Asmahaëls woorden van dank

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 1)

«« 78 / 187 »»
[1] Toen Asmahaël dat uit de mond van Adam had gehoord, werd hij tot tranen toe geroerd en zei met ten hemel geslagen ogen:
[2] "O, als het toch mogelijk zou zijn om die arme, arme gedode broeders te redden, o waarlijk, dan zou ik als nietige vlieg een machtige gier willen worden en in snelle vlucht omlaag de diepten in willen schieten om daar alle arme, dode broeders die verstoken zijn van licht en leven op te nemen en hen allen snel, nog sneller dan een gedachte kan gaan, hierheen te dragen. Zij zullen zich dan met mij verbazen als ze zien hoe direct en verheven op de heilige hoogten de machtige kinderen des Heren al die wonderbaarlijke dingen aan de zwakke en dode mens heel wijs leren en onthullen, en hen in machtige uit heilige woorden opgebouwde vormen de woonstee van het leven in de mens tonen - en, machtiger nog dan alles, de machtigste, allerheiligste Schepper van werelden en zonnen als Vader der mensen!
[3] O, als dat eens mogelijk zou kunnen zijn!
[4] O vaderen der vaderen der aarde, ook al aanschouwt dikwijls het oog bij het verwonderd kijken in de eindeloze ruimten van de schitterende schepping nimmer het nietige stofje, maar wanneer dit zo nietige stofje, door de wind gedragen, eenmaal in het oog van de kijker is gevallen, begint de grote in het smartelijke oog te wrijven en probeert zich te ontdoen van hetgeen hem hinderend en brandend het zien belemmert! En dan roept niet zelden de ene broeder tegen de andere:
[5] 'O kom en zoek mij dat nietige, lastige ding in mijn oog!' En heeft zijn broeder het gezien, begraven in het tranende oog van de broeder, dan roept hij: 'O broeder! De nietige vijand van jouw gezichtsvermogen berokkent je geen schade meer; hij ligt nu in de zegevierende vloed van je tranen begraven! Medelijdende tranen zullen je tot je vreugdevolle blijdschap spoedig van deze gevreesde, nietige vijand bevrijden; want nu het stofje zelf één geworden is met je tranen, zal het nooit meer je zien belemmeren en je verhinderen de lichtende verten van de eeuwige schepping te aanschouwen!'
[6] O vaderen der vaderen der aarde, jullie kijken met heilige ogen uit in de eindeloze velden van de eeuwige lichten; maar beneden, daar beneden in de duistere diepte van 's mensen ellende, daar wervelt niet zelden een razende orkaan het vijandige stof op tot deze heilige hoogte om je het zien te belemmeren!
[7] Wanneer het jullie leed berokkent, o laat het dan door een bekommerde traan aangrijpen en duld het, tot het zelf in dankbare tranen verandert!
[8] O vergeef mij arme en zwakke! En al kan ook de vlieg niet brullen zoals tijgers en leeuwen, toch laat zij haar zachte gezoem horen en zegt: 'O vaderen der vaderen der aarde, ook ik ben door de machtige hand van jullie heilige Vader gevormd; gunnen jullie groten mij zwakke daarom ook een medelijdende blik!' Luister! Amen, o amen."
[9] Zeer verheugd over Asmahaëls mooie woorden, zei Adam: "Ik heb je terechte zuchten duidelijk verstaan en ken het slechte stof van de diepte, deze vijand van al het innerlijke schouwen, zeer goed; maar alvorens wij tot het een of andere heilzame werk overgaan, moet eerst de wil van onze grote Heer nauwgezet worden onderzocht. Want door ons zal nooit iets ondernomen worden zonder de goed gekende wil van boven; dus nog slechts een korte tijd en heden nog zal bepaald worden wat de grote Heer boven alle sterren besloten heeft te doen in de diepten der gruwelen en dat zal zeker het beste zijn. En hoe het ook mag uitvallen, voor of tegen, zo geschiede altijd met de meeste nauwgezetheid Zijn meest heilige wil! Amen."
[10] En direct daarna stond Seth op en zei tegen Adam: "Lieve vader! Moet ook Henoch ons hier niet een korte uitleg over deze prachtige omgeving geven, net als in jouw grot?! Zie, ik verlang zeer daarnaar! Hoe dikwijls heb ik daar al over nagedacht, maar kon toch nooit iets anders opbrengen dan wat mijn ogen zagen en mijn oren hoorden, namelijk deze ten hemel rijzende, gelijkvormige stenen spitsen met hun merkwaardige waterstralen, die als talloze parelen ruisend over de steile wanden naar de aarde omlaag storten en door dit harmonische ruisen het oor op een wonderlijke wijze tot verrukking brengen.
[11] Vind het daarom goed dat Henoch aan ons allen de ware betekenis bekend zou willen maken. Amen."
[12] Adam vond het verzoek van Seth zeer passend en redelijk en zei: "O Seth, je bent me voor geweest! Want dat was allang mijn eigen wens; laat het daarom geschieden zoals je het gewenst hebt! En jij, lieve Henoch, doe dat en reik je dorstende vaderen een koele, versterkende dronk van jouw liefde, zoals ik en Seth dat wensen! Amen."
[13] En zie, dadelijk stond Henoch op en begon de hier volgende zeer gedenkwaardige woorden tot de vaderen te richten:
[14] "O vaderen! In de schoot van Gods wijde oneindigheid zullen nog wel grotere en wonderlijker natuurtaferelen te vinden zijn en ontelbare malen meer verheven dan deze zevenmaal tien watersproeiende stenen spitsen die amper enige duizenden manslengten boven de grond uitsteken, hetgeen toch zeer zeker niet zoveel is als de verhouding van een bladluis tot ons; en toch is het zo gesteld dat op zijn manier een dergelijk diertje groter is dan deze hele watersproeiende steengroepering!
[15] Maar het is zo, dat een dergelijk buitengewoon lijkend tafereel een stilzwijgend woord uit de wijsheid van de meest liefdevolle, heilige Vader predikt, daarom is dan ook slechts de zin ervan verheven, maar niet het stomme, levenloze middel, - zoals ook geen mond meer verheven is dan een andere, omdat hij woorden van de grootste verhevenheid gesproken heeft; want het verhevene schuilt niet in de mond, maar in het woord.
[16] Zo is het ook bij dit tafereel. Het is niet om wat het laat zien, zodat wij door de innerlijke overeenkomst van de geest de zeven geesten of de zeven machten van God daarin herkennen en dat ieder van hen geheel gevuld is met het levende water van de genade, dat voortdurend over het magere aardrijk van onze ziel neerregent en desondanks niet veel meer vruchten oplevert dan het voortdurend bewaterde aardrijk om de voeten van deze stenen kegels, - noch omdat de erachter staande tien kegels de heilige plichten van de liefde voorstellen, die steeds hetzelfde zijn omdat de zeven geesten eigenlijk slechts één geest zijn, hetgeen wordt bevestigd door dezelfde hoogte, dezelfde kleur, dezelfde vorm, dezelfde massa, dezelfde richting, hetzelfde water en hetzelfde harmonische ruisen, - maar alleen de kennis en het begrijpen daarvan in onszelf is verheven en waardig! Aan het tafereel is weinig gelegen!
[17] 'Los het wonder in je hart eerst op; waarlijk, dan pas zul je met Mij overeenstemmen' zegt de Heer, 'en zeggen: O Heer, wie slechts één druppel van Uw liefde heeft geproefd, die krijgt een afkeer van de aarde en jubelt luid over God in eigen hart!' Amen."
«« 78 / 187 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.