Jozef speurt naar de oorzaak van Jacobs geneeskracht en verhoort hem. Jozefs twijfel en de kundige antwoorden van Jacob

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 162 / 302 »»
[1] Een poos je later ging Jozef naar Jacob toe om hem te vragen, van­waar hij in zijn adem een dergelij­ke kracht had verkregen.
[2] Jacob antwoordde: ‘Vader­lief, in mijn hart hoorde ik een Stem, die tot mij zei:
[3] ” Adem de blinde in het ge­zicht, dan zal hij weer zeer helder kunnen zien!”
[4] Ik geloofde vast aan die Stem binnen in mij, en handelde ernaar. ..en nu ziet de blinde! ,
[5] Jozef sprak: ‘Wat je zegt zal zeker waar zijn,
[6] maar waar kwam die mach­tige Stem in jou dan wel vandaan? Hoe heb je die gehoord?’
[7] Aldus aan de tand gevoeld, zei Jacob nu: ‘Maar Vaderlief, u ziet toch wel, Wie nu op mijn arm met mijn lokken speelt?!
[8] Ik denk dat Hij het is, Die zo wonderlijk in en tot mij heeft ge­sproken!
[9] Maar Jozef zette zijn ver­hoor voort:
[10] ‘Denk jij dan dat het Kind­je nog het Echte is? Denk jij niet ook dat Het is omgewisseld?’
[11] En Jacob sprak: ‘Wie of welke macht zou dan in staat moe­ten zijn om de Almachtige te kun­nen omruilen?
[12] Als de engelen telkens op hun knieën vielen als het Kindje op Zijn wonderlijke manier ging spreken, hoe zouden zij dan zó met de Almachtige kunnen om­gaan?! ..’
[13] Ik voor mij houd het Kind­je dus voor het eerste en echte, en dat doe ik met dezelfde vaste overtuiging, als waarmee ik nooit geloofd heb in omruiling van kin­deren!’
[14] Jozef sprak: ‘Zoonlief, ik vind dit getuigenis van jouw ge­loof helemaal niet zo indrukwek­kend:
[15] Immers, David zelf zegt: “Waarop zinnen de heidenen, en waarom spreken de mensen zulke onzin?
[16] Koningen verheffen zich en machtigen beraadslagen onder el­kander tégen de Heer en Zijn Ge­zalfde, en zij zeggen:
[17] Laat ons onze boeien ver­breken en Zijn koorden wegwer­pen!”
[18] Kijk, mijn jongen, dat zijn geestelijk geladen woorden. Die koningen, dat zijn de machten, die grote rijken van onzichtbare machten regeren! En wat voeren die in hun schild? Waarover heb­ben zij het eigenlijk?
[19] Kan dit dan geen aanwij­zing inhouden van de mogelijk­heid dat zij hun handen opheffen tegen de Heer Zelf? …De hand aan Hem slaan?’
[20] Jacob antwoordde: ‘ Ja ze­ker zou dat kunnen, als de Heer dat zou gedogen!
[21] Maar luidt niet de vraag aan het begin van dat gezang: “Wáárop zinnen de heidenen, en wáárom spreken de mensen zulke onzin?”
[22] Zou het dan ook niet zo kunnen zijn, dat David daarmede de ontoereikendheid aanduidt van die machten tegenover de Heer?
[23] Want verderop luidt het: “Maar Hij, Die in de Hemelen woont, lacht om hen en spot met hen!
[24] De tijd komt, dat Hij tegen hen Zijn toorn zal doen woeden, en dat Hij hen zal verschrikken met Zijn wraak!”
[25] Vader, ik denk, dat ik mijn geloof heel goed kan rechtvaardi­gen met deze twee strofen van de grote zanger Gods!
[26] Zij verzekeren mij vol­doende dat de Heer te allen tijde Heer blijft, en dat Hij Zich niet laat omwisselen!’
[27] Jozef was hogelijk verbaasd over de wijsheid van zijn zoon; hij nam opnieuw het Kindje als het Echte aan, en hij loofde en prees God voor de afloop!
«« 162 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.