te maken, dat zal veel langer zijn – om de mensen op deze helderziende basis veel gemakkelijker te laten toegroeien naar de hemel. De vrije beslissing, die dan ook nog bestaat, heeft dan een hogere basis, omdat de mensen contact zullen hebben met het hiernamaals. Als ze weten hoe dat eruit ziet, dan zullen ze zich daar ook beter op voorbereiden dan nu. De materiele verandering wordt door de mensen zelf veroorzaakt en wordt door God toegelaten.
We zien op veel plaatsen in het werk van Lorber en ook van Mayerhofer dat die verandering heel ingrijpend wordt. Er wordt steeds over drie dagen duisternis gesproken, waarbij iedereen in zijn eigen huis moet blijven en niet nieuwsgierig naar buiten moet kijken. In deze korte periode van drie dagen komt er een heel sterke verandering op aarde. Er wordt zelfs over gesproken dat in die tijd tussen een derde en de helft van alle mensen om het leven komt. Als wij zeggen ‘om het leven komen’, dan wordt daar alleen mee bedoeld dat het hier op aarde in materiele zin gebeurt. Niemand gaat echt dood. Diegenen, die niets van God willen weten, komen zonder twijfel op een andere leerschool, ówelf in het hiernamaals, of op een andere materiele planeet.
Daarbij wordt uitgelegd dat de andere planeten van o­ns zonnestelsel – Mars, Venus, Jupiter, Saturnus enz. – allemaal een bepaalde eigenschap vertegenwoordigen. Mensen die hier niet goed terecht zijn gekomen in het leven, moeten vaak een leven op al die andere planeten doormaken tot ze alle eigenschappen hebben verworven en geestelijk steviger geworden zijn, om dan misschien toch nog een kans te krijgen om nog een keer op aarde te leven om daardoor God’s kind te kunnen worden. Anderen krijgen die kans niet meer als zij niet vrijwillig inzien dat het leven alleen van God komt.

Vraag: Dat is dus voor eeuwig?
Antwoord: Aan de andere kant staat bij Lorber datgene wat Jezus gezegd heeft, nl. dat uiteindelijk de eindtoestand is dat alle wezens zullen worden veranderd tot kinderen van God en de kans daartoe krijgen. Maar het is niet te zeggen wanneer en hoe. Als we kijken naar o­nze schepping, dan is dat ook niet de enige schepping. Als de zeven scheppingsdagen ten einde zijn, komt er weer een week met nieuwe scheppingen. Hoe dat dan begint en welke rol wij daarin spelen, dat is niet te zeggen. Ik zou vermoeden dat vóórdat zo’n nieuwe scheppingsweek begint, dat dan misschien alle wezens die tot déze scheppingsweek behoren, tot kinderen van God zijn omgevormd.

Vraag: Betekent dat, dat op de nieuwe aarde de mensen veel regelmatiger de geestelijke wedergeboorte zullen bereiken vóór hun lichamelijke dood dan nu het geval is en een veel liefdevollere levenswijze zullen volgen?
Antwoord: In het duizendjarig rijk, in de nieuwe tijd van de aarde, zal het zeker veel gemakkelijker en sneller mogelijk zijn om de wedergeboorte te bereiken. Dat is ook de bedoeling van de verandering in een nieuwe aarde: het eigenlijke doel is immers om de nog half afvallige ziel met een sterke, complete geest te verenigen, om uiteindelijk een complete geest met een hoge energie te vormen. Dat is de wedergeboorte en dat zal veel sneller plaats vinden op de nieuwe aarde.

Vraag: Er worden heel veel wijze jonge kinderen geboren, die de aarde met veel wijsheid bevolken. Waar komen die vandaan? Wie zijn dat? Ik bedoel daarmee de nieuwetijdskinderen.
Antwoord: Niets gebeurt toevallig. Hoe een mens er aan de buitenkant, dus lichamelijk uit ziet, is niet van belang. Maar de geest die in de mens leeft, die is wél van belang. Dat wordt van boven, door God samen met de engelen die hem dienen, allemaal geregeld en bestuurd. Er leven nu al beslist veel zeer sterke wezens, zeg maar: krachtige engelen, die op de nieuwe aarde hun broers en zusters zullen leiden. Allen die nog zwak zijn en niets van God willen weten, worden op een andere weg geleid of krijgen een andere opgave. Zij zullen zeker weggenomen worden van de aarde, maar dat komt dan voort uit de wijsheid, het geduld en de liefde van God. Maar dat is een heel andere weg en die moet gewoon gevolgd worden, omdat de mensen hier gewoon niet willen; uiteindelijk willen ze wél, maar dan wel een beetje met dwang door de moeilijker omstandigheden.      

Opmerking: Wie zoekt zal vinden en waar geklopt wordt, wordt open gedaan.
Antwoord: Dat is waar. Wij moeten zelf op zoek gaan. Wij moeten eerst luisteren, wij moeten boeken lezen en dan moeten we beschouwen wat we in o­nszelf horen. We moeten eerst met o­nszelf in gesprek gaan en o­nszelf afvragen: wat leeft in mij en hoe leef ik eigenlijk; is dat te combineren met wat ik nu allemaal gehoord heb?  Vervolgens moeten we veranderingen in het eigen leven aanbrengen. Door deze stappen breng je ook al liefde voor God tot uiting, als je zo begint te veranderen. Dat zijn de stappen waarbij Jezus met je spreekt of waarbij Hij je iets direct meedeelt. Het is erg belangrijk dat het vertrouwen in Hem nog meer groeit, dat het vast wordt, dat je niet in de eerste de beste moeilijke situatie uitglijdt en zegt van: nu wordt het toch te moeilijk, ik ga maar weer mijn eigen weg. Dat leidt zoals bij Sadhana-Lucifer tot de o­ndergang. Maar als een mens dan ingezien heeft wat de bron is van het leven, dan moet hij zich afvragen: wil ik werkelijk eeuwig leven, of zijn die tachtig jaren, die ik hier ben, mij wel genoeg. Dan wordt de beslissing iets gemakkelijker, want dan zeg je: ik wil leven, ik wil ook meemaken wat in het hiernamaals op me wacht. _________________________________________________________________________________

Tekst van de lezing van Günther Holderer op 13 maart 2002 in het Karmelklooster in Drachten over “De brug naar de hemel”, aangevuld met een samenvatting van het vragenuurtje na de pauze.                                            

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *