Jakob Lorber – De jeugd van Jezus
«« 163 / 302 »»
[1] Zo kwam dus in Jozefs huis alles weer terug in de normale orde.[2] Jozef en zijn zoons maakten uit hout allerlei gebruiksvoorwerpen en ze verkochten die tegen billijke prijzen aan bewoners van de stad.
[3] Uiteraard verrichtten zij daarnaast hun overige huiselijke werkzaamheden.
[4] Maria en Eudokia deden de huishouding. Zij maakten ook kleding en soms tevens sierkunst voor de rijke families in de stad.
[5] Maria was namelijk bedreven in kunstspinwerk, en ze breide kledingstukken.
[6] Eudokia kon zeer goed naaien en uitstekend borduren.
[7] Hiermede verdiende het gezin regelmatig wat het nodig had en bovendien nog voldoende om zo nodig anderen te kunnen bijstaan.
[8] Drie maanden later pas kwamen de acht kinderen uit Tyrus aan, onder begeleiding uiteraard van vertrouwde vrienden van Cyrenius.
[9] Zij brachten een bedrag aan kostgeld mee, dat wel achthonderd pond goud bedroeg.
[10] Daar was Jozef echter niet gelukkig mee, hij zei: ‘Ik neem wel de kinderen aan, maar dat geld wil ik niet, want daarop ligt de vloek des Heren.
[11] Neemt u dat dus maar weer mee terug voor Cyrenius; hij zal best begrijpen waarom ik het niet kan en mag aannemen!
[12] Breng hem echter wel mijn zegen over en mijn groeten,
[13] en zeg hem, dat ik hem op zijn terugreis in de geest heb begeleid, en getuige was van alles, wat hem is overkomen,
[14] en dat ik hem heb gezegend, telkens als gevaren hem bedreigden.
[15] Over het verlies van de drie dieren op het eiland Kreta moet hij zich geen zorgen maken; want de Heer, Die hij kent, heeft het zo gewild!’
[16] Toen zegende Jozef de vrienden van Cyrenius en nam met vreugde de acht kinderen op, die zich in Jozefs gezin direct begonnen thuis te voelen.
[17] Cyrenius’ vrienden namen het goud dus weer mee, en vertrokken met spoed terug naar Tyrus.
[18] Jozef prees God voor het geschenk van deze kinderen; hij zegende hen en stelde hen onder de hoede van Maria, die -doordat zij in de Tempelonderricht had ontvangen in alle mogelijke vakken -de bevoegdheid had van hoofdonderwijzeres.
[19] Zij leerde de kinderen dus lezen en schrijven in het Grieks, Hebreeuws en Latijn.
[20] Deze drie talen moest namelijk in die tijd bijna iedereen kunnen spreken en zo mogelijk, voor noodgevallen ook kunnen schrijven; Latijn was in die tijd daar wat nu het Frans is: in een wat betere opvoeding mocht het niet ontbreken.
«« 163 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.
