Cyrenius maakt zich zorgen over de slachtoffers van de brand. Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. God is voor iedereen een rechtvaardige Rechter

Jakob Lorber – De jeugd van Jezus

«« 242 / 302 »»
[1] Allen werden hevig ontsteld toen zij plotseling die verschrikke­lijke zee van walm en vlammen zagen opstijgen.
[2] Cyrenius vroeg aan Jozef of zij nu die ernstig bezochte en in het nauw gedreven mensen te hulp zouden moeten snellen.
[3] Maar Jozef antwoordde Hem: ‘Ik vind dat we het maar op zijn beloop moeten laten.
[4] Met onze natuurlijke mense­lijke krachten kunnen wij het vuur toch niet bedwingen.
[5] En degenen, die daar tot de bedelstaf geraken, die zullen ons gauw genoeg weten te vinden.
[6] Laat ons dus maar kalm en rustig hier blijven: die in nood zit­ten zullen heus wel komen op­dagen. ,
[7] En het Kindje voegde daar nog aan toe: ‘Beste Jozef, je goud en zilverkist zal hierdoor wel een flink stuk lichter worden!
[8] En ook jij, Cyrenius, zult vandaag nog voor je vertrek, een paar pondjes goud en zilver lichter worden,
[9] want de lieden die hier van­daag waren, en die ons heimelijk bedreigden met de verwoesting van ons huis, die zullen al gauw als deemoedige vrienden terugko­men en bij jou om een ondersteu­ning aankloppen.!
[10] Bereid je daar dus maar op voor! Toch mag je niet denken, dat Ik door Mijn Almacht hun huizen in brand gestoken zou heb­ben;
[11] Zo iets doe Ik namelijk niet; en alle gevoelens van wraak zijn verre van Mij!
[12] Maar jou wil Ik het wel toe­vertrouwen: hun bedienden heb­ben dit gedaan!
[13] Die koesterden namelijk al oude wraakgevoelens jegens hun meesters, omdat zij door hen heel karig en uiterst hardvochtig be­handeld werden!
[14] Vandaag achtten zij het juiste moment gekomen om zich aldus op hun dwingelanden te wreken.
[15] Zij hebben al hun paleizen in brand gestoken,
[16] zodat deze wereldse heren nu, buiten Mijn toedoen in de kuil zijn gevallen, die zij voor ons had­den willen graven!’
[17] Toen Cyrenius dit van het Kindje hoorde, vroeg hij Hem on­middellijk, of dergelijke bedien­den dan eigenlijk niet vervolgd zouden moeten worden.
[18] Maar het Kindje antwoord­de: ‘Laat dat maar zitten. In de eerste plaats hebben zij namelijk jegens hun hardvochtige bazen een goed werk verricht en
[19] in de tweede plaats zijn zij allang met hun geroofde schatten voortvluchtig,&
[20] en ten derde zullen zij hun gerechte straf toch niet kunnen ontlopen; zij hebben dit immers moedwillig gedaan en uit kwaad­aardige wraaklust !
[21] Onze aandacht moet dus vooreerst gericht zijn op hen, die onze hulp nodig hebben!
[22] Overigens, voor die brand­stichters is alles al geregeld.
[23] Want weet dit wel: ‘God ziet hen overal en Hij kent hun gangen heel precies!
[24] Hij kan hen dus ook overal pakken, waar ze zich ook mogen ophouden.
[25] God is voor ieder mens een allerrechtvaardigste Rechter; Hij zal hun voor hun daden ook het juiste loon weten te geven!’
[26] Op dat moment kwam Ma­ria hevig verschrikt aanhollen; zij wees Jozef op een groot aantal ge­wapende krijgslieden, dat zich met versnelde pas in de richting van de villa voortbewoog.
[27] Maar nu zei het Kindje: ‘Wees maar niet bang; dat is Cy­renius’ lijfwacht, die de gouver­neur van de stad nu tot zijn bevei­liging hierheen zendt.
[28] Zij zullen wel spoedig wor­den gevolgd door een massa bur­gers.
[29] Zorg dus eerst maar voor hun onderdak, de rest komt dan ook wel in orde.
[30] En, zoals het Kindje ge­zegd had, zo gebeurde het ook: inderdaad kreeg Cyrenius zijn lijf­wacht, en na hen kwam er een massa brandslachtoffers.
«« 242 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.