De tempel van het water.

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 3)

«« 246 / 366 »»
[1] In een eveneens bergachtige streek bijna twee dagreizen noordoostelijk van Hanoch werd een tempel voor de watergod gebouwd. Maar hoe, - dat zal dadelijk de volgende korte schets laten zien!
[2] In de genoemde streek, die rondom door steile bergen was ingesloten, lag een zeer groot meer dat een omtrek van dertig mijl of zestig uur gaans had.
[3] In het midden van dit meer lag een eiland dat een oppervlakte van minstens vier vierkante mijlen had en bezaaid was met klippen en andere kleinere maar werkelijk steile bergen, die zeer rijk aan bronnen waren. Deze bronnen bevloeiden het vlakkere deel van dit eiland heel goed en zodoende werd het vruchtbaar gemaakt.
[4] Dit eiland was door de watergoden uitgezocht en zij bouwden in het midden ervan een zeer imposante burcht, waaromheen een brede gracht was gegraven die van honderd kunstige fonteinen haar water kreeg.
[5] In het midden van deze precies vierkante burcht was een majestueuze, open tempel gebouwd waarin zich in een grote schelp die uit steen was gehouwen een geweldige, staande waterdraak bevond, die echter niet van steen maar prachtig van met goud gelegeerde koperplaat was gemaakt.
[6] Op de rug van de draak reed een van hetzelfde materiaal gemaakte, eveneens kolossale mansfiguur die door middel van een inwendig, zeer eenvoudig mechanisme voortdurend zijn hoofd heen en weer draaide en zijn rechterhand van tijd tot tijd ophief.
[7] En telkens als deze figuur zijn hand omhoog bewoog, spoot door een buis boven het ronde dak van de tempel een machtige waterstraal meer dan twaalf vadem omhoog, hetgeen natuurlijk een voor het domme volk hoogst wonderbaarlijk en verrassend schouwspel was.
[8] Er waren hier nog een heleboel andere waterkunstwerken gebouwd, en het hele eiland was mettertijd met allerlei springbronnen bezaaid; om die allemaal nader te beschrijven, zou alleen al een apart boek nodig zijn. Laten wij daarom tot de hoofdzaak overgaan!
[9] Aan de watergod werden in een jaar twaalf feesten gewijd. En iedereen die in het rijk van Hanoch ergens een put groef, moest van tevoren aan de watergod offeren. Telkens als iemand zich waste moest hij de watergod gedenken en alle zeven dagen een klein offer opzij leggen. En wie baadde, moest al een aanzienlijker offer brengen en dat in ieder geval aan een door de watergod aangestelde waterwachter overhandigen, - anders hoefde hij niet op geluk in het water te rekenen!
[10] Zo moesten ook de wassers, de schippers, de vissers en nog allerlei mensen die met water van doen hadden aan de watergod offeren, anders wachtte hen onvoorziene tegenspoed waar gewoonlijk de watermeesters die overal bij de wateren waren opgesteld, voor zorgden.
[11] Opdat het hele volk van het rijk Hanoch gewillig zulke offers bracht, werden - zoals reeds opgemerkt - twaalf feesten op dit eiland gehouden. Bij deze feesten wemelde het op het meer van allerlei vaartuigen; de bedevaartgangers voeren heen en weer.
[12] Op het eiland waren ook heel wat logementen waarin de gasten zoveel mogelijk opgelicht en uitgeknepen werden; en voor de priesterlijke vissers en schippers van dit meer waren er ook vele verdiensten. Naar het eiland toe werd iedereen wel gratis vervoerd; maar des te meer moest men voor de terugreis betalen.
[13] Ik denk dat men over deze gruwelijkheden niet nog meer hoeft te vernemen! Daarom zullen wij dadelijk weer naar nog loffelijker zaken overgaan!
«« 246 / 366 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.