Eerste Brief van Abgarus aan Jezus, de Heiland

Jakob Lorber – Brieven van Jezus en Abgarus

«« 1 / 15 »»
[1] Van Abgarus, vorst van Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, die in het land van Jeruzalem is verschenen: alle goeds!
[2] Ik heb van U gehoord en van Uw genezingen; hoe U die namelijk verricht zonder aanwending van medicijnen of kruiden. Naar verluidt doet U de blinden zien en de lammen lopen; de om hun melaatsheid uit de maatschappij verbannenen zoudt Gij reinigen; de onreine geesten zoudt Ge uitdrijven, en Ge zoudt degenen, die lijden aan langdurige ziekten genezen, terwijl Ge zelfs doden zoudt hebben opgewekt!
[3] Na het horen van al deze dingen, ben ik bij mijzelf tot de conclusie gekomen, dat één van déze mogelijkheden feitelijk waar moet zijn: ófwel Ge zijt God, Die uit de Hemel is neergedaald, ofwel Ge zijt, waar Ge tot deze dingen in staat zijt, toch tenminste een Zóón van de grote God !
[4] Door middel van dit schrijven moge ik U verzoeken Uzelf de moeite te geven om naar mij toe te komen, om de ziekte waaraan ik lijd te genezen!
[5] Ook heb ik gehoord dat de joden tegen U tekeer gaan en U kwaad willen doen. Ik nu heb hier een weliswaar kleine, maar goedgeordende stad, die voor ons beider behoefte genoeg op kan brengen. Komt U dus, hooggeachte Vriend Jezus, naar mij toe, en vestigt U hier bij mij in mijn stad; het is hier een stadstaat. Hier zal iedereen U op handen dragen en U van harte toegenegen zijn!… Met een allerinnigst verlangen wacht ik op U!
[6] Brenger dezes is mijn trouwe dienaar Brachus.
1 / 15 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.