Juist vanwege haar grote liefde doet Maria wel eens boos tegen Mij.

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 230 / 302 »»
[1] Toen het Kindje nu was aange­kleed vroeg Cyrenius nog eens, of Het nog een lekker stukje vis zou willen nemen.
[2] Op Zijn eigen wijze zei het Kindje echter: ‘Een klein stukje zou Ik best nog lusten. ..;
[3] maar Ik durf het eigenlijk niet te nemen, omdat moeder Mij anders wel weer zal uitfoeteren!’
[4] Cyrenius nu: ‘Maar Kindje­lief, als ik het Je aanreik, zal Je moeder toch zeker niets zeggen?’
[5] Maar het Kindje antwoordde heel naïef: ‘Neen, zolang jij hier bent, zal zij inderdaad niets zeg­gen,
[6] maar als je straks weg bent, dan krijg Ik het dubbel op te ho­ren!
[7] Je gelooft niet hoe lelijk Mijn moeder kan doen, als Ik iets doe, wat haar niet aanstaat!’
[8] Nu glimlachte Cyrenius en zei: ‘ Als ik Jouw moeder daarom nu eens zou uitfoeteren denk Je dan niet dat ze dan tegenover Jou wat toegeeflijker zou worden?’
[9] Het Kindje: ‘Doe dat alsje­blieft niet; dan zou Ik namelijk, zodra je weg bent, pas echt een uitbrander krijgen, zoals Ik er nog nooit een heb gehad!’
[10] Nu vroeg Cyrenius verder:
[11] ‘Maar mijn Leven, hemels Kind je van me. Als Je moeder dan zo lelijk doet, hoe kun Je dan toch zo veel van haar houden?’
[12] Het Kindje antwoordde: ‘Omdat zij juist vanwege haar gro­te liefde voor Mij zo lelijk doet; zij is steeds maar erg bang dat Mij iets zou kunnen overkomen.
[13] Ik moet haar dus wel echt liefhebben! Is ze dan al eens boos zonder goede reden, dan meent zij het toch goed, en daarom ver­dient zij Mijn Liefde.
[14] En kijk, dat is nu precies de reden, waarom zij ook boos zou worden als Ik nog een stukje vis zou nemen; ze denkt namelijk dat het niet goed voor Me zou zijn.
[15] Het zou Me beslist geen kwaad doen, maar Zelf wil Ik nu niet tegen de goede bedoelingen van Mijn moeder ingaan.
[16] Als dat zo uitkomt wil Ik Mijzelf ook best eens verlooche­nen en Mij aan moeders gebod houden.
[17] Maar als dat geen zin heeft, dan doe Ik wat Ik wil.
[18] En het maakt Me dan ook helemaal niets uit, als in zo’n geval Mijn moeder wat opspeelt.
[19] Het is trouwens ook hele­maal niet nodig nu nog een stukje vis te eten, Ik wil Mezelf dus best verloochenen, zodat moeder Mij niets zal kunnen verwijten als jij straks weg zult zijn.’
[20] Met een hart vol liefdevolle bewondering vroeg Cyrenius nu:
[21] ‘ Ja maar, Leven van me, als Je dan zo’n respect hebt voor Je aardse moeder, waarom heb Je Je dan zojuist niet door haar laten aankleden?
[22] Zal zij Je dan daarom niet uitfoeteren zodra ik weg zal zijn?’
[23] ‘ Ja reken maar, zei het Kindje, ‘maar dáárvan zal Ik me dan ook niet al te veel aantrekken!
[24] Ik heb je toch al gezegd, dat Ik soms doe wat Ik wil, zonder te vragen of Mijn moeder dat goed vindt of niet…
[25] Op haar beurt mag Mijn moeder dan ook best tegen Mij foeteren, omdat zij het goed be­doelt en van goeden wille is. ,
[26] Maria moest nu even la­chen en zij zei op schertsende toon: ‘Wacht jij maar eens tot we straks alleen zijn!
[27] dan zal ik Je wel weer eens goed onder handen nemen, om­dat Je Je nu over mij zo bij Cyre­nius beklaagt!’
[28] Maar het Kindje glimlachte en zei: ‘Neen, dat meent u niet! Ik kan het heel goed aan u zien, als u echt boos bent, want dan bent u helemaal rood; maar nu bent u prachtig blank, net als Ik, en zo bent u nooit boos!’
[29] Over deze opmerking moesten ze allemaal lachen, het Kindje ook. En Maria, gevolg ge­vend aan een hevige aandrang, nam het Kind je om Het inniger dan ooit aan haar hart te drukken!
«« 230 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.