Liefde wedijver tussen Jozef en Cyrenius. Jozefs onbaat­zuchtigheid. Over ware en onechte Godsdienaars

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 228 / 302 »»
[1] Toen het ontbijt aldus was klaargemaakt en iedereen was op­gestaan ging Jozef zonder verder verwijl naar Cyrenius toe om hem te vragen of hij al klaar was om te ontbijten.
[2] Cyrenius antwoordde: ‘Ja, beste vriend en broeder, ik en heel mijn gevolg zijn dat inderdaad,
[3] maar ik weet ook best, dat jij in je provisie niet zoveel voorraad kunt hebben, dat je dagen achter­een meer dan honderd mensen te gast kunt hebben.
[4] Daarom zal ik vanochtend mijn personeel naar de stad stu­ren, om daar voor mij en voor jou levensmiddelen te gaan kopen!’
[5] Toen Jozef dat beluisterd had, zei hij:
[6] ‘Beste vriend en broeder , voor wat betreft je schip kun je dat natuurlijk doen,
[7] maar voor wat mij betreft, zou dat onnodige moeite zijn,
[8] want ten eerste staat het ont­bijt al gereed, en ten tweede is er in mijn provisiekamer nog zoveel voorraad, dat jullie die met z’n allen in acht dagen nauwelijks aan zoudt kunnen
[9] Heb dus om mij maar geen zorg, want echt, ik ben rijkelijk voorzien!
[10] Cyrenius nu: ‘Waarlijk, als er voor jouw uitverkoren positie niet nog andere bewijzen zouden bestaan, dan zou toch zeker je on­begrijpelijke onbaatzuchtigheid voor mij daarvoor een overduide­lijk getuigenis zijn!
[11] Ja, hieraan zul je de echte Godsdienaars te allen tijde van de onechte kunnen onderschei­den:
[12] de echten zullen steeds in hoge mate onzelfzuchtig zijn, en de onechten zullen precies het te­genovergestelde zijn,
[13] de echten dienen God in hun binnenste en vinden daar ook hun hoogste en eeuwige beloning,
[14] de onechten daarentegen dienen een god, die zij zichzelf, uit wereldse motieven, hebben ge­modelleerd naar hun eigen slechte inborst;
[15] zij proberen dan ook hun loon in en van de wereld te ont­vangen, waar ze zich voor elke hand­ en spandienst maar al te duur laten betalen!
[16] Als geboren heiden weet ik bijzonder goed, hoe bijvoorbeeld Romeinse priesters zich voor elke stap, die zij zetten, laten betalen.
[17] Het is een feit, dat ik zelf aan de hogepriesters eens voor een bepaalde raad honderd pond goud heb moeten betalen!
[18] Nu vráág ik je: was dat nu een ware dienaar van een ware god?
[19] Maar jij hebt mij nu al drie dagen uitstekend verzorgd, en wat heb ik in jouw huis bovendien niet allemaal mogen Ieren, …en nog wil je niets aannemen!
[20] Zelfs voor mijn acht kinde­ren wil je niets aannemen! …als daaruit niet duidelijk blijkt hoe echte en zuivere Godsdienaars er uit zien!?’
[21] Jozef reageerde echter met: ‘Broeder, houd daarover op, want ook dergelijke woorden zijn te veel eer voor mij!
[22] Ga maar liever aan tafel dan Iaat ik je ontbijt direct opdie­nen.’ Cyrenius gaf dadelijk gevolg aan Jozefs wens en nam aan tafel plaats.
«« 228 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.