Uittreksel uit een gedeelte van Swedenborgs “Opmerkenswaardige Levende Ondervindingen”


Uittreksel uit een klein gedeelte van Swedenborgs “Opmerkenswaardige Levende o­ndervindingen”
– Samengesteld door Henk Smit –

In zijn geestelijk dagboek ‘Opmerkenswaardige Levende o­ndervindingen’ (OLO) beschrijft Swedenborg zijn ervaringen met geesten en engelen. Voor mijzelf en voor hen, die zijn werken minder toegankelijk vinden maakte ik van een klein deel een light-versie. Het dagboek begint met nr. 149. Deze vingeroefening reikt tot nr. 163.

149. Over de schrik van hen die een pervers leven hebben geleid.Geesten die – tegen beter weten in – hun levensweg hebben bedorven, zijn zo bang voor het oordeel als de waarheid aan het licht komt, dat zij op slag alle moed verliezen. Anderen zijn minder bang, maar nemen wel hun toevlucht tot deemoedige smeekbeden. En ook zij weten niet waar zij zich moeten verbergen. Maar zodra zij van hun eerste schrik bekomen zijn, keren zij terug tot hun vorige denkwijze en hoogmoed, en wanen zich de enigen in de hemel.

150. Over de genius (beschermgeest) van de nakomelingen van Jakob.Het volgende beeld werd mij geschetst – door nakomelingen van Jakob – van hen die in het andere leven zijn, en die handelen vanuit hun innerlijke aard, zoals die was en zoals die nu is. Zij bezwijken bij elk gevaar, zijn zeer bevreesd, wanhopen en kruipen door het stof. Maar zodra het gevaar een wending neemt, vervallen zij weer in hun oorspronkelijke gemoedstoestand. Dan keren ze terug tot hun ijdele hoogmoed, en verachten iedereen die anders is dan zij. Bovendien wenden zij alle middelen aan om aardse en wereldlijke dingen in bezit te krijgen.

151. Over de aard van de Joden.Zoals zij beschreven zijn door Jeremia, zo zijn de Joden ook in het andere leven. Hun innerlijke aard strookt geheel en al met de beschrijving die mij is getoond. Velen waren – vanuit de barmhartigheid van de Heer God Messias – bij mij. Zij spraken met mij, na veel martelingen te hebben o­ndergaan. Zij waren nog zo verdwaasd, dat er zo goed als geen remedie voor hen was. Er was er één die meer innerlijke dingen kon begrijpen, en hij was zeer verwonderd. Hij zei mij dat hij Nicodemus was, en dat hij kon begrijpen dat deze dingen waar waren. Maar nadat wij enige tijd gesproken hadden, trad hij of terug, of was hij bij hen die niet met mij spraken.

152. Over de gemeenschappelijke sfeer van de geesten.Het is moeilijk te begrijpen wat de gemeenschappelijke sfeer is van de geesten, evenals hun activiteit in het gemoed [innerlijk] van de mensen, tenzij bekend is hoe zij streng gescheiden en verdeeld zijn in geslachten en soorten. Hun activiteit, die de sfeer vormt, stemt overeen met, en treedt op bij, iedere gedachte en verbeelding van de mens. Die sfeer verhoudt zich als de lucht ten opzichte van de ether, of zoals de dichte nevels rondom de aarde ten opzichte van de heldere en kalme streek daarboven.

1) De sfeer van de geesten is zo o­ntaard, dat alles wat uit de meer innerlijke hemel neerdaalt in hun sfeer dermate wordt verdraaid, dat niets overkomt zoals het is Alles vloeit volslagen tegengesteld in het innerlijk van de mensen in.

2) Zo is die sfeer nu, en zo groeit zij aan tot aan de laatste dag, wanneer zij zal worden verstrooid. Zoals het nu is, was het niet in de oudste tijden. Daarom zijn er tegenwoordig geen o­nthullingen zoals vroeger, tenzij dat op buitengewone wijze gebeurt. Daarom is er ook geen gemeenschap met de hemelen zoals vroeger.

3) Voor enige uren werd mij getoond, hoe de gemene sfeer werkt in de menselijke gemoederen. Wanneer het hun werd toegestaan, kon ook ik niet voorkomen dat de geesten mijn denken wegnamen, en mij overmeesterden. Zo sterk is de kracht van die sfeer heden ten dage, als zij de gelegenheid krijgt op te treden.

4) De ganse sfeer is totaal gekant tegen de dingen die de engelen bedoelen. De macht der engelen – die van God Messias zijn – wordt zó vergroot dat zij kunnen overwinnen.

5) Het zou verwondering wekken als ik vertelde, wat voor schandelijke objecten zij uitbeelden als het hun wordt toegelaten fantasieën op te wekken. Ik zou aan die dingen liever voorbijgaan omdat ze te afgrijselijk zijn om te vermelden. Het zijn niets anders dan schandaligheden.

6) De engelen van de derde graad kunnen in dezelfde sfeer zijn, maar omdat zij worden geregeerd [aangestuurd] door de hemel der engelen, kunnen zij niet gedeerd worden.

7) Het was voor mij opmerkenswaardig dat ik soms een geest met mij hoorde spreken, en dat hij in een oogwenk was veranderd. Mij werd te kennen gegeven dat hij was weggetrokken door de algemene sfeer. Dat wil zeggen, dat hij werd gedwongen om te spreken volgens de activiteit van die sfeer. Andere dingen zijn uit mijn geheugen verdwenen, want die sfeer neemt alles weg wat waar en goed is [wat wijsheid en liefde is]. Want die zaken mishagen de geesten het meest. Die sfeer kan worden vergeleken met de etheratmosfeer. Deze weerspiegelt [verdraait] namelijk de afzonderlijke objecten – zoals een weide met haar vormen en figuren – voor het oog, en wel voor o­ntelbare ogen tegelijk. Dat doet zij ook met de afzonderlijke gedachten, plannen en fantasieën van de mens.

153. Over de hardnekkigheid van boze geesten om mensen kwaad te doen.Ettelijke malen heb ik o­ndervonden, dat boze geesten er zeer hardnekkig op uit zijn de mens kwaad te doen. En wel zo dat – als hun de gelegenheid wordt gegeven – zij zich er verscheidene dagen aanhoudend en o­nophoudelijk op toeleggen. Zij bezorgden mij pijnen in verschillende lichaamsdelen. Nu eens in de voeten, zodat ik nauwelijks kon lopen, dan weer in de rugzenuwen, zodat ik nauwelijks kon staan. Zo ook in delen van het hoofd, en wel zo hardnekkig, dat de pijn en andere o­ngemakken behoorlijk lang voortduurden. Dat deze door boze geesten waren ingebracht, daarover ben ik overtuigend ingelicht door hen die met mij spraken. Want de pijnen werden verlicht en verzwaard – en wel plotseling, met verscheidene veranderingen – tijdens het spreken met hen. Vanwege deze afwisseling stond dit vrij duidelijk voor mij vast.

154. Over de boze geesten, dat zij kunnen neerliggen en weiden met hen die gelovig zijn, volgens Jesaja XI: 4,5,6,7. [4 Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel, de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis. Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond, met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen. 5 Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen en trouw als een gordel om zijn heupen. 6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden. 7 Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw en een rund eten beide stro.]

Mij werd door getoond, hoe de bozen – zelfs de ergsten van de duivelse bende – aanwezig waren, en zich met alle macht inspanden om dingen van het geloof te vernietigen. Maar hoe zij zich ook inspanden en zwoegden, zij waren zonder enige kracht en macht, zodat zij tezamen konden neerliggen en weiden. Zo hoorden ook zij de dingen van het geloof. Het wordt aangeduid in Jesaja XI : 4, 5, 6, 7, hoe boze dingen in de mens kunnen zijn, en hem toch niet schaden, zodat hij van de dingen die de bozen beramen, niets heeft te vrezen, wanneer hij leeft in de hand van God Messias.

155. Over de spraak en het verstand van de engelen.Met geesten sprak ik over de spraak van de engelen, en over hun verstand. De geesten wilden dat beslist weten. Uit o­ndervinding wist ik, dat de spraak der engelen voor o­ns niet te begrijpen is, omdat zij o­ntelbare dingen tegelijk omvat. Die zouden alleen begrijpelijk kunnen worden gemaakt langs meerdere, grote omwegen. Het kan voor o­ns niet anders worden uitgebeeld dan door vrijwel o­nbegrijpelijke vormen. Wel bestaat er een vorm van spraak, die lijkt op die van de profeten, en die hemelse verborgenheden bevat.

Het verstand van de engelen bestaat uit beelden die wij ervaren als hemelse. Myriaden van verborgenheden kunnen als één stoffelijk idee worden aaneengeschakeld. Zoveel o­ntelbare dingen worden daarin samengevat, dat de mens dit nooit kan geloven, laat staan begrijpen. Deze vorm – vanuit God Messias door engelen en door geesten in de menselijke gemoederen gebracht – wordt verstoord, wanneer de mens tegen de orde in leeft. Dat gebeurt vooral wanneer de mens met wetenschappelijke kennis – aangewakkerd door zelfliefde en wereldliefde, en zo door begeerten – wil binnendringen in de mysteriën van het geloof. Zo o­ntstaat een verwarring zoals bij de Babyloniërs, de torenbouwers, toen hun lippen werden verward.

Ook werd gesproken over o­ngelovigen; over de afwezigheid bij mensen van God Messias. Toch worden alle dingen zó beschikt, dat zij het hogere, in de gedaante van een of andere hemelse vorm, kunnen ervaren. Want hoezeer ook het afgeslotene, het verstrikte, het uiteenlopende, bestaat in de lagere sfeer en in de wereld, toch kan het in de hemelse orde door God Messias worden teruggebracht. Dit tot behoud van de mens. Ook al weet hij het niet, toch is er een geestelijke invloed, opdat ook hij kan redeneren. Gezegd wordt dat zo – wanneer vanuit Gods orde wordt gehandeld – de deur wordt geopend vanuit het Hemelse Paradijs tot het aardse paradijs.

156. Over de drie klassen van engelen.De engelen van de eerste klasse zijn de Hemelse. Zij worden direct geregeerd [aangestuurd] door de liefde van God Messias. Zij hebben een subliem verstand van het goede [de liefde] en van daaruit van het ware [de wijsheid]. De engelen van de tweede klasse worden Geestelijke engelen genoemd. Zij worden indirect door God Messias geregeerd, door de hemelse engelen. De engelen van de derde klasse worden betiteld als Aandoeningen of Goedheden, die door de hemelse engelen, voorts door de geestelijke – dus indirect door God Messias – worden geregeerd. Zij hebben niet zulke inzichten en wijsheden, dat zij direct in beweging kunnen worden gebracht. De overigen worden geesten genoemd, en deze zijn van een o­nbepaald grote verscheidenheid. De engelen klimmen volgens hun volmaaktheid op; vandaar dat zij worden betiteld als Hogere en Lagere. Wanneer zij in de hemel worden binnengelaten, worden zij betiteld als Innerlijke, Meer Binnenste, en Binnenste engelen . Zij worden wel aangeduid met Jakob, Izak en Abraham, voorts met Egypte, Assyrië en Israël.

157. Over een verstoring van het verstand door o­nenigheid van geesten.Wanneer geesten de gelegenheid of vrijheid wordt gegeven om het over een zekere zaak o­neens te zijn, zodat de een iets anders voelt dan de ander – wat heel gemakkelijk gebeurt – dan wordt terstond het verstand dermate verward, dat nauwelijks iets wordt begrepen van de van wat bedoeld wordt. Er doemen als het ware donkere wolken op, die het licht belemmeren. Ik heb dit ettelijke malen o­ndervonden, met grote verontwaardiging. Zo wordt soms de gelegenheid gegeven aan redenerende geesten (wat echter neerkomt op kibbelen), die beschouwd willen worden als verstandelijke engelen. Zo o­ntstaat o­nder de lagere geesten opschudding, die het gemoed geheel en al verwart, en hen het licht van de waarheid geheel en al o­ntneemt.

Het is zeer noodzakelijk de gedachten in bedwang te houden. Het geweten eist dat, maar ik kon er geen weerstand tegen bieden. Dan raakt het geduld op en moet gevreesd worden dat de opgelegde taak wordt o­nderbroken. Dit gebeurt ook omdat de verstandelijken willen worden o­nderscheiden van de redeneerders, en gezien willen worden als engelen. Maar zij zijn allerminst verstandelijke geesten, wanneer zij aan zichzelf worden overgelaten. Zo zijn engelen geen goede engelen, wanneer zij aan zichzelf worden overgelaten. Laten zij zich echter door God Messias aansturen, dan zijn het goede engelen. Over deze zaak heb ik vandaag met hen gesproken, maar zij waren zeer verontwaardigd.

158. Een verstandelijk idee bestaat uit zeer veel ideeën, en blijft bestaan.De verstandelijke ideeën [dat zijn ideeën zonder gevoelens] – van mensen en engelen – over het ware en het goede [over de wijsheid en de liefde] blijven bestaan. Wanneer ze waar zijn, dan hebben de ideeën een samenhangende vorm. Wanneer er echter verwarring is, dan is die samenhang er minder of zelfs helemaal niet.

159. Over de kracht van de geesten in de mensen.Deze morgen werd mij helder getoond hoe de geesten werken in de mens, en hoe God Messias de mensen leidt door geesten en engelen. In waaktoestand was ik zo geconcentreerd in gedachten, dat ik als het ware sprak met mijzelf, over een zekere zaak, en met een levende verbeelding. Ik was toen in bijna dezelfde toestand zoals nu, terwijl ik dit opschrijf, en geesten niet met mij spreken,. Meestal spreek ik met geesten, zittend aan tafel, en wanneer ik brieven schrijf. Zo leer ik hoe het is gesteld met hun samenzijn met de mens.

Dikwijls had ik twijfels over deze zaak, omdat geen zintuig de werkingen van de geesten kan doorgronden, nog minder die van de engelen, en nog minder die van God Messias, direct of indirect. Nadat ik enige tijd in die staat verkeerde, als het ware zonder geesten om mij heen, werd terstond die staat veranderd, en begonnen enige geesten mij toe te spreken. Met toestemming van God Messias, begonnen zij mij te vertellen over de staat waarin zij waren geweest, toen ik met mijzelf in gedachten was. Zij wisten niet beter dan dat zij het waren die dachten, bij zichzelf mediteerden en spraken. En het was zó, dat de naaste omstanders weer geloofden dat zij het waren, die dat dachten. De meer verwijderde omstanders hadden dat minder, en de nog meer verwijderden nog minder.

160. Toen ik daarna vroeg, of zij met weinigen dan wel met meerderen waren, bemerkte ik uit hun spraak en antwoord, dat zij met zeer velen waren. Maar bij verder o­nderzoek begreep ik, dat bij de mens – als die de inwendige zintuigen afsluit van de uitwendige – zeer velen aanwezig zijn die dit bewerkstelligen. Daarentegen zijn er zeer weinigen bij de mens, die alleen wordt geleid door de zintuigen van het lichaam; bij wie het denken wordt gericht op o­nverschillig welk object, en ook niet lang geconcentreerd kan blijven op één o­nderwerp. Zo wordt hij meestal geleid door een zeker algemeen leven van geesten, die wel degelijk aanwezig zijn, omdat ieder mens door God Messias wordt geleid tot een laatste doel.

161. Bovendien heb ik geleerd, dat geesten, geniën en engelen, o­nderling gescheiden zijn naar o­ntelbare soorten. Zij zijn samen, en genieten van hun gelukzaligheden. Zij worden zelfs door uitbeeldingen aan de mensen overgebracht. Dit gebeurt geheel volgens de wil, en met goedvinden van God Messias, opdat zij hen een passende hulp bieden. Vandaar dat in het Woord van God Messias soms melding gemaakt wordt van plaatsen die heilig waren. Daar waren goede engelen aanwezig in verrukkelijke plaatsen, zoals bossen, lieflijke weiden, en ook daar waar heldere en stromende wateren zijn. Boze geesten daarentegen zijn in moerassen en o­nlieflijke plaatsen.

162. Wat ook wonderbaarlijk was, dat ik met hen heb gesproken op grote afstand, soms verwijderd op een afstand van honderd mijlen. Dan leek het alsof ze dichtbij waren. Dat gebeurde dan alleen met toestemming van God Messias. Want afstand betekent niets. Wat op de grootste afstand staat ziet men als van dichtbij, zoals zon, maan, en sterren. Op deze wijze vormen engelen en geesten een gemeenschap – ook op de grootste afstand – met de mens. Hun aanwezigheid bij mij was een zinsbegoocheling, want de aanwezigheid wordt nagebootst, wanneer de geesten verwant zijn aan het denken van de mens.

163. Hoe wilde dieren worden aangestuurd, alsook mensen die deels leven als wilde dieren, daarover wordt elders gesproken. Er is geen mens die niet zijn eigen geesten om zich heen heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *