Broederlijke toespraak van Cyrenius tot zijn rouwmoedige knecht en diens opname in het gezelschap. De afgunstige knechten en Cyrenius' antwoord aan hen

Jakob Lorber - De jeugd van Jezus

«« 140 / 302 »»
[1] Cyrenius, die de grote erkente­lijkheid van zijn knecht en diens grote berouw zag, troostte hem en sprak:
[2] ' Ja, ja, nieuwe broeder in den Heer, wij mensen schieten tegen­over God allemaal te kort, maar als wij onze fouten erkennen en betreuren, vergeeft God ze ons ook!
[3] En dat terwijl God Heilig is, en wij bij Hem vergeleken grote zondaars zijn!
[4] Als dan de Heilige vergeeft, hoe zouden dan wij - zondaars onder elkaar -elkander onze fou­ten niet vergeven?!
[5] Zolang een mens niet tot een echte duivel is geworden, zolang blijft Gods genade tot zijn be­schikking, ...
[6] maar, wordt een mens op deze wereld eenmaal door en door een duivel, dan betekent dat, dat God Zijn genade van hem heeft afgetrokken, en dat Hij hem heeft overgeleverd aan de gerechtig­heid van de hel!
[7] Dat is dan ook de reden, waarom die twintig kerels, die jou hebben omgekocht, door de leeu­wen zijn verscheurd. ..: zij waren al tot duivels geworden!
[8] Jij werd gespaard omdat jij alleen maar werd verleid; je was verblind en je wist niet precies wat je deed!
[9] God de Heer heeft Zijn ge­nade niet van jou afgetrokken. Hij heeft je de ogen integendeel geopend, zodat je tot volledige in­keer bent gekomen.
[10] Je hebt de zonde, die je er­kende, betreurd en God heeft je die zonde vergeven!
[11] Daarom vergeef ook ik je jouw vergrijp jegens mij, en maak ik je tegelijkertijd tot mijn vriend en broeder in den Heer!
[12] Ik wil je in je eer herstellen en je in contact brengen met mijn heilig gezelschap.
[13] Vat dus maar goede moed en volg me opdat mijn verheven vriend je kan zegenen als een ech­te, een ware broeder.
[14] Deze heerlijke toespraak van Cyrenius tot zijn ontrouwe dienaar had een uitstekende uit­werking.
[15] De knecht werd erdoor ge­troost en gesterkt; hij kwam in­derdaad overeind en in overvloe­dige tranen volgde hij Cyrenius naar diens gezelschap.
[16] Toen hij daar bij hen was aangekomen, hief Jozef terstond zijn handen over hem op, zegende hem en zei verder alleen maar: 'De Heer zij met u!'
[17] N u gaf Cyrenius opdracht om voor zijn dienaar fraaie kleren te halen en ze hem aan te doen.
[18] Ook gaf hij hem een ere­titel en een broederkus!
[19] Vervolgens riep Cyrenius al zijn personeel bijeen, stelde hen deze nieuwe broeder voor, en gaf hen de opdracht hem te ge­hoorzamen!. ..
[20] Maar nu begon het perso­neel zijn beklag te doen: 'Noemt U zichzelf een rechtvaardige rech­ter, ...U, die deze verrader ver­heft, terwijl U ons tegenover hem vernedert?! Ons die U altijd trouw zijn geweest!'
[21] Cyrenius hernam nu het woord en zei: 'Vinden jullie het dan zo erg, als ik goed en barm­hartig ben? Wie van jullie is er aan mij dan ooit iets te kort gekomen? En toch heeft géén van jullie om mij ooit zijn leven geriskeerd!
[22] Deze hier is onder jullie al­tijd de minste geweest. Hij heeft wel zijn leven om mij op het spel gezet! Door zijn optreden ben ik nu van mijn vijanden afgekomen! Zou hij dan daardoor deze rang niet waardig zijn?'
[23] Nu deed het personeel er verder het zwijgen toe en, tevre­den met deze uitleg, ging het op­nieuw aan het werk.
[24] Een van de hemeljongelingen zei nu: 'Zo zal het in het Rijk Gods ook eenmaal toe gaan. Er zal meer vreugde zijn over één zondaar, die zich bekeert, dan over negen en negentig rechtvaar­digen, die nooit zondigden!'
«« 140 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.