Jakob Lorber – De jeugd van Jezus
«« 284 / 302 »»
[1] Maar nu de vader van het dode kind eenmaal had vernomen dat het Kindje zijn zoon weer levend zou kunnen maken, wilde hij niet meer van het Kindje wijken.[2] Dus zei Jozef tegen hem: ‘Vriend, ik raad je aan niet zo opdringerig te doen; dit Kindje heeft nu eenmaal Zijn eigen orde, en daar handelt Het naar!
[3] Hij laat Zich niet dwingen, ook niet door nog meer gehuil:
[4] Breng je jongen maar liever naar huis, en leg hem dan zoals je dat ook met een zieke zou doen -op een goed bed, dan zal het morgen zeker beter met hem gaan!’
[5] Na dit pleidooi van Jozef, verliet de vader van de dode jongen hem eindelijk om te gaan doen wat Jozef hem had aanbevolen.
[6] Pas daarna kreeg Jozef rust en gelegenheid om met de bouwheer zijn contract te sluiten.
[7] Vervolgens ging Jozef weer naar huis terug, en toen Maria, Eudokia en Salome hem tegemoet kwamen, vertelde hij haar alles wat hem op deze korte tocht was overkomen.
[8] Alle drie waren zij hogelijk verwonderd over het feit dat mensen zo slecht kunnen zijn.
[9] Maar het Kindje zei: ‘Verwondert u niet over de slechtheid van de mensen; als je dat namelijk zou willen doen, dan zou er op de wereld heel wat te verwonderen zijn!’
[10] Salome zei nu tegen Maria: ‘Zeg, verheven zuster, het is toch onbegrijpelijk:
[11] Het Godskind hoeft slechts Zijn heilige Mond open te doen, of steevast spreekt daar de ware wijsheid uit!
[12] Wat was dit woord weer onvoorstelbaar wijs en verziend!
[13] O, wat ben jij toch enorm gelukkig, dat je moeder van zo’n Kind mag zijn!’
[14] En het Kindje sprak: ‘En jij ook Salome! Omdat jij voor je Heer een huis hebt mogen kopen,
[15] en er getuige van mag zijn, hoe Hij daar ook lijfelijk in woont!
[16] Want wat voor onderscheid is er dan wel tussen haar, die Mij gedurende korte tijd in haar lichaam heeft geborgen,
[17] en mijn eigenlijke huisvrouw, die Mij voor altijd in haar huis onderdak biedt?
[18] Want als een moeder een kind draagt in haar schoot, wat presteert zij dan wel voor het wordende leven, de wasdom en de geboorte?
[19] Is dat niet allemaal een Goddelijk werk, waaraan de menselijke wil niets kan doen?
[20] Zou het zelfs niet meer kunnen zijn, wanneer iemand een kind in zijn huis opneemt, en voor altijd verzorging en kost verschaft?!
[21] Waarlijk, Ik zeg je: allen, die Mij in de toekomst geestelijk in hun hart zullen opnemen, die zullen voor Mij gelijk zijn aan mijn moeder, mijn broeders en mijn zusters!’
[22] Deze woorden lieten allen diep in hun hart doordringen en tot nadenken verstild keerden allen naar huis terug.
«« 284 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.
