Jakob Lorber – De jeugd van Jezus
«« 172 / 302 »»
[1] Nadat Jonatha zich enigszins had hersteld van de verbazing over wat het Kindje had gezegd, zei hij tegen Jozef:[2] ‘Broeder, hoezeer ik mij ook had voorgenomen om vandaag en morgen hier bij jou te blijven, toch vrees ik, dat ik aan dat Voornemen geen gevolg zal kunnen geven.
[3] Eerlijk gezegd, alles is mij hier een beetje te heilig. Ik waan mijzelf hier in een woestijn, waarin alles wat een reiziger ziet hem toeroept: Voor jou is hier geen plaats, alleen voor geesten!
[4] Ook lijkt het me hier als op een hoge berg, op de spits waarvan weliswaar een toverachtig uitzicht aanvankelijk ieders zinnen verrukt,
[5] maar waar de frisse, zuivere lucht hem al gauw zal zeggen:
[6] Hé, jij lui en onrein lastpak van een mens, ga jij maar weer vlug terug naar je stinkende thuis!
[7] Hier toeven alleen zuivere geesten uit het etherrijk; dit is geen verblijfplaats voor onzuivere zielen!
[8] Immers: onze grote profeet Mozes, hoe zuiver was niet diens geest. .., en toch sprak de Heer tegen hem, toen hij Hem verlangde te zien :
[9] Je kunt niet Mij zien en tevens in leven blijven!
[10] En nu is Diezelfde Heer in al Zijn Heiligheid hier aanwezig, Hij, die (Zich) door de mond van alle profeten openbaarde, Hij is hier!
[11] Hoe zou ik dan, die een oude zondaar ben, die tegen alle Wetten van Mozes heb gezondigd, Zijn zichtbare aanwezigheid nog langer kunnen verdragen?’
[12] Maar nu zei Jozef: ‘Maar beste vriend en broeder, je weet toch immers wel welke Wet de voornaamste is; waarom zou je nu liever naar huis gaan, dan die Wet ernstig naleven?
[13] Je moet de Heer met al je vermogens liefhebben en niet steeds aan je zonden denken! Dan zul je de Heer beslist beter bevallen, dan door steeds maar jezelf te beklagen!
[14] Wacht tot het Kindje afscheid van je neemt. Want dan kun je ervan op aan, dat je Hem onwaardig bent!
[15] Maar zolang dat niet het geval is, blijf! Meer thuis zijn dan hier kun je immers in der eeuwigheid niet!’
[16] Op dit moment voegde het Kindje Zich bij hen, en zei: ‘ Jozef, gelijk hebt u, dat u Jonatha al vast een beetje hebt opgemonterd. Waarom is hi j toch zo eigenwijs hier niet te willen blijven, terwijl Ik hem toch zo graag mag?’
[17] Vervolgens, Zich tot Jonatha wendend, zei Het:
[18] ‘ Jonatha, wil je werkelijk niet hier blijven? Wat voor ergs gebeurt je hier dat je niet wilt blijven?’
[19] Jonatha gaf Hem ten antwoord: ‘Mijn God en Heer, ik ben immers een groot zondaar tegen de Wet!’
[20] Het Kindje zei echter: ‘Over welke zonden heb je het? Ik ontwaar er bij jou niet één!
[21] Weer je wie een zondaar is? …Dat is hij, die geen liefde heeft!
[22] Jij hebt wel liefde, en dus ben jij voor Mij geen zondaar , want je zonden heb Ik je vergeven. Daarom ben Ik Heer boven Mozes en in eeuwigheid!’
[23] Nu begon Jonatha te wenen en hij besloot opnieuw te blijven. Hij ging naar het Kind je toe en liefkoosde Het!
«« 172 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.
