Boeken lezen en zoeken

Tekst:   Boek:Hfs:

16 resultaten - Pagina 1 van 2

1 - 2
[7] Ik wil nu een belangrijke vraag stellen en die luidt: was deze aarde ten tijde van Adam hier en daar nog bewoond door die eerdere mensen, en is dat geslacht soms ook ergens op bepaalde plaatsen op aarde tot in onze tijd blijven bestaan, en zal het wellicht ook nog langer blijven bestaan? En hoe kwamen de botresten van de prehistorische dieren zelfs onder de grondvesten van de bergen, evenals de reusachtige overblijfselen van de pre-adamieten?
Hoofdstuk 69: Marcus vraagt naar de geschiedenis van de aarde - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[3] Dit soort mensen zullen daar, waar ze nu zijn, nog lang voortbestaan en zich voortplanten en geleidelijk aan ook nog meer beschaving opnemen van de Adamieten, maar daarbij toch nooit een groot volk worden. -Dat zijn nu de pre-adamieten uit de vijfde voorbereidende ontwikkelingsperiode van de aarde.
Hoofdstuk 73: De twee laatste ontwikkelingsperioden van de aarde - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[4] De Romein Marcus zei: 'Heer en Meester! Hoewel de genoemde pre-adamieten slechts met een instinctachtige intelligentie en maar weinig vrije wil begiftigd waren, hadden ze toch ook zielen, die als zodanig niet sterfelijk maar misschien wel veranderlijk kunnen zijn. Hoe is het nu met deze zielen gesteld? Waar en wat zijn ze nu in deze zesde periode van de aarde, en wat zal er wellicht verder nog van hen worden? Men zou natuurlijk kunnen zeggen dat deze vraag te ver gaat en verwerpelijk is; maar omdat ik nog steeds een weetgierige Romein en geen slaperige jood ben, vraag ik U mij deze vraag ook nog ten goede te houden en mij er een kort antwoord op te geven!'
Hoofdstuk 74: De zielsontwikkeling van de pre-adamieten (16.1.1861) - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[5] Ik zei: 'O ja, waarom zou Ik dat niet doen? We hebben daar immers nog tijd genoeg voor, je kunt dus rustig naar Mij luisteren! Kijk! Als zelfs de zielen van stenen, planten en dieren voortleven en in de toestand, waarin ze vrij zijn van de materie, laten we zeggen, al in menselijke zielen kunnen overgaan door zich met elkaar te verenigen, en vervolgens in het lichaam van een mens tot ware mensen kunnen worden, dan zullen de zielen van de pre-adamieten toch ook een verder leven hebben, zoals ook de zielen van de mensen van alle andere werelden in de eindeloze scheppingsruimte eeuwig voortleven.
Hoofdstuk 74: De zielsontwikkeling van de pre-adamieten (16.1.1861) - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[8] Was in de tijd van de pre-adamieten deze aarde ook al dat bepaalde levenskamertje in het hart van de Grote Scheppingsmens?'
Hoofdstuk 74: De zielsontwikkeling van de pre-adamieten (16.1.1861) - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[2] Maar toch moet je innerlijke geest reeds lang van tevoren bestaan hebben, opdat hij als een onzichtbare getuige bij al mijn handelingen, die hem misschien om voor mij onbekende redenen nader aangaan, aanwezig kon zijn. Alleen op die manier kan ik mij jouw volledige kennis en volledige inzicht in al mijn levensomstandigheden een beetje voorstellen! Weliswaar was je van de levensomstandigheden van Aziona even goed op de hoogte als van de mijne. Maar dat maakt nu niet bepaald veel verschil; want jij, als een nog zuivere oergeest, hebt je alziende geestelijke ogen zeker zowel op hem als ook op mij gericht! Een pre-existentie van je innerlijke geest valt zodoende niet gemakkelijk meer te ontkennen, en ook niet het gelijktijdig bestaan ervan met je lichaam; maar hoe ziet het er nu uit met het voortbestaan van die geest na het lichamelijk leven? Dat lijkt tot nu toe nog geheel vergrendeld te zijn!"
Hoofdstuk 184: Het bestaan van de menselijke ziel vóór het lichamelijke leven en erná - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 5)
[3] JOHANNES zegt: 'Veel minder dan voor het bestaan vóór dit leven! Zeker, er is ook wel sprake van een pré-existentie, maar die is niet zo vrij, individueel, als het bestaan na dit leven; want opdat het geestelijk bestaan met voortdurend zeer sterk gebonden blijft aan en in de oergeest van de eeuwige en oneindige Godheid, heeft de Godheid Zelf de materie geplaatst tussen Zichzelf en de geest die mens moet worden, opdat de oorspronkelijk goddelijke mensengeest, als hij een godgelijke zelfstandigheid wil bereiken, uit de meer etherische delen van de ziel een op hemzelf gelijkend wezen maakt, het met een substantiële, maar toch ook geestelijk intelligente ziel tot leven brengt, en deze ziel dan ongemerkt verder ontwikkelt in de grootst mogelijke vrijheid van haar wil. En wanneer deze ziel dan in alle goede kennis en de werkzaamheid die het gevolg daarvan is, zo zeer is gegroeid, dat zij op haar oergoddelijke geest is gaan lijken, -hoofdzakelijk door de ware kennis van de enig ware, eeuwige God, in de liefde tot Hem en daardoor ook tot de naaste -en daarbij vol deemoed, geduld en bescheidenheid is, dan vindt er een voor alle eeuwigheden onscheidbare eenwording plaats van de ziel met haar oereeuwige geest.
Hoofdstuk 184: Het bestaan van de menselijke ziel vóór het lichamelijke leven en erná - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 5)
[4] Pas toen de aarde steeds humusrijker werd en vaak voorkomende enorme inwendige vuuruitbarstingen de hard geworden zeebodem op talloze plaatsen met geweld naar boven stuwden, waardoor lange uitgestrekte bergketens ontstonden en er ook door andere machtige stormen in de lucht en op het water grotere droge gebieden met een rijkere plantengroei ontstonden, konden er tenslotte volmaaktere en met meer intelligentie begaafde wezens een bestaan vinden. Toen pas werden zij, de creatuurlijke mensen**, (** Duits: die geschoptlichen Menschen -bedoeld worden hier de pre-adamitische mensen.) in het individuele leven geroepen door de hoogst wijze, eeuwige en almachtige geest van God.
Hoofdstuk 198: De oergeschiedenis van de levende wezens op aarde - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 5)
[12] Bij deze vijfde periode waren er wel meer dan duizendmaal duizend jaar nodig, voordat alle gunstig gelegen delen van de aardbodem volledig geschikt waren voor een nieuwe schepping van een groot aantal van de meest uiteenlopende planten, zoals grassen, kruiden, struiken en bomen, en vervolgens ook voor allerlei dieren en pre-adamitische mensen.
Hoofdstuk 72: De ontwikkeling van de aarde tot aan de pre-adamieten - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[16] Alleen vuur maken en het gebruiken, dat kunnen ze niet; als ze echter hadden kunnen zien hoe de Adamieten het later* ('Later' is toegevoegd. (Noot van de uitgever) ) deden, zouden ze het hun hebben nagedaan, omdat bij hen de drang tot nabootsen een grote rol speelt en hun intelligentie met een bepaalde mate van vrije wil al ver uitsteekt boven de intelligentie van een aap, hoe volmaakt die ook is. Ze zouden dus ook op onze manier kunnen leren spreken, maar nooit uit zichzelf wijze woorden kunnen bedenken.
Hoofdstuk 72: De ontwikkeling van de aarde tot aan de pre-adamieten - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[1] (De Heer:) 'In de tijd van Adam, waarmee de zesde periode begint moest de aarde weer voor een deel grote veranderingen door vuur en water doormaken, en bij die gelegenheid ging het beschreven pre-adamitische geslacht samen met hun huisdieren nagenoeg helemaal ten onder, evenals de vele bossen en andere dieren daarin, die niet tot de huisdieren gerekend kunnen worden; slechts enkele vogelsoorten bleven bestaan, evenals de dieren op de bergen en in de wateren van de aarde.
Hoofdstuk 73: De twee laatste ontwikkelingsperioden van de aarde - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[2] Hier en daar bleven de beschreven prehistorische mensen nog wel bestaan, maar slechts weinig in getal, en leefden met de Adamieten tot in de tijd van Noach in Azië; ze gingen echter langzamerhand achteruit omdat ze niet voldoende voedsel meer vonden dat geschikt voor hen was. Maar in enkele gebieden diep in zuidelijk Afrika en op enkele grotere eilanden van de uitgestrekte aarde kunnen nog enkele verkommerde nakomelingen van de vijfde periode aangetroffen worden. Ze zijn echter nog helemaal wild; alleen hebben ze zich van de nakomelingen van Kaïn toch hier en daar een wat hogere beschaving eigen gemaakt. Ze kunnen getraind worden voor verschillende soorten werk, maar in de grond van de zaak toch niets uit zichzelf bedenken. Met een deel van hen is het wat beter gesteld, omdat zij uit een vermenging met de Kaïnieten en later ook de Lamechieten voortkwamen; maar ook zij zijn niet geschikt voor een hogere en diepere geestelijke ontwikkeling.
Hoofdstuk 73: De twee laatste ontwikkelingsperioden van de aarde - Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 8)
[16] 'Waarde vriend, al wat U mij nu vertelt -maar dan nog pre­ciezer -heeft de Heer mij van­nacht, zoals ik U trouwens giste­ren al voorspelde, doen weten: al­les namelijk wat Herodes heeft besloten te doen.
Hoofdstuk 33: Voorbereidingen voor de vlucht naar Egypte. Voorzorgsmaat­regelen des Heren. Afspraak tussen Jozef en Cornelius (23 september 1843) - Jakob Lorber - De jeugd van Jezus
[17] De vroedvrouw antwoord­de hem en zei: ' Je blijft maar pre­cies zoals je bent; maar bewaar wel over hetgeen je gezien hebt het diepste stilzwijgen, anders zul je Gods straf kunnen verwach­ten!. ..' Nicodemus gaf nu de drachme weer terug en ging onder tranen naar buiten. Het desbetref­fende kamertje liet hij later inder­daad rijk met goud en edelstenen verfraaien. Jozef echter is direct afgereisd.
Hoofdstuk 26: Verwijt van de herbergier Nicodemus aan het adres van Jozef. Jozefs zelfverdediging. Het getuigenis van de vroedvrouw. Een genadige wenk aan Nicodemus, die daarop de Heer erkent (9 september 1843) - Jakob Lorber - De jeugd van Jezus
[19] want uit het ene mud tarwe, dat gezaaid was, oogstte men pre­cies duizend mud; een oogst die nog nooit iemand had meege­maakt
Hoofdstuk 294: Tweejarige wonderpauze. Prijsstijgingen in Palestina. Jozef zaait nog in de zevende maand. De achtjarige Jezus zaait persoonlijk tarwe. Wonderbaarlijke oogstzegen. Jozefs dankbaarheid! Liefde beter dan lof! Genezing van de verschrompelde jongen - Jakob Lorber - De jeugd van Jezus
1 - 2